Molenzorg
Hoogstraten, Antwerpen
<p>Laermolen</p>
Foto: Ton Slings, Heerlen, 19.05.2013
Naam

Laermolen

Ligging Molenstraat
2320 Hoogstraten

51° 24' 37.41" N  4° 46' 18.77" E
kadasterperceel C65 (schorsmolen), C66 (oliemolen)
op de Mark


toon op kaart
Geo positie 51.176483, 4.301558
Eigenaar Stad Hoogstraten, erfpachter: VZW De Laermolen
Gebouwd voor 1380 / 17de eeuw
Type Onderslag watermolen
Functie Oliemolen
Kenmerken bakstenen gebouw met balkwerk, wolfsdak
Gevlucht/Rad Houten onderslagrad
Inrichting Olieslagerij met kollegang en slagbank
Toestand Kan olie slaan
Bescherming M: monument,
13.02.1998
Molenaar Dimitri Van Pelt, Kees Strijbos, Jan Hoppenbrouwers
Openingstijden Elke tweede en vierde zondag van de maand en op de dinsdagavond na deze zondagen. Informatie: info@laermolen.be
Internet bron

Laermolen

Beschrijving / geschiedenis

De Laermolen is een oliewatermolen in de Molenstraat op de Mark. Vroeger was het een dubbelmolen: de de oliemolen op de rechteroever, de schorsmolen (eerder korenmolen) op de linkeroever.

Van de molens van Hoogstraten werd melding gemaakt in twee oorkonden van Jan IV van Kuik, heer van Hoogstraten. In de eerste oorkonde van 31.01.1380 (in nieuwe stijl 1381) beloofde hij zijn molens in het land van Hoogstraten goed te onderhouden en afzonderlijk te verpachten. Blijkbaar had een molenaar, die twee of drie van deze molens pachtte, van zijn monopolie misbruik gemaakt door de inwoners uit de streek af te persen. Jan IV van Kuik vermeldde echter niet welke die molens waren. Op 28 december 1391 herhaalde hij dezelfde belofte en voegde erbij dat hij daarmee zijn watermolens te Ibbrugge (aan de Zeeman, te Minderhout) en te Laren (nabij de Laarhoeve) en zijn windmolen te Hoogstraten bedoelde. Op 9 februari 1405 (n.s. 1406) hernieuwde hij nogmaals dezelfde belofte, naar het voorbeeld van zijn vader en grootvader. Hoogstraten was dus wel zeer begunstigd om in zijn behoeften aan meel en olie of smout voor de voeding en aan gruit voor de bierbrouwerijen te voorzien.

Al deze molens behoorden van in de middeleeuwen tot in de 19de eeuw toe aan de heer, de graaf of de hertog van Hoogstraten. Zij waren dwang- of banmolens, waar al hun onderdanen hun graan moesten laten malen. Zelf mochten de inwoners geen handmolens bezitten.

De watermolen van Laren was oorspronkelijk slechts tot graanmolen ingericht. Later werd hij tot slag- of oliemolen bestemd. In 1406 beloofde Jan van Kuik hem binnen de twee jaar opnieuw tot graanmolen  om te vormen. Deze eenzijdige bestemming voldeed echter niet aan ieders behoeften. Daarom werd de molen verdubbeld. Op de ene oever van de Mark stond de graanmolen, op de andere oever de oliemolen, die ook gebezigd werd tot het malen van eikenschors voor de talrijke lerlooierijen. In die dubbele hoedanigheid bleef hij eeuwenlang bestaan.

Dat de slagmolen al in 1468 bestond, blijkt uit een schepenakte. Op 1 januari van dat jaar verzocht Jan van Thienen, pachter van de Laermolen, om uitstel. Hij was door de rentmeester van heer Frank van Borselen voor de Raad van Brabant gedagvaard in een zaak over de molen. Dat uitstel werd hem tot 25 januari verleend, maar ondertussen mocht hij geen olie slaan, tenzij voor eigen gebruik.

