Molenzorg
Gierle (Lille), Antwerpen
Naam

In Stormen Sterk

Ligging Molenstraat
2275 Gierle (Lille)

kadasterperceel C706
coördinaten: 51°16'9.31 N 4°51'53.46


toon op kaart
Geo positie 51.273285, 4.867792
Eigenaar vzw Kempens Landschap, in erfpacht aan de gemeente Lille
Gebouwd 1499 / 1614 / 1710 (hout) / 1837 (steen)
Type Stenen grondzeiler
Functie Korenmolen
Kenmerken Tot in 2008 met een potroede
Gevlucht/Rad Binnenroede potroede (Vaags Molenwerken, Aalten, NL, 2013, 26,50 m; voorheen: Pot, NL, nr. 1965, uit 1903, hier gestoken in 1940): 26,3 m; gelaste buitenroede (Peel, 1977): 26,5 m.
Inrichting Twee steenkoppels, haverpletter, koekbreker (Vandevelde & Arras, Lier)
Toestand Maalvaardig
Bescherming M: monument, DSG: dorps- en stadsgezicht,
06.11.1981
Molenaar Gust Smits (Gierle), Jef De Walsche (Wechelderzande), Marc Peeters (Lille), Theo Goos (Lille)
Openingstijden Op afspraak, tel. 014 55 17 56 (Gust Smits, Gierle). Geleide bezoeken: ook via vzw Toerisme Lille, tel. 014 44 82 33
<p>In Stormen Sterk</p>

Foto: Donald Vandenbulcke, Staden, 24.11.2013  

Beschrijving / geschiedenis

Op deze plek bestond al een standaardmolen die in 1499 werd opgericht voor rekening van de heer van Turnhout en op last van Filips de Schone. Het optimmeren werd uitgevoerd door Gijsbrecht Schaluynen en de molenstenen werden gehaald te Dordrecht. De molen draaide voor het eerst op 25 december 1500.

Kerstmis van het jaar ons Heeren 1500 (1). Voor Gierle geen Kerstfeest zoals  andere jaren, want er was die dag iets te beleven geweest waarvan de late  middeleeuwer, in zijn kleine gemeenschap, maar eenmaal getuige kon zijn. 

Na jaren van vragen, aandringen en wachten was het dan zover: die dag werd  voor het eerst 'hun' molen ingemalen. Zij waren hun Heer en Meester Philips  de Schone, Hertog van Bourgondië, dankbaar voor het verleende octrooi. De  middernachtmis had feestelijker geleken dan andere jaren en nu, na de  plechtige hoogmis, stonden de inwoners bijeen rond het gevaarte. Vanaf de  kerk was een processie gekomen om, naar de gebruiken van die tijd, de molen  in te zegenen. Vol devotie was het volk uiteen geweken om hun dorpsherder met een gevolg van vooraanstaanden doorgang te verlenen tot aan de voet van  de molen, waar de ceremonie plaatshad. Onderaan de molentrap stond de  molenaar, zijn muts in de hand, te wachten tot hij na het 'amen' van de pastoor  naar boven kon om de vang (2) op vrij te stellen. Zeer uitzonderlijk was toe- lating verleend om op een kerkelijke feestdag te malen (3). 

Het hele gebeuren moet, tot in detail, geleken hebben op een tafereel zoals de  grote Breugel dat een goede halve eeuw later zou borstelen. Eindelijk was voor de mensen van Gierle de tijd en de verplichting voorbij om met hun  graan tot de molen van Lille te gaan, langs paden waar men of stikte van het  stof of vaststak in de modder (4). Ook al was er, ter verbetering van het  transport, in 1471 een stenen brug over de Haarlebeek gebouwd.

Heel de gemeente had met meer dan een gewone belangstelling de  bedrijvigheid rond de opbouw van de molen gevolgd. Wekenlang was het een  aan- en afrijden geweest van voerlui die de onderdelen en het benodigde hout aansleepten. Men had toegekeken hoe stilaan de molen, beetje bij beetje,  boven het dorp was uitgegroeid. Nooit had het op de bouwwerf aan  belangstelling ontbroken en al die tijd was binnen de gemeenschap de molen het gespreksthema van de dag geweest. Her en der was zelfs het werk erdoor  verwaarloosd want het mansvolk had, mondeling althans, flink deelgenomen  aan het timmerwerk. Het was toch hun molen, of niet soms? 

Maar bij al hun fierheid en vreugde was er, voor de bevolking, toch het  wrange bijsmaakje dat ze de helft van 75 ponden, 19 stuivers, 8 deniers en  221/2 mijten - zijnde de bouwkosten van de molen - te dragen kregen. Daarbij kwam nog de verplichting de molen voor een termijn van 20 jaar, '...offte  alsoo langhe sijnen genaedigben heeren sal gelieven...' in eigen beheer te  houden. Dit kwam neer op een verplichte levering van 31 mudde rogge per  jaar. Bovendien zou de molen malen onder de Turnhoutse banaliteit.  Gysbrecht van Schaluynen had als supervisor de hele operatie in handen  gehad. Hij was telg uit een geslacht van timmerlieden-molenmakers, die generaties lang, in opdracht van de rekenkamer, allerhande grote - ook onderhoudswerken - opgedragen kregen. Bij hem vonden dan ook heel wat mensen  werk als 'onderaannemers'. 

