Molenzorg
Wachtebeke, Oost-Vlaanderen
Naam

Poedermolen

Ligging Puyenbrug 1a
9185 Wachtebeke

Provinciaal Domein Puyenbroeck


toon op kaart
Geo positie 51.152695, 3.863778
Eigenaar Provinciebestuur Oost-Vlaanderen
Gebouwd 19de eeuw
Type Binnenrosmolen
Functie Anders
Kenmerken Poeder- of buskruitmolen
Gevlucht/Rad Kollergang op ligger
Toestand Museale opstelling
Bescherming ---,
Niet beschermd
Molenaar Geen
Openingstijden Openingsuren van het Domein, tel. 09 342 42 42, e-mail: puyenbroeck@oost-vlaanderen.be
<p>Poedermolen</p>

Foto: Frans Gijsbrechts, Linkhout  

Beschrijving / geschiedenis

Naast de Olendam staat in het recreatiedomein Puyenbroeck te Wachtebeke een buskruit- of poedermolen opgesteld, geschonken door de firma Cooppal uit Wetteren. De poedermolen diende voor het pletten en mengen van salpeter, zwavel en houtskool, de drie elementen waaruit buskruit samengesteld werd. De molen bestaat uit 1 ligger, 2 lopers, een dwarsas, een koningsspil en een kroonwiel. Deze poedermolen is één van de vier overgebleven poedermolens van de N.V. Cooppal, die men als de laatste exemplaren in ons land mag beschouwen.

Geschiedenis van Cooppal te Wetteren

De Antwerpse handelaar en salpeterfabrikant Jan-Frans Cooppal verkreeg in 1778 een weigering op zijn aanvraag voor de oprichting van een buskruitfabriek binnen de stad Gent. Bij het gehucht Ten Ede van de gemeente Wetteren werd een afgelegen eigendom (het oud heerlijk goed "te Valois") naast de Schelde wel geschikt gevonden voor de vestiging van zijn poerfabriek. Het gebied had aanvan-kelijk een grootte van 10 ½ bunder en was gelegen tussen de oude trafiek van de Schelde en de nieuwe Coupure aan het Witgat of Spey. De fabriek werd om die reden "Scheldezigt" genoemd.
In datzelfde jaar stuurde hij een verzoek aan de Raad van Domeinen en Financiën om toelating te bekomen tot het vrij invoeren van 50.000 pond salpeter en 10.000 pond zwavel uit Holland om aan te vangen met het fabriceren van kanonspoeder. In september 1779 voerde J.F. Cooppal reeds poeder uit naar Duinkerken langs de haven van Oostende en later naar Amerika.
Het buskruitbedrijf bestond uit 4 buskruitmolens met een geringe activiteit. De fabriek werkte verder op kleine schaal tot 1785 en nam dan een belangrijke uitbreiding door de bestellingen van de Oostenrijkse regering. Tussen 1787 en 1791 vervijfvoudigden de winstcijfers, van 4845 tot 22.888 gulden. Dit was vooral te wijten aan de Brabantse revolutie en de nakende oorlog met Frankrijk. De opeenvolgende Franse  invallen hebben een gedeelte van de fabriek verwoest. Het zakencijfer liep fel achteruit en op 31 juli 1796 werd de buskruitfabriek door de Fransen gesloten. De sluiting duurde tot in 1815.

Jan-Frans Cooppal overleed in 1806 en werd opgevolgd door zijn zoon Pieter-Frans Cooppal, voorzitter van de Kamer van Koophandel te Antwerpen. Uit de boekhouding blijkt dat het verlies over de periode 1796-1814 opliep tot 47.186 gulden 17 stuivers en 9 deniers. De nieuwe bewindslieden, de kinderen van Jan-Frans Cooppal, Pieter-Frans en Marie-Françoise Cooppal enerzijds en Philippus Josephus Vermoelen anderzijds, wensten de rekening te vereffenen en besloten tot de ontbinding van de voormalige associatie. De nieuwe associatie kwam in 1815 tot stand. Men had reeds herhaalde malen bij de regering aangedrongen om de toelating te verkrijgen voor de heroprichting. Eindelijk, op 16 november 1815, bekwamen Cooppal en Vermoelen de toelating vanwege het Koninkrijk der Nederlanden. Hun fabriek kon opnieuw herleven en bovendien werden de Nederlanden goede klanten.