Op 25 november 1518, feestdag van Ste-Katharina (patrones van Hoogstraten) werd te Brussel messire Antoon de Lalaing met grote luister tot graaf van Hoogstraten gekroond. Net op die dag werd de Laarmolen op de schepenbank van Hoogstraten, met rentmeester Lavrijs de Proest, voor drie jaar verhuurd. De pacht zou ingaan op kerstadag 1518 op de middag. Zij  bedroeg voor het eerste jaar in natura 34 zester rogge en voor de twee volgende jaren 35 zester. Bovendien moest de pachter jaarlijks 12 pond was en 8 pond kruid, half peper en half gember, en 1000 palingen leveren en elk jaar ook 5 gouden rijders (goudstuk met afbeelding van een ruiter) betalen. Deze pachtprijs was heel wat geringer dan die van de watermoolen van Ybbrugge en de windmolen van Hoogstraten.

Pachter werd alsdan Wouter Verbuten, die zijn broers Hendrik en Cornelis tot borg aanstelde.

Zijn opvolger in de driejaarlijkse termijn van 1530-1533 en misschien al in de vormige termijn was Jan Boecmans. Zijn korenpacht bedroeg jaarlijks 146 veertel of 36 1/2 zester. Zij mocht alsdan evenals de pacht in was, kruid en paling, in geld betaald worden.

Op 10 november 1533 werd de watermolen ingemijnd door Jan Ruelens voor 33 zester rogge. Uit naam van Jan Thomas Blanckaerts bood molenaar Peeter Lenaerts nog één zester meer en bleef pachter. Lenaert, de zoon van Peeter Lenaerts, en Bastiaen Vlaendermans werden als borg aangesteld.

Op 8 november 1536 werd de Laermolen door de rentmeester Lucas van Achtenryt opnieuw verpacht, ditmaal aan Wilbort Toenis tegen 38 zester rogge, 4 gouden gulden rantsoengeld, 12 pond was, 8 pond kruid, half peper, half gember, 1000 palingen en 12 karolusgulden. Voor hem bleven borg Cornelis Lenaerts, Cornelis Mathys Steylkens, Jacob van den Elsacker Geertssoene en Aert Pidt.

Op 17 mei 1538 liet Wilbort Toenis zijn pacht over aan Peeter Speecx. Voor hem bleven borg: Roeland van den Bossche, mr. Geert de Timmerman en Wouter van Merlo.

Op 6 december 1542 werd de Laermolen gehuurd door Adriaen van Riemen en Peeter Bastijns voor 37 zester rogge, 7 pond was, 4 pond peper, 4 pond gember, 1000 palingen en 12 karolusgulden. Borg bleven alsdan: Augustijn van Tienen en Jan Bastijns.

Volgens een rekening van rentmeester Willem Sprute had de Laermolen tot in 1564 enige jaren gediend om schors te malen. In dat jaar werd hij heringericht om rogge en graan te malen, zoals vroeger. Mathys Adriaens pachtte hem alsdan voor drie jaar, ingaande op Kerstmis 1564 tegen 39 zesteren rogge, 12 pond was, 4 pond peper, vier pond gember, 1000 palingen, in vier termijnen te betalen. Deze pacht in natura mocht in geld verdingd of gekweten worden, samen met 4 gouden gulden voor rantsoengeld.

In 1567, toen de tijden nog rustig waren, wilde rentmeester Willem Sprute aan de Laermolen merkelijke verbeteringen laten aanbrengen door op de Leisloot achter Larenheiken een sluis te zetten. Daartoe sloot hij twee overenkomsten: op 25 oktober met Jacob Michiels en Marcus Jacobs, van Minderhout. Zij stonden toe de sluis op te trekken tussen hun eigendom en de Laermolen, die toebehoorde aan de graaf en zij betaalden acht stuivers in de onkosten. Op 1 november kwam de rentmeester ook overeen met Jan Ghysbrechts Aerts en Pieter Waechmans, dekens van de gilde van Sint-Crispijn. Deze sluis bleef bestaan tot rond 1914.