Zo werd het wagenschot geleverd door Claes Avonts; het touwwerk en de  zelen, alles samen een gewicht van 138 pond, kwam van de Herentalse  zeeldraaier Peter. Als smid had Heinrich Tenwairts gezorgd voor het maken van het groot ijzer, de rijn, de hals en de band van de standaard (5) en Gijsken  Mertens vervaardigde 2 paar rosselschijnen (6). Te Dordrecht had men bij  Willem Vander Lynden 2 molenstenen gekocht die per schip tot Breda waren  gebracht van waaruit het vervoer naar Gierle per kar gebeurde. Eens daar  aangekomen, werden ze door Jan Soys maalvaardig gemaakt. Als koren- kuipen werden oude wijnvaten gebruikt, afkomstig uit de kelders van Jan de  Keyser. 

Het overgrote deel van het gebruikte hout kwam uit het 'Grootenhoudt' (7).  Het was de gewoonte dat daar uitgezocht, gekapt en bereid werd wat aan hout  nodig was voor onderhoud en/of restauratie van het Turnhoutse kasteel, de  molens en de openbare gebouwen. Zo lag er altijd, in de Turnhoutse  magazijnen, een molenstandaard, een steenbalk en ander direct bruikbaar  hout in voorraad om, bij elke eventuele (storm)schade die de molens zouden  oplopen, de stilstand tot een minimum te kunnen beperken. Het kan dus niet  anders of alle molens in het land van Turnhout moeten qua uitzicht en  afmetingen haast identiek zijn geweest. Of de eerste molen van Gierle op een  'berg' stond, is niet geweten, al is dat niet uitgesloten omdat heel dikwijls de gemeentenaren, als een soort sport, bereid gevonden werden om de molenberg op te werpen in ruil voor een drinkgelag of een andere tegemoetkoming (8). 

Een eerste eis van de landheer (9) gold het onderhoud en de instandhouding  van de molen, omdat een niet gering deel van zijn globaal inkomen voort- kwam uit het rendement van zijn molen(s). Vandaar ook dat gedurende heel  het Ancien Regime alles in. het werk werd gesteld om de banaliteit, met alle ver- en gebodsbepalingen, strikt te doen naleven. 

De verplichting, opgelegd aan de inwoners van Gierle, om ten minste voor  een periode van 20 jaar de vooropgestelde hoeveelheid graan in te brengen,  maakte de opgave voor hen extra zwaar. Zij zijn er dan ook niet altijd in  gelukt om aan de eis te voldoen, niet uit slechte wil of contestatie - wat hen  zuur zou hebben opgebroken - maar omdat zoveel niet te voorziene invloeden  nadelig inwerkten op hun samenleving. 

Het ging al ernstig mis in 1518. De pest die in de XIVde eeuw, volgens  sommige bronnen, de europese bevolking tot de helft reduceerde, had een  lange nasleep (10). Met tussenpozen stak de ziekte op de meest onverwachte  ogenblikken en plaatsen de kop weer op. Rentmeester Frederick Dergent  noteerde in zijn jaarverslag (1518) dat sinds Pasen van dat jaar de 'pestilentie'  weer erg had huisgehouden. Het leven moet zo goed als stil hebben gestaan. 

Er was geen bier gebrouwen, geen brood gebakken, geen herberg open  gehouden. Van handel was geen sprake geweest, ook al omdat in tijden  wanneer de 'haestighe sieckte' het land geselde, men het liefst uit de besmette  gebieden wegbleef, als het er naartoe gaan dan al niet verboden was. Te tellen  vanaf Sinksen tot Bamis (11) hadden de molens haast geen klandizie meer  gehad. Jan Ruts, die toen molenaar was te Gierle, kreeg als gevolg van de  algemene armoede een deel van zijn pacht terugbetaald. Hij was trouwens niet  de enige, want binnen het Turnhoutse bangebied werd niet minder dan 269  gulden korting toegestaan. 

En de ellende duurde voort. Zowel tijdens de winter 1518-1519 als tijdens de  daaropvolgende zomer bleef de pest zijn tol eisen. Dat een dergelijke situatie  ernstige gevolgen had, is duidelijk. De sterfte, voelbaar in alle gewesten, had  zijn weerslag op de landbouw. Gedurende een aantal jaren bleven een deel  van de akkers braak liggen en de graanopbrengst liep dermate terug dat men  af te rekenen kreeg met een ernstig tekort. 