In 1817 gebeurde de eerste ontploffing te Wetteren. Het was een lichte ontploffing die zich voordeed in een molen waar beschadigd poeder, afkomstig van het slagveld van Waterloo, werd herwerkt. De arbeider die de molen bediende, bleef gespaard alsook de bijgelegen gebouwen.
In 1838, op 76-jarige leeftijd, wist Pieter-François Cooppal het deel dat in eigendom toebehoorde aan de erfgenamen van P.J. Vermoelen af te kopen, om dus bij zijn dood op 8 augustus 1842 Cooppal in volle eigendom over te laten aan zijn dochter Mimi en haar echtgenoot Theodoor Teichmann. Daar Pieter-François geen zoon als opvolger had, verdween de naam Cooppal, maar uit eerbied en erkentelijkheid voor de stichter Jan-Frans Cooppal en diens zoon Pieter-Frans Cooppal bleef de fabriek steeds de naam Cooppal bewaren.

Na de dood van haar vader liet Mimi Cooppal het bestuur van de fabriek over in handen van Constant Van Cromphaut. Onder zijn beleid werd de fabriek planmatig uitgebreid en kwam het tot hoge bloei. Met het kanonpoeder met grove korrel voor gegroefde lopen van alle kaliber verwierf Cooppal wereldfaam. In 1847 kwam een uitzonderlijke eer, met de verlening door koning Leopold I van de titel Koninklijke Buskruitfabriek.

Tijdens de Krimoorlog (1853-1856) kwamen zeer grote bestellingen van oorlogspoeder voor Engeland. De productie moest opgevoerd worden en de uitrusting gemoderniseerd. De stoommachine deed haar intrede om de manegepaarden te vervangen.

In 1857 werd nog eens een stoommachine opgesteld voor het aandrijven van 16 poedermolens. Verder bestond het machinepark uit 7 metalen mengtrommels voor het binair mengsel (houtskool en zwavel), 3 lederen mengtrommels voor het ternair mengsel (houtskool, zwavel en salpeter), 2 mechanische korrelziften type Lefévre, 3 hydraulische persen, 4 kleine lisseertonnen en 1 ventilator voor de drogerij. Door het invoeren van de stoommachines zag de poederfabriek van Wetteren het aantal paarden slinken van 68 paarden tot een 20-tal. Deze paarden waren nog noodzakelijk voor de inwendige dienst en het vervoer. In het bedrijf werkten op dat moment om en bij de 250 werknemers.

De boekhouding van 1867 vermeldt een plotse stijging van de winsten. Dit kan toegeschreven worden aan de oorlog die Pruisen voerde tegen Oostenrijk. In 1872 werden nog 6 molens, 2 hydraulische persen en 2 stoommachines aan de installatie toegevoegd. Dit bracht het aantal molens op 22 en het aantal hydraulische persen op 5.

In 1879 overleed Constant Van Cromphaut. Hij werd opgevolgd door zijn schoonzoon Charles Libbrecht, die aan de Universiteit Gent een ingenieursdiploma had behaald. Onder zijn beleid verwierf de buskruitfabriek nog meer bekendheid in het buitenland. In 1881 ontwierp Libbrecht een speciaal kruit (poudre prismatique brune) dat zeer gegeerd was  door de artillerie in binnen- en buitenland. Libbrecht had de productie van het zwarte kruit op een onovertroffen peil gebracht en Cooppal verwierf hierdoor wereldfaam. In datzelfde jaar werd de maatschappij Cooppal omgevormd tot een naamloze vennootschap. In 1880 werd ook een werkhuis opgericht voor de productie van jachtpatronen. Twee jaar later werd de Schelde rechtgetrokken met als gevolg dat de los- en laadkade op ca. 300 m. van de fabriek kwamen te liggen. Om hieraan te verhelpen werd een spoor aangelegd.

Ondertussen had men in 1880 een rampzalige ontploffing te betreuren: 35 ton buskruit ging de lucht in. Er vielen 10 slachtoffers en 13 werkplaatsen werden totaal vernield. Deze catastrofe was aanleiding tot grondige wijzigingen in de structuur en de uitbouw van de fabriek. Er werd besloten een deel van de productie over te brengen naar een nieuwe vestiging, teneinde de productiegebouwen en werklieden te spreiden over een grotere oppervlakte. Brandoverslag zou zo worden beperkt. Voor de inplanting viel de keuze op Kaulille (Limburg). Een terrein van 179 ha. werd aangekocht. De eerste bouwwerken vingen aan in 1882 en reeds in juni 1883 werd er gewerkt. De constructie en het bestuur van de nieuwe fabriek werden in handen gegeven van ingenieur Georges Van Vyve.

In 1886 ontdekte de Franse ingenieur Vieille het rookzwak kruit. Dit bracht een ware revolutie teweeg in de springstoffennijverheid en zou stilaan het buskruit verdringen. Cooppal speelde in op de nieuwe ontwikkelingen en het bedrijf kende een grote herstructurering. De proeven voor het vervaardigen van rookzwak kruit startten in Kaulille en weldra was Cooppal de enige buiten Frankrijk om rookzwak kruit te produceren. Het succes deed Cooppal er toe besluiten in 1898 te Wetteren een etherfabriek op te richten aan de overzijde van de straat. Ether is namelijk een oplosmiddel dat voorkomt bij het fabriceren van rookzwak kruit, maar ook bij het fabriceren van kunstmatige zijde, fotoplaten en films enz.