Nadat Antoon de Lalaing, de derde graaf van Hoogstraten, in opstand gekomen was tegen koning Filips II, werden op 28 mei 1568 al zijn goederen, zijn kasteel, zijn molens, zijn hoeven en landerijen verbeurd verklaard ten bate van de Spaanse koning. Vooortaan moesten alle huren aan de Spaanse gouverneur in geld gekweten worden. Zo diende er van december 1569 af door de niet bij naam vermelde pachter van de Larenmolen 234 pond betaald.

In 1569 berekende ingenieur Rammol dat er aan de Laermolen voor 102 pond en 2 schellingen kosten dienden gedaan. Er moest o.a. te Dordrecht een molensteen aangekocht worden, die 80 pond zou kosten.

Na het sluiten van Pacificatie van Gent, op 8 november 1576, werd graaf Willem de Lalaing in het bezit van zijn voorvaderlijke goederen hersteld en uit naam van zijn moeder-voogdes kon zijn rentmeester, Goris Wachmans, tegen Bamis 1578 de watermolen van Laren als oliemolen opnieuw verpachten aan Mathijs Adriaensen tegen 269 pond 16 stuiver, te betalen in vier termijnen.

De Laermolen werd in 1576 door de geuzen afgestookt en bleef 35 jaar in puin liggen. Het was eerst in 1613, tijdens het Twaalfjarig Bestand, dat aan een heropbouw kon gedacht worden. Rentmeester Niklaas Blyens stelde de graaf voor de keuze: ofwel een molenaar de molen laten herbouwen met timmerhout van het kasteel en hem gedurende enkele tijd kosteloos de molen laten gebruiken, ofwel zelf de molen heropbouwen en hem verhuren zoals de andere molens.

Dit laatste voorstel kreeg blijkbaar de voorkeur, maar het viel graaf Karel de Lalaing niet mee! Reeds in 1620 moest hij drie deskundigen doen vaststellen dat de herstelling veel te wensen overliet: de muur van het gebouw was nu doorgespoeld door het geweld van het water, de legbalk was aan zijn uiteinde door verrrotting bedorven, enz. Laureys van Dongen, een 70-jarige timmerman, was daarover niet verwonderd, want 14 jaar tevoren had hij die balk op de muur gelegd en toen was hij reeds aangetast!

Ook de brug over de Mark aan de Laermolen was bijna onbruikbaar gewordenn en de boeren van Wortel durfden met hun kar bijna niet meer erover naar de windmolen te rijden. Zij moesten dan een omweg maken door de Vrijheid. Daarom vroeg de pachter van deze laatste molen korting van zijn pachtgeld. Bovendien zouden in de winter de beemden van de graaf zeker overstromen.

In 1619 woonde een zekere Hendrik, olieslager, en zijn vrouw Mayken op Laermolen. Hun dochtertje Maria werd op 9 april 1619 te Minderhout gedoopt.

De Vrijheid verleende op 5 februari 1635 de molenpachter voor acht jaar gedeeltelijk kwijtschelding van zijn personele en reële lasten, wegens de slechte economische toestand.

Peeter Amans, geboren te Meerle, woonde in 1650 op de oliemolen aan het Laeren. Hij verkreeg in dat jaar poortersrecht.

Van de Laermolen bleef een kadasterplan op perkament (zonder legende) bewaard uit 1716 in het Vorstelijk Archief van Salm-Salm te Anholt (D).

Van 1723 tot 1730 was hij als graan- en schorsmolen verpacht aan Adriaen Laureyssen tegen 158 gulden en 4 kapuinen per jaar. In 1730 werd hij aan dezelfde molenaar verhuurd tegen 140 gulden. Deze was afkomstig uit Baarle en hij trouwde met Joanna Ghijsbrecths Verbaeten uit Rijsbergen, die hem te Minderhout vijf dochters schonk: Aldegundis, gedoopt op 27 oktober 1754; Joanna Maria, gedoopt op 28 augustus 1756; Petronella, gedoopt op 9 september 1758; Rosalia, gedoopt op 4 mei 1760 en Maria Anna, gedoopt op 24 juli 1761.