In 1529 had Wouter Tymermans de molen ingepacht voor 29 sister rogge per  jaar (12). Of dit nog het geval was toen Arnoldt Avonts, in 1532, voor drie  jaar op de molen kwam, blijft een open vraag. Wel werd door de rentmeester  met nadruk vermeld dat de prijs van het rogge van 18 stuivers het veertel (13)  tot 36 stuivers gestegen was. Hij hield rekening met de mogelijkheid van  verdere prijsstijging, aangezien.nog steeds weinig graan op de markt te koop  werd geboden. Ook stelde hij vast dat steeds meer boekweit en gerst te malen werd gebracht om er brood van te bakken. Zelfs gemalen eikels werden door  de bevolking onder het bakmeel gemengd. Het kan niet anders of het verschijnsel heeft een weerslag gehad op de pachtprijs. 

Aan de molenaar werd een mindering, gelijk aan de helft van zijn pachtprijs, toegestaan, vooral ook omdat hij datzelfde jaar getroffen was geworden door een windstilte die negen weken had geduurd. Graangebrek en windstilte  betekende immers dat het inkomen van de mulder sterk terugliep, aangezien  zijn loon enkel bestond uit het molster. Als molsterrecht genoten de  molenaars, binnen de Turnhoutse ban, het 1/24ste deel van het te malen graan. 

Bij een 'stilte van winds'. die langer dan drie dagen aanhield, voorzag het  pachtcontract dat men zijn graan op een watermolen mocht laten malen (14). In dergelijke omstandigheid was het ook toegelaten om het graan, dat al op  een windmolen lag, daar terug weg te halen om het op een watermolen te laten verwerken. De archieven vermelden dat er, in soortgelijke situaties, vanuit Gierle soms tot Testelt bij Diest werd 'gevaeren'. De watermolen van Tielen zal onder dergelijke omstandigheden ook ziin graantje wel hebben meegepikt (15). 

Na Arnoldt Avondts vinden we op de molen Henri Claes. Ook hem werd voor  zijn derde pachtjaar, om niet vermelde reden, een vermindering van huur toegestaan. 

Henrich Schots, die in oktober 1538 met zijn bod van 43 mudde per iaar (16)  pachter werd, volgde Claes op. Onder zijn bewind werden ingrijpende werken aan de molen uitgevoerd, die heel wat nieuwsgierigen zouden lokken. Bij nazicht van de molenbouw was gebleken dat de standaard aan vervanging toe was. Dit spectaculaire gebeuren was zeker niet zonder risico, vandaar de  massale belangstelling. Men wilde het mee beleven hoe eerst de molenkast  langs alle zijden met behulp van lange bomen, zwepen genoemd, stevig werd geschraagd en daarna opgevijzeld om haar vrij te stellen. Het kruiswerk onderaan werd dan weggenomen, waarna midden onder de molen een diepe  kuil werd gegraven waarin men de versleten standaard, nadat hij was vrijgemaakt, kon laten neerdalen. Na verwijdering werd dan de nieuwe langs  dezelfde weg ingebracht en verankerd. Eens men zo ver was, werd de kuil  terug opgevuld, liet men de molen terug neer op zijn nieuw, of gerestaureerde  kruiswerk, en nam men de schoren weg. Het vernieuwen van kruiswerk en standaard was een riskant werk, dat enkel werd uitgevoerd wanneer voor grote  schade en/of totaal verlies van de molen werd gevreesd. De hele operatie had 12 dagen geduurd, 12 dagen van angstige spanning en grote hoop, dat geen stormwind het tonnenzware gevaarte zou komen omwerpen. Maar alles verliep naar wens: de werklui kregen hun extra rantsoen jenever en de molenaar 1  mudde en 3 loopen afslag voor zijn stilstand (17).

In de jaarrekening (1544-1545) vermeldde rentmeester Ambrosius van  Kintschot, dat jasper Schildemans, molenaar te Gierle, vrij werd gesteld van  zijn pacht. Dit ingevolge de brief van 16 november 1545, uitgaande van de rekenkamer en ondertekend J. Wedinx. Welke de reden van die vrijstelling was, werd niet vermeld.

Meteorologisch gezien was de zomer van 1565 een extreme uitzondering. De  maanden juni, juli, augustus en september van dat jaar werden gekenmerkt  door een ongekende 'groote stilte van weder offte wint'. Ongetwiifeld moet dit het geval geweest zijn in een groot deel van onze gewesten, vandaar dat de  molenaars de inwoners maar 'luttel ende seer qualijck en hebben connen gerieven'. De banaliteit verbood de ingezetenen zelf te malen, dus werd andermaal beroep gedaan op de eventuele paraatheid van de watermolen(s), in zoverre dat over een voldoende watervoorraad kon beschikt worden. De lange  windstilte is ongetwijfeld met een periode van droogte samengegaan.