Na de Eerste Wereldoorlog werd de buskruit-productie stelselmatig verdrongen door nieuwe springstoffen. Laboratoriumonderzoek binnen het eigen bedrijf en nieuwe investeringen lieten toe andere chemische stoffen aan te maken en over te schakelen naar nieuwe scheikundige bewerkingen en procédés (zoals het verwerken van harsen). Na herstel van de oorlogsschade van 1944 werd de industriële omschakeling en diversificatie van het bedrijf verder gezet. In 1966 sloot de Koninklijke Buskruitfabriek van Cooppal. Na fusie van de afdeling Cooppal-Chemie werd n.v. PRB de nieuwe firmanaam. In de periode nadien ging de snelle evolutie van het scheikundig bedrijf gepaard met opeenvolgende nieuwe firmanamen: nv. Eurofaom, Recticel en n.v. Omnichem. Dit werd ondertussen opgenomen in de Japanse chemische groep Ajinomoto. De gebouwen van de buskruitfabriek werden gesloopt en sinds 1971 is de oude industriële site grotendeels door nieuwe bedrijfsgebouwen ingenomen. De fabrieks-directeurswoning uit 1869-'70 in de Cooppallaan 91 en het bijbehorend kasteelpark bestaan nog en werden op 03.06.2005 beschermd als monument.

Literatuur

Cooppal & Co. Poudrerie Royale de Wetteren, s.d.
Notice historique sur la Poudrerie Royale de Wetteren Cooppal & cie, Brussel, 1939.
J. CLINCKSPOOR Wetteren (Massemen - Westrem - Wetteren), Waterlopen en wegen, Wetteren, 1990, p. 47
P. DE JONG, De industriële ontwikkeling van het arr. Dendermonde van 1764 tot 1880 (onuitgegeven licentiaats-verhandeling Universiteit Gent, 1979-1980).
D. DE MOL, Wetteriana 1882-1982, Wetteren, 1986, p.269-272.
F. DE POTTER & J. BROECKAERT, Geschiedenis van de gemeenten der provincie Oost-Vlaanderen. Vierde reeks - arrondissement Dendermonde. 47ste deel. Wetteren, Gent, 1891, p. 60-66.
J. HERLANT De Fonderie Royale de Canons en de Poudrerie Royale de Wetteren, twee sleutelbedrijven voor de uitrusting van de Belgische artillerie tussen 1830 en 1870: een archeo-technologische analyse, onuitgegeven licentiaatsverhandeling Katholieke Universiteit Leuven, 2001-2002.
H. JOOS, Geschiedkundige nota's bij het 200-jarig jubileum van de Koninklijke buskruitfabriek Cooppal & C° Wetteren 1778-1978, Wetteren, 1978.
R. UYTTENDAELE, J. CLINCKSPOOR & D. DE MOL, Wetteren fotoarchief 1860 - 1962, Wetteren, 1985, p. 202-209.
A. VAN DURME, "Rampen in Wetteren, De buskruitfabriek", Tijdschrift voor Heemkunde en Geschiedenis, Wetteren. Heem- en geschiedkundige kring Jan Broeckaert, XIV,1, 1967, p. 2-8.
B. VAN DER HERTEN, M. ORIS & J. ROEGIERS, Nijver België. Het industriële landschap omstreeks 1850, Antwerpen-Brussel, 1995, p. 285-299.
J. VERACHTERT, Een blik op de buskruitindustrie in de Lage Landen. Het buskruitbedrijf van Maximiliaan en Jacques Blommaert (1738-1798). Gent, 2002, 185 p. Scriptie voorgelegd aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte, voor het behalen van de graad van Licentiaat in de Geschiedenis. Academiejaar 2001-2002. Universiteit Gent. Promotor:  Prof. Dr. C. Vandenbroeke.
John VERPAALEN, "Over molens, salpeter, zwavel en houtskool", in: De Belgische Molenaar & Levende Molens, oktober 1984.
P. WEZENBEEK, E. DHONT, Museumgids Provincaal Domein Puyenbroeck. Molenmuseum, Gent, 1988.
J. WOUTERS, "Cooppal, Papeleu en Beernaerts te Wetteren", Geschied- en Oudheidkundige Kring Dendermonde, 3° reeks, deel IV, 1953, p. 85-87.


Laatst bijgewerkt: zondag 28 februari 2016
Stuur uw teksten over deze molen Stuur een (nieuwe) foto van deze molen  

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in databasezoek op provincieStuur een e-mail over molen <?=$naam?>, <?=$plaats?>homevorige paginaNaar Verdwenen Molens