Van 1750 tot 1759 woonde Mathijs Vochten op de Laermolen. Aangezien de rentmeester van de hertog achter stond met de betaling van de gemeentelasten tot in 1749 voor een bedrag van 2255 gulden, legden de schout, de burgemeester en de schepenen op 6 november 1760 beslag op de pachthuren van de twee Hoogstraatse molenaars, nl. die van de wind- en die van de watermolen.

Zo werd Mathijs Vochten, die toen de watermolen al verlaten had, ingevolge een vergelijk dat reeds op 22 december 1757 tussen de hertog en de Vrijheid gesloten was, gemaand om voor zijn deel 67 gulden 7 stuivers te betalen. Dit bedrag is veel geringer dan hetgene de opeenvolgende pachters van de windmolen moesten betalen. We kunnen eruit afleiden dat Mathijs Vochten niet langer dan een termijn van negen jaar op de watermolen gewoond heeft.

Toen Mathijs Vochten op 27 december 1750 de molen betrok, werd - zoals gebruikelijk - door Jasper van Waterloo, molenmaker te Wortel, als deskundige, een inventaris van het binnenwerk van de watermolen opgemaakt. Het houtwerk werd geschat op 297 gulden en het ijzerwerk op 264 gulden. Ook de stenen van de schorsmolen werden gemeten: de loper was 16 duim en de ligger 7 1/2 duim dik. Hun waarde werd berekend op 16 gulden per duim.

Toen hij op 27 decmeber 1759 de molen verliet, maakten Jasper Van Waterloo en Geraert Boorsten, molenmaker te Wortel, een nieuwe schatting van het binnenwerk. Op de oliemolen werd het houtwerk geschat op 238 gulden of 59 gulden voor de sleet. Deze som moest aan de nieuwe pachter, weduwe Adriaen de Roy, vergoed worden. Voor de sleet aan de molenstenen moest er 38 gulden opgelegd worden. Voor de sleet aan de schorsmolen moest Adriaan Mathijs 4 gulden betalen.

De nieuwe pachteres viel in grote kosten en ze moest op 1 oktober 1759 aan Abraham Mertens, smid te Oosterhout, 250 gulden 10 stuivers betalen voor de vernieuwing van het staakijzer en allerlei reparaties.

Wanneer de weduwe A. de Roy in 1765 de molen verliet, werd het molenwerk in zijn geheel, op order van Dingeman Schets, door Peter Verheyen, smid te Hoogstraten, in zijn geheel geschat op 344 gulden en in 1767 op 345 gulden. D. Schets betrok niet zelf de molen, maar liet hem zes jaar bemalen door Jan Schrooyers.

Op 26 december 1771 maakte smid Peter Verheyen andermaal de prijzij van heel het ijzerwerk op en bepaalde de waarde ervan op 358 gulden 10 stuivers, daarin begrepen de oliemolen, de schorsmolen, de pelmolen en de rijnmolen, zonder omstandige beschrijving. Bovendien schatten de vermelde molenmakers Van Waterloo en Boorsten het houtwerk enz. op 679 gulden 10 stuivers. De totale waarde van het molenwerk bedroeg dus 1037 gulden 10 stuivers. Bovendien werd er nog 2 gulden 7 stuivers in rekening gebracht voor een ijzeren band om de steen van de schorsmolen. Er moet in die tijd wel grote verbetering of uitbreiding aan de installatie van de Laermolen aangebracht zijn. Wellicht beleefde de watermolen toen zijn hoogste bloei.

Op 27 september 1771 huurde Jan Schrooyers de windmolen van Rijkevorsel en Antoon Smits huurde terzelfdertijd de windmolen van Hoogstraten en de watermolen van Laren. Wie J.B. Mertens was, die voor  hem deze laatste molen betaalde, en de reden van die betaling staan niet vermeld.