Gevolg: de magistratuur werd verplicht toelating te verlenen tot de invoer van meel, tegengesteld aan de bestaande verordeningen. Dit langdurig, gedwongen doorbreken van de gevestigde regel was misschien mede oorzaak dat stilaan het invoeren van meel toenam; heel dikwijls zelfs zonder toelating. Het zou aanleiding geven tot menig proces en scherpe tegenstellingen tussen de stads- en/of dorpsmagistraten en de 'admodiateur' (18) van de windmolens binnen  het land van Turnhout. Als gevolg van de lange windstilte werd ook nu de molenaar gratie verleend op zijn achterstallige pacht. 

Figuurlijk althans was het het jaar van de 'stilte voor de storm' geweest, want  in 1566 mondde de op de spits gedreven godsdienstige tegenstellingen uit in  de beeldenstorm die ook door onze streek een spoor van vernieling trok (19). Ondanks die troebele tijden bood molenaar Aert Pauwels tot 35 sister  rogge/jaar om de molen te mogen huren. Na hem kwam Jan Wouters, die meende voldoende omzet te krijgen om per jaar 40 sister rogge over te  houden om aan pacht te kunnen voldoen. De duurtijd van Pauwels' en  Wouters' pachttermijn komt uit de rekeningen niet duidelijk naar voor (20).  Een kleine nota wijst erop dat rond die tijd de molen werd 'opgewonden ende  te lootgestelt' omdat hij verzakt was. Omwaaien bij stormweer was in een dergelijke onstabiele toestand niet denkbeeldig. 

Onrust en tegenspoed bleef de Kempen teisteren. De bevolking werd geterroriseerd door benden van diverse pluimage: huurlingen, deserteurs, rovers. Tot overmaat van ramp kwam opnieuw de 'contagieuse sieckte der peste' haar  tol eisen. Geen familie werd gespaard, ook niet die van de molenaar. Vandaar  misschien de daaropvolgende, opvallend snelle wisseling van pachters. 

Adriaen Nuyts, die de plaats van een overleden molder (N.N.) was gaan innemen, kwam helemaal niet aan de kost. Hem werd op zijn pacht een  korting verleend van niet minder dan 92 Carolus gulden. Het was zijn tekort  aan graanlevering, waarmee hij zijn pacht had moeten voldoen, die hier in een  geldelijke tegenwaarde werd uitgedrukt. 

In juni 1570 was eens te meer de pest uitgebroken die in alle hevigheid had  doorgewoed tot maart van het daaropvolgende jaar. Gierle werd vooral  getroffen 'aent kerckbof (21) maer oock in sijne gehugten'. 

Gedwongen door de trieste omstandigheden, besloot de rekenkamer anno 1572 om, voorlopig, de molens opnieuw per jaar te verpachten. Ondanks de  'magere jaren' ging de verpachting, die altijd te Turnhout werd gehouden, gepaard met een maaltijd waaraan niet minder dan 36 personen deelnamen. De  kostprijs van het etentje bedroeg 28 pond 2 stuivers. 

Jan Aerts Corneliss(one) huurde in 1572 de molen voor 34 sister; het  daaropvolgende jaar pachtte Anthonis Wynen voor 38 sister. 

Hun opvolger, Adriaen Jan Dierick, ging het niet voor de wind. Hij bleef met  zijn pacht flink ten achter en hem werd een periode van 2 jaar verleend om  zijn tekort aan te zuiveren. Men oordeelde hier dat niet zozeer de tiidsomstandigheden dan wel een slecht beheer aan de basis lagen van zijn tekortkoming. 

Mogelijks zag de toekomst er in 1576 wat rooskleuriger uit, want men besloot  om voor de molens de pachttijd terug op 3 jaar te brengen. De Gierlemolen  komt nu in handen van Jacob Luyten voor een hoeveelheid van 37 sister  rogge/jaar, maar de man heeft al evenmin geluk. Niet minder dan 300 pond  afslag werd hem in 1579 toegestaan, een bedrag dat procentsgewijs was  uitgesmeerd over de hele duur van zijn pacht. 

De troepen van Burggraaf van Gendt waren met rond de 8.000 paarden en een 'groote menighte voetvolck' in  het dorp komen logeren. Leeggeplunderd en beroofd door het Spaanse  krijgsvolk, dat zelfs de zeilen van zijn molen had meegenomen, moest Jacob  de molen verlaten. Maar nog was de beker bitterheid niet tot de rand gevuld. 

In de zomer van dat jaar werd het dorp opnieuw geteisterd door de pest. Niet  minder dan 350 mensen stierven. Eén van hen was de vrouw van de molenaar. 

Ook voor opvolger Symon G(r)ielens had het lot een verrassing in petto. Beducht voor de soldateske stroperijen, poogde hij graan in veiligheid te  brengen. De vestingstad Antwerpen leek hem daartoe de meest geschikte  plaats, maar onderweg werd de man overvallen door in Herentals gelegerde  troepen, en uitgerekend voor hen wilde hij zijn lading veilig stellen. Waren  het niet de 'Spaensen' die roofden, dan wisten in dit geval de 'Staetsen' hun  kans te benutten (22). Symons'pacht, die 32 sister/jaar bedroeg, werd daarop  gekort met een tegenwaarde van 30 pond, 17 schelling, 6 pence. 

Onder het rentmeesterschap van Augustyn van Lyere zien we dat, voor een  ongekende periode, een oud gebruik opnieuw in de pachtvoorwaarden werd  opgenomen. Buiten zijn huurprijs, die per 1 oktober 1580 voor 3 jaar begon te  lopen, moest Adriaen Aerts ook nog 20 pond 'was' leveren. De levering mocht  gebeuren uit de opbrengst van zijn eigen bijenstal. Was de molenaar echter  geen imker, dan kon hij aan zijn verplichting voldoen tegen betaling. Gerekend aan 4 stuivers per pond (23). Dit 'wasgeldt' goldt als een bijdrage in de  kosten van kaarsen voor kerkelijke broederschappen, enz. (24). Voor slechts  20 sister/jaar was Aerts pachter gebleven, een duidelijk dieptepunt voor wat  de biedingen betrof. Het moet een gevolg geweest zijn van de penibele situatie die onze streken tekende tijdens sommige periodes van de 100-jarige  oorlog. Onder zijn molenaarsschap kreeg de molen een nieuw kruiswerk  aangemeten, wat een stilstand van 9 dagen tot gevolg had. De molen moest  immers, net als bij het vervangen van een standaard, opnieuw worden  geschoord en opgevijzeld. 

Twee jaar later, in 1583, kwam er een eind aan wat we zouden kunnen  noemen de eerste periode in het bestaan van een windmolen binnen Gierle.  Muitende onderdelen van de 'Staetse' troepen, soldaten en huurlingen van  Oranje, zwermden schuimend door de omgeving, verkrachtten Gierle als dorp  en staken er de molen in brand. 

Hoe erg het er, buiten het afstoken van de molen, was aan toegegaan, vond de  rentmeester niet eens het vermelden waard. Het is wachten tot 1591 voordat  één enkele zin van de hand van Anthonis Boudewyns, rentmeester, ons een  vaag idee geeft van hoe zwaar de gemeente getroffen was. Hij schreef:  '...ende waer wel grootel(ijck) van noode dat den selve (molen) wederomme  gemaeckt waer omme die ingesetenen ende gemeynte te gherieven die nu  beghinne weder omme te coomen en haer landt te cultiveeren.' Gierle was zo goed als verlaten geweest! 

Anno 1594. werd aan de rekenkamer toelating gevraagd om de molen te her-bouwen. Om hem te financieren zouden uit het 'Grootenboudt' niet minder  dan 600 eiken worden verkocht. Er werd vooropgesteld dat de molen aan  Zijne Majesteit, Philips II, Koning van Spanje, plus-minus 40 sister rogge/jaar  zou opbrengen, zonder dat de rebellen de helft daarvan zouden genieten (25).  Maar op het voorstel werd voorlopig niet ingegaan.

De nieuwe molen met het spektakel van de bouw liet op zich wachten tot  1614. Het was Hendrick Donckers die als eerste de nieuwe molen pachtte  voor een periode van 5 jaar. jaarlijkse huur: 425 gulden. Sinds enkele jaren was men, en dit voor alle molens binnen het Turnhoutse bangebied, afgestapt  van de gewoonte de molens te verpachten tegen een bepaalde hoeveelheid  graan. De huur zou voortaan te betalen zijn in 'ganghbaere specien'. Samen met het nieuwe gebruik veranderde ook de datum waarop de pachttijd begon te lopen. Waar vroeger het pachtjaar inging op 1 oktober en eindigde op 30  september, veranderde dit met de nieuwe beschikking in 1 januari - 31  december. De duurtijd kon variëren van 1 jaar tot 3 jaar of een veelvoud daarvan.

Met ups en downs bleef de pest verder tussen de inwoners 'zeisen', nu schijnbaar met minder dramatische gevolgen (26). Het leek erop of, in vergelijking met oudere gegevens, de ziekte aan kracht had ingeboet.

Het lijkt erop dat, met de voortgang der jaren, de rentmeesters in hun jaarrekeningen stilaan minder aandacht gingen besteden aan gebeurtenissen en voorvallen die niet direct op de molens waren terug te voeren. Wel bleef men  (soms) vrij gedetailleerd daar waar het onkosten, materiaal en werklui betrof. 

Midden de XVIIde eeuw werd een nieuw artikel aan de pachtvoorwaarden  toegevoegd. Vanaf 1659 werd elke molenaar verplicht zich van eigen maalstenen te voorzien. Tot dan toe waren die altijd 'geleverd' geworden door de  landheer die ze als zijn eigendom bleef beschouwen (27). Desondanks hadden  de molenaars de stenen volledig te betalen onder de vorm van periodieke  afbetalingen. De grootte van dat bedrag was afhankelijk van de sleet die als  gevolg van het malen optrad. Voordat een molensteen op de molen werd  gelegd, ging men de dikte ervan opmeten. Als eenheid hanteerde men de  duim. Om de drie jaar, of wanneer de molen van pachter veranderde, werden  de stenen op hun dikte nagemeten. Men ging dan na hoeveel van de steendikte  door het gebruik verloren was gegaan. Voor de sleet betaalde de molenaar een  vooraf contractueel vastgesteld bedrag. Sleet aan de steen ontstond niet alleen  als gevolg van de wrijving tijdens het malen, ook bij het scherpen (28) ging  een gering deel aan dikte verloren. 