In de zomer van 1774 dienden er aan de watermolen herstellingswerken uitgevoerd. Raadsheer Brosy liet aan de rentmeester-generaal weten dat hij wel beschikte over dennenbomen, waarvan hij planken kon laten zagen, maar dat hij ook grijne planken nodig had. Die moesten, als naar gewoonte, te Breda gehaald worden ofwel meegebracht uit Antwerpen met de wagens, die er kolen gingen halen. Het profijt van de jonge prins Constantijn zou daarbij in het oog gehouden worden.

Tevens deelde Brosy mee dat er op de oliemolen enikele dagen te voren bijna een ongeluk gebeurd was. De schofdeur van de sluis kon de molen niet tegenhouden: daardoor begon het wiel zo snel te draaien dat het zou heet gelopen zijn, indien men er niet in geslaagd was geweest de sluis te herstellen. Bijgevolg was hij van mening dat er twee nieuwe schofdeuren moesten gemaakt worden.

Antoon Smits overleed alvorens zijn pachtttijd verstreken was en zijn weduwe hield de molen aan met een stuk land van negen lopenzaad.

Op 11 februari 1778 werd de watermoen ten overstaan van twee schepenen bij afbod vanaf 600 gulden voor 220 gulden en 8 hogen ingemijnd door Petrus Campers uit Beerse. Deze schijnt al van vier jar te voren op de Laermolen gewoond te hebben, wellicht als maaldersgast bij de weduwe Smits. Hij was toen gehuwd met Maria Josepha Van der Mueren uit Hoogstraten. Op 9 november 1774 werd, volgens het geboorteregister van Minderhout, Cornelia Maria Campers op de oliemolen geboren. Haar moeder overleed echter dire maanden later en werd op 5 feburari 1775 te Minderhout begraven.
Petrus Campers hertrouwde dan met Maria Catharina Tillemans, uit het Naamse, de dochter van een Hollandse soldaat, die hem de volgende kinderen schonk: Petrus, gedoopt op 8 november 1775; Joanna Maria, gedoopt op 3 februari 1777, overleden op 4 mei 1777; Guilielmus, gedoopt op 4 juni 1778; Lucia, gedoopt op 25 september 1779.

Petrus Campers overleed zelf op 45-jarige leeftijd, daags na de geboorte van zijn jongste kind. Zijn 31-jarige weduwe bleef op de oliemolen wonen en werd ondertussen geholpen door haar schoonbroer Jacobus Campers, eveneens geboren te Beerse. Op 15 mei 1781 trouwde hij als 36-jarige olieslager in de parochie Minderhout, waar hij bij zijn schoonzus inwoonde, met Elisabeth Doms, geboren en wonende te Minderhout, weduwe van Corneel Van Gestel. Vier maand tevoren (op 15 januari 1781) was hij getuige geweest bij het huwelijk van zijn schoonzus M.C. Tillemans met de 37-jarige ongehuwde Petrus Verhesen, geboren te Sint-Antonius-Brecht, wonende te Hoogstraten.

De oliemolen had in 1834 een kadastraal inkomen van 114 frank (135 m²). Voor de schorsmolen bedroeg dit slechts 76 frank (voor een gelijke 135 m²).