Deze nieuwe gang van zaken is mogelijk een gevolg geweest van de  omstandigheden tijdens de 80-jarige oorlog, toen molenstenen moeilijk te  vinden waren. Diverse rekeningen van rentmeesters, die in opdracht van de landheer voor de aankoop instonden, vermelden gemaakte onkosten tijdens  hun soms dagen durende reis op zoek naar stenen. Door het aankopen geheel  op de molenaar over te dragen, verviel voor de heer de verplichting afslag op  het pachtgeld te moeten toestaan omdat bij gebrek aan stenen de molen kwam  stil te staan. De mulder ging daarom ook trachten van minstens 1 steen in  voorraad te hebben. Vanaf nu zal de afgaande pachter zijn stenen verkopen  aan de opkomende. Al hadden de pachters nu zelf voor hun maalstenen te  zorgen, toch bleef de rentmeester de aankoop ervan voor zich opeisen. 

Persoonlijk profijt zal daaraan niet vreemd geweest zijn.  Voor Gierle was de eerste maalder die met het fenomeen geconfronteerd werd  Adriaen Wyndrix, een ingezetene van Wechelderzande. Die had, met ingang van 1 januari, voor 3 jaar ingepacht voor een bedrag van 675 rinsgulden/jaar. 

Een verwisseling van molenaar noteren we op 1 januari 1663. Voor een  termijn van 3 jaar huurde Dierck Adriaenss(on)e de molen voor een jaarprijs  van 825 gulden. Dit vrij hoge bedrag laat ons vermoeden dat de graanprijs op  dat moment vrij gunstig lag en men op dat vlak een zekere stabiliteit meende in het vooruitzicht te hebben. Daartegenover stond dat hoge graanprijzen tot  op zekere hoogte vrijwel altijd wezen in de richting van een tekort. 

Het was de gewoonte dat om de drie jaar, of wanneer een nieuwe pachter aankwam, de molens door twee gezworen timmerlieden-molenmakers op hun  algemene toestand werden nagekeken. In het geval van Dierick Adriaensse fungeerden daarbij de gebroeders Adriaen en Hendrick Celen. Om de tegen- sprekelijkheid van hun nazicht te garanderen, trad als afgevaardigde voor de  toenmalige landsvrouwe, de weduwe van Oranje, Adriaen Celen op; terwijl  zijn broer Hendrick voor de belangen van de molenaar instond. Zij stelden  vast dat qua algemene toestand en ondanks het nodige onderhoud de molen  voor een bedrag van 23 gulden aan waarde had ingeboet. In geval van  ‘verergering’ zoals dat werd genoemd, had de afgaande pachter, in dit geval

Adriaen Wyndrix, het bedrag te voldoen aan de eigenaar. Het  tegenovergestelde kon ook voorkomen. Had bijvoorbeeld een molenaar op  eigen kosten ingrijpende werken laten uitvoeren waardoor de molen  verbeterde en in waarde toenam, dan kreeg hij het verschil - de  waardevermeerdering dus - terugbetaald door de nieuw aankomende pachter, en niet zoals men zou mogen verwachten, door de eigenaar (29). Te noteren valt dat in het pachtcontract, ongeacht of de molen in waarde steeg of daalde,  een clausule was opgenomen die bepaalde dat elke molenaar, per jaar, een  vast bedrag van 25 gulden te betalen had voor onderhoud en reparatie van de  staande werken. Een dubbelzinnigheid die - bij schadegevallen - dikwijls  aanleiding heeft gegeven tot felle disputen tussen de mulders en de  rekenkamer. 

Met het aantreden van Jan Cornelis van Eesendael als molenaar, brak vanaf  1666 een periode aan waarbinnen de molen om de drie jaar van huurder  wisselde. Was Jan Cornleis met zijn bod van 631 gulden/jaar pachter  gebleven, dan komt de molen in 1669 voor een bedrag van 460 gulden/jaar  toe aan Jan Kiebooms, die hem in 1672 aan Adriaen Dils moet laten voor 640  gulden/jaar. 

Jan Poels (30) schijnt, in de range rij van molenaars, de eerste geweest te zijn  die de Gierlemolen voor een tijd van 12 jaar in handen wist te houden (31).  Hij had ingepacht met ingang van 1 januari 1675 voor de prijs van 605 gulden/jaar. Voor zijn laatste termijn afliep (31 december 1686), wist hij zich  op de herverpachtingen nog driemaal financieel de sterkste te tonen. Deze  man kwam op een pikante manier in het nieuws, door een affaire waarvan hij  voorzeker heeft wakker gelegen.
Als 'maerte' werkte bij Jan Poels ene Maria Eyckens. Ergens in de herfst,  oktober of begin november van het jaar 1684, hadden die twee een  onenigheid waarvan de reden in het gevonden verslag niet duidelijk uit de  verf komt. In haar verklaring zegde Eyckens dat de molenaar ‘haar,sonder redenen ende met grammoedighe woorden heeft bespronghen’- Dat hii haar  nadien was blijven aanstoten waardoor ze in een 'siedende heete koyketel staende op den heirt' was terechtgekomen. Daardoor was ze verbrand geworden, 'haer geheel lijff lanck', met een range bedlegerigheid tot gevolg.  Poels daarentegen beweerde dat zij erin was gevallen, hii vond de aanklacht  niet 'gefundeert' en zegde de gevraagde schadevergoeding niet te zullen betalen (32). Het is tot een proces gekomen, maar helaas, zoals het zo  dikwijls gebeurt, zijn de documenten met betrekking tot het verloop en de  uitspraak van het geding schijnbaar verloren gegaan. Misschien is in dit  gebeuren de oorzaak te zoeken waarom Jan Poels geen vijfde maal inpachtte,  maar uit Gierle verdween. 

Na hem was het Constant Meulemaeckers die met ingang van 1 januari 1687,  voor een prijs van 615 gulden/jaar, de molen voor een eerste termijn kwam  bemalen. Naar zijn vader gekerstend werd Constant in diverse akten 'de  ionghe' genoemd. Hij was waarschijnlijk afkomstig van Wortel, waar zijn  vader ingezetene was. Zijn vrouw, Elisabeth Mertens, schonk hem 10  kinderen. Het echtpaar ging geen gunstige periode tegemoet. In het begin van  zijn tweede termijn - de man bleef 12 jaar in Gierle - kwam het tot een oorlog tussen de geallieerden en de legers van de Franse koning, Lodewijk XIV (33). 

De gevolgen lieten niet op zich wachten. Troepen van beide partijen zouden al  snel het platteland terroriseren, plunderen en brandschatten. Ook de Kempen  viel ten offer aan hun vrijbuiterij. Er ontstond al spoedig een tekort aan  granen, wat een ernstige prijsstijging en een terugval van het gemaal tot  gevolg had. Door de omstandigheden gedwongen, moest Philips 11, Koning  van Spanje, toestaan dat meel in het bangebied Turnhout werd ingevoerd. Dit  besluit zou het banrecht dermate ondermijnen dat het nooit meer helemaal in  de plooi viel.

Het is niet onvoorstelbaar dat, als gevoig van die benarde omstandigheden en  een achteruitgang van het molenaarsinkomen, er bij de eventuele kandidaat- pachters weinig belangstelling bestond, waardoor Meulemaeckers al die tijd  zijn molen tegen pen comfortabele prijs heeft kunnen behouden. Zowel voor  1697 als 1698 werd hem telkens een bedrag geliik aan 3 maanden huur  terugbetaald (34). Hij heeft wel even mocten wachten op dat geld, want tegen  de tijd dat het hem werd uitbetaald, maalde hii al niet meer in Gierle, maar was, met zijn vader als borg, overgestapt op de molen van Lille (35). 

Tijdens het laatste jaar van Meulemaeckers pacht (1698), had Anthoni  Peeters, meester-molenmaker, het stormeind (36) van de molen opnieuw  schubsgewijze beplankt. Het daartoe benodigde hout was door Cornelis Loycx vanuit het 'Grootenhoudt' aangevoerd. Bovendien had de molenaar zelf voor  28 gulden verbeteringswerken laten uirvoeren. Ondanks de gedane kosten  meende de visitator, Anthoni Peeters, in opdracht van de eigenaar en Adriaen  Corstiaensen als sprekende voor de pachter, toch een verslechtering van de molensituatie te moeten constateren. Het kostte de molenaar 26 gulden. Jasper  Storms kreeg opdracht de zaken in orde te stellen. Samen met de herstel- lingswerken gaf hij het 'molenhuyscken' een opknapbeurt en ontving daarvoor,  als loon, de som van 28 gulden en 12 stuivers, materiaal inbegrepen. 

Op de verpachting van december 1698 bleek Nicolaes Clopmans met een bod  van 825 gulden/jaar als nieuwe huurder van de Gierlemolen uit de bus te  komen. Het kan er best eens lustig aan toe gegaan zijn, die bepaalde dag. De  rentmeester had besloten de kandidaat-pachters op een drinkgelag te onthalen,  '...om deselve beter te doen bieden', zo noteerde hij later in zijn jaarrekening. Het grapje ging door bij Peter van Walderen, waard in de warandeherberg achter het kasteel van Turnhout, en kostte de rentmeester Frans Pauly de  ronde som van 10 gulden. 