Eigenaars na 1830:
- voor 1834, eigenaar: Salm-Salm Alfredis en consoorten, te Anholt (D).
Deze consoorten:
a) Salm-Salm Guillaume Louis Charles, prince regnant, demeurant au château de Anholt,
b1) la duchesse de Croy Eléonore Wilhelmine Louise, née princesse de Salm-Salm, épouse de Alfred François, duc regnant de Croy, demeurant à Dülmen,
b2) la princesse de Croy Jeanne Wilhelmine Augustine, née princesse de Salm-Salm, épouse du prince Philippe François Renard Victurnen de Croy, major au service du Roi de Prusse à Tempelhof (D), mairie de Düsseldorf,
b3) la princesse douairière du prince George Leopold Maximilien Chretien de Salm-Salm, Rosine, comtesse de Steinberg, demeurant à Anholt (D) comme tutrice de sa fille la princesse Françoise Marie Caroline Jeanne Aloïse de Salm-Salm,
b4) la dame Marie Joséphine Sophie princesse douairière de prince Philippe François de Salm-Salm née princesse de Lövenstein Wertheim, domiciliée à Anholt, demeurant actuellement à Kruizenach (D), comme première tutrice de sa fille Marie Eléonore Crescentia Cathérine de Salm-Salm,
b5) le dit duc regnant Alfred François de Croy, comme tuteur de la dite princesse Françoise Marie Caroline Jeanne Aloïse de Salm-Salm et comme tuteur de la dite princesse Marie Eléonore Crescentia Cathérine de Salm-Salm,
c1) Herman Jean Ignace, comte de Salm-Salm Hoogstraeten, sous la tutelle de Frédéric Luseman, conseiller de justice à Munster,
c2) Rudolf Herman Guillaume, comte de Salm-Salm Hoogstraeten, demeurant à Ahaus,
c3) Albert Frédéric Louis, comte de Salm-Salm Hoogstraeten, référendaire à Munster,
c4) Otton Louis Oswald, comte de Salm-Salm Hoogstraeten, lieutenant au régiment de la garde à cheval au service du Roi de Saxe, demeurant à Dresden (en)
c5) Edouard Auguste Georges, comte de Salm-Salm Hoogstraeten, lieutenant au quatrième régiment de curassiers à Lubin (Polen)
De toenmalige pachter-molenaar was Daniël Van Beckhoven
- 16.08.1845, verkoop: Lievens Joseph Cornelis, onderpastoor te Minderhout (notaris De Kepper)
- 31.12.1868, deling: de Bougne-Van de Velde Josephus Carolus Benedictus, doctor in de rechten te Hoogstraten (notaris De Kepper)
- 20.03.1909, erfenis: de weduwe en de kinderen (overlijden van Josephus de Bougne)
- 11.08.1913, erfenis: de kinderen (overlijden van de weduwe Van de Velde van Josephus de Bougne)

Rond 1860 werd de oliemolen stil gezet, de schorsmolen maalde nog tientallen jaren verder.

In 1913 verkochten de toenmalige eigenaars het stuwrecht, waarna de molengebouwen leeg worden gehaald.

Na de Eerste Wereldoorlog werd het gebouw van de schorsmolen geheel gesloopt en bleven nog enkel het gebouw van de voormalige oliemolen en de sluisvloer over.

Sinds 1995 werd door de vzw De Laermolen geijverd om het molenrestant te restaureren tot een werkklare oliemolen. In 2004 werden de werken voltooid: het molenmakersbedrijf Thomaes uit Beveren-Roeselare stond in voor het molentechnisch gedeelte. De molen werd feestelijk ingehuldigd op 25 april 2004 en kan nu olie slaan met waterkracht.

In 2005 kocht de stad Hoogstraten de molen voor 170.000 euro aan van Jozef Vermeiren, die al op 29 augustus 2000 een erfpacht had gesloten met de vzw De Laermolen die trouwens had ingestaan voor de restauratie van het molengebouw en de reconstructie van de olieslaginstallatie. De stad sloot met de vzw De Laermolen een nieuwe erfpachtovereenkomst voor 99 jaar af. In overleg met Toerisme Hoogstraten wordt de molen minstens tweemaal per maand in werking gesteld en kunnen scholen of groepen toeristen een geleid bezoek aan de molen brengen. De molen is in werking de 2de en 4de zondag van elke maand tussen 14.00 en 16.00 uur en de dinsdagen daaropvolgend van 19.30 tot 21.30 uur. Op de laatste zondag van augustus (Antwerpse provinciale molendag) worden smoutenbollen (bereid met zelf geproduceerde olie) geserveerd.

Lieven DENEWET, Jozef LAUWERYS & Herman HOLEMANS

<p>Laermolen</p>

Het houten waterrad. Foto: Willem Jans

<p>Laermolen</p>

De kollergang. Foto: Frans Van Bruaene, 08.07.2006

<p>Laermolen</p>

Het slagwerk. Foto: Frans Van Bruaene, 08.07.2006

<p>Laermolen</p>

Toestand voor de restauratie. Foto: Erfgoed Hoogstraten vzw

<p>Laermolen</p>

Ingekleurde prentkaart ca. 1900. Verzameling Ons Molenheem

Literatuur

Archieven
Vorstelijk Archief te Anholt, D XIV nr. 5 (kadasterplan van de Laermolen op perkament zonder legende, 1716).

Werken
C.J. Lauryssen, "De molens van het Graafschap en het Hertogdom Hoogstraten", Brecht, Braeckmans, 1934, 199 p., ill. - overgenomen in: De Belgische Molenaar, jg. 47 (1952) - 48 (1953), passim.
Wouter De Maeyer, Charel Verheyen & Jan Verheyen, "De Laarmolen. Het oude en het nieuwe verhaal van een oliemolen aan de waterkant", Hoogstraten, vzw de Laarmolen, 200 p.
J. Verheyen, "Zal er in Hoogstraten weer een waterrad draaien?", in: Natuur- en Stedenschoon, LXVII, 1998, nr. 3, p. 31-33.
J. Lauwerys, "Het Land van Hoogstraten - Molenstudies", in: "Jaarboek van Koninklijke Hoogstratens oudheidkundige kring", nr. 45, 1977, p. 33-46;.
J. Lauwerys, "De watermolen van Laren", in: H.O.K., jg. 45, 1977, p. 90-107.
J. Lauwerys, "De watermolen van Laren", in: Gazet van Hoogstraten, jg. 85, nr. 46 (18 nov. 1977), p. 1, nr. 47 (25 nov. 1977), p. 1; nr. 48 (2 dec. 1977), p. 1; nr. 49 (9 dec. 1977), p. 1; nr. 50 (16 dec.), p. 1.
Jozef Lauwerys, "De watermolen van Hoogstraten", in: De Belgische Molenaar, jg. 47, nr. 12-13 (15 mei 1952).
J. Lauwerys, "Hoogstraten, aloude vrijheid. 3. molenaarsbedrijf", in: H.O.K., jg. 18, 1950, p. 64-66.
"Streekeigen curiosa - De Watermolen", in: "De Hoogstraatse Maand", november 1991.
"Hoogstraten - HOK organiseert watermolendag op 14 september", in: "De Hoogstraatse Maand", september 1996.
"De vergane glorie van de Laarmolen", in: "De Hoogstraatse Maand", januari 1996.
J. Verheyen, "Patrimonium - De vervallen watermolen is vanaf nu een Beschermd Monument", in: "De Hoogstraatse Maand", april 1998.
F. Horsten, "Monument en Tijd - Open Monumentendag Vlaanderen - 10/09/2000", Hoogstraten, 2000;
J. Verheyen, "Erfgoed - De watermolen van Hoogstraten - De herinnering aan het klotsende waterrad (1)", in: "De Hoogstraatse Maand", februari 2000.
"Erfgoed - De watermolen van Hoogstraten - Herinnering aan het klotsende waterrad (2)", in: "De Hoogstraatse Maand", maart 2000.
"De Watermolen van Hoogstraten (3)", in: "De Hoogstraatse Maand", april 2000.
"Patrimonium - Het waterrad zal weer gaan draaien!", in: "De Hoogstraatse Maand", juni 2000.
"Dorpsnieuws - Wat gebeurt er aan de watermolen?", in: "De Hoogstraatse Maand", juli 2000.
"Molens en molenaars - De molens van de graaf", in: "De Hoogstraatse Maand", september 2000.
"Molens en molenaars - Vzw De Laermolen wil opnieuw olie slaan - Restauratie en reconstructie", in: "De Hoogstraatse Maand", september 2000.
J. Verpaalen, "Lezers schrijven - Molens - Geachte redactie", in: "De Hoogstraatse Maand", oktober 2000.
"Archeologie - Opgravingen voor jongeren", in: "De Hoogstraatse Maand", maart 2001.
D. Van Pelt, "Lezers schrijven - Ja, wel degelijk een bezwaartschrift van vzw De Laermolen", in: "De Hoogstraatse Maand", juni 2002.
"Hoogstraten - Eeuwenoude molenliederen in een verfrissend folkjasje - Een begijnhofconcert voor de Laermolen!", in: "De Hoogstraatse Maand", oktober 2002.
"Dorpsleven - Nu ook sant in eigen land - Hoogstraten", in: "De Hoogstraatse Maand" november 2002.
"Omslagverhaal - Restauratieproject "De Laermolen", in: "De Hoogstraatse Maand", maart 2003.
D. Van Pelt, "Monument - Pas op ! Er wordt hard gewerkt aan de Laermolen", in: "De Hoogstraatse Maand", augustus 2003.
"Erfgoed - Stichting Kempens Landschap wil de Laermolen en 15 ha bossen aankopen", in: "De Hoogstraatse Maand", september 2003;.
"Vanuit het stadhuis… Gemeentebestuur kijkt kat uit de boom - Koopt 15 ha bos maar wacht met de Laermolen", in: "De Hoogstraatse Maand", oktober 2003.
"Vanuit het stadhuis… - Donkere wolken boven de Laermolen - Gemeenteraad wil een volwaardige brug bij de watermolen", in: "De Hoogstraatse Maand", december 2003.
H. De Vuyst, "Hout werkt", in: M&L, Monumenten, Landschappen & archeologie, tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Brussel jg. 24, nr. 4, p. 8-21.
De Laermolen vzw, "De afgewerkte Laarmolen van Hoogstraten: inhuldiging en boek", Molenecho's, XXXII, 2004, 2, p. 72.
Lieven Denewet, "Honderd bespookte molens in Vlaanderen. Een verzameling molensagen van de kuststreek tot het Maasland", Molenecho's, XX, 1992, nr. 2-3.
Herman Holemans, "Wind- en watermolens van de provincie Antwerpen. Kadastergegevens 1835-1990. Deel 2. Gemeenten H-O",Opwijk, Studiekring Ons Molenheem,2010, p. 25-27.

Persberichten
KKH, "Gerestaureerde Laermolen opent deuren", in: Het Nieuwsblad, 22.04.2004.
Ronny Van Den Ackerveken, "De Laermolen. Vroeger en nu", Het Nieuwsblad, 17.04.2009.
De Laermolen vzw, "De Laermolen te Hoogstraten wordt een slagvaardige wateroliemolen", Molenecho's, XXXI, 2003, 4, p. 297-304.
"Live @ de molen met Marasquin", Het Nieuwsblad, 07.07.2010.
André Oomen, "Bieren proeven aan de Laermolen", Gazet van Antwerpen, 01.09.2010.
Ivan Van Driessche, "Nieuwjaarsdrink bij de Laermolen", Gazet van Antwerpen, 14.01.2013.
IVDR, "Vlaamse Molendag", Gazet van Antwerpen, 26.04.2013.
Ronny van den Ackerveken, “Stadsbestuur wacht op aanleg vistrap. Molenaar vraagt betere herstelling brugleuning”, Het Nieuwsblad, 03.09.2015.
DVGT, "Leuning aan brug pas in 2017", Het Laatste Nieuws, 04.09.2015.


Laatst bijgewerkt: zaterdag 2 juli 2016
Stuur uw teksten over deze molen Stuur een (nieuwe) foto van deze molen  

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in databasezoek op provincieStuur een e-mail over molen <?=$naam?>, <?=$plaats?>homevorige paginaNaar Verdwenen Molens