Die Nicolaes Clopmans had een niet onbesproken verleden. In 1672, toen hij  als knecht werkzaam was op de watermolen van Tielen, werd hij ervan verdacht deelgenomen te hebben aan plundering en roof op de persoon van Mundeleers, een inwoner van Herentals (37). Eens te meer een zaak waarvan de afloop in het duister blijft. Op 1 januari 1702 draagt Clopmans de molen over aan Jan Engelen, terwijl hijzelf de molen van Lille in pacht neemt voor een bedrag van 1.053 gulden/jaar. Door de dood van Constant Meulemaeckers (38) was die vrijgekomen (39). Het is trouwens niet uitgesloten dat tijdens de laatste jaren van diens molenaarschap in Gierle Clopmans bij hem in dienst was. 

Niettegenstaande het in 1697 tot de vrede van Rijswijck was gekomen, waardoor er een eind kwam aan de oorlog tussen de geallieerden en Frankrijk, bleven er naweeën. Er heerste overal armoede en de bevolking had last van stroperijen en vagebondisme dat veroorzaakt werd door achtergebleven en op de dool geraakte huurlingen. Chynsen en huurgelden waren door de collecteurs niet of onvoldoende kunnen ontvangen worden. Het afdragen van de XXste penning aan de Koning van Spanje liep ook helemaal in het honderd (40), omdat zij die de belasting hadden te voldoen, weigerden die te betalen (41). Bovendien was na de slag van Landen (1693) nog een 'Franse Contributie' ingevoerd (42): een extra aderlating voor de bevolking. 

Het economisch bestel zou slechts langzaam, en dan niet eens voor lang, terug op gang komen. Eind 1707 was er bij de molenverpachting onder de kandidaten opnieuw strijd om de molen van Gierle in handen te krijgen. Op de zitting beet Adriaen Diels de spits af met een bod van 405 gulden, dat hij onmiddellijk verhoogde met 5 'hoogen' (verdieren). Elk 'hoog' had een jaarwaarde van 10 gulden en moest dus geteld worden bij de 405 al geboden guldens. Merten Govers wilde niet ten achter blijven en waagde zijn kans door 5 'hoogen' bij te stellen, waarop Diels de inzet met nog 1 'hoog' optrok en uiteindelijk de molen toegewezen kreeg. Hij bleek echter command te zijn voor Lambertus Lambrechts, die aanvaardde. Als borg fungeerde voor hem één van de schepenen van Gierle (43). 

Deze keer was het Lambrechts gelukt, want bij de vorige verpachting had hij de molen moeten laten aan Clopmans. Bij de aanvang van zijn huur had Lambertus geen vermoeden van wat hem boven het hoofd hing. Hij had vrij gunstig ingepacht, er was voldoende graan en de prijs lag gunstig. Al spoedig echter kwam opnieuw een tekort om de hoek kijken met het gevolg dat op de Turnhoutse markt, in de maand februari 1709, de granen het dubbel moesten betaald worden van enkele weken voordien. De prijs was van rond de 3 gulden gestegen tot 6 gulden 10 stuivers het veertel. Maar daar bleef het niet bij. 

Op 1 maart 1709 voltrok zich de ramp waar elke molenaar doodsbenauwd voor was, maar, levend tussen hoop en vrees geloofde dat het juist hem niet overkomen zou. Maar het gebeurde toch! De molen ging branden, en met hem ging de gehele voorraad graan, het kapitaal van Lambrechts, in het vuur verloren. Wat de precieze oorzaak van het onheil geweest was, komt nergens duidelijk naar voren, maar we mogen aannemen, uit wat volgde, dat de molenaar in geen enkel opzicht schuld trof (44). 

Als het enigszins mogelijk was, werd nooit lang met het heroprichten gewacht. In de maand mei van 1710 kwam het tot een aanbesteding waarop Hendrick Willems aanvaardde de molen nieuw te bouwen voor een bedrag van 698 gulden. De molen moest 'gangbaer ende veerdigh' afgeleverd worden op 28 september van datzelfde jaar. In het contract was voor elke dag dat de werken vertraging opliepen, een boete voorzien van 6 Carolus gulden. 

Voor de aannemer werd het een fiasco. Door diverse tegenslagen liep hij een achterstand op van niet minder dan 23 dagen. Ondertussen bleef het pachtcontract van Lambrechts van kracht en werd hem voor de periode van 1 maart tot 28 deptember een eerste korting van 377-3- 3/4 gulden toegestaan (45). De rentmeester meende voor de 23 bijkomende dagen - omdat het werk pas klaar kwam op 21 oktober - nog een bijkomende som van 31-10-3/4 te moeten voorzien. Daar kon de rekenkamer evenwel niet achterstaan. Zij meende dat de molenaar die som maar moest verhalen op de in gebreke gebleven Willems. Mogelijks was bij de rekenkamer ook achterdocht ontstaan rond de formulering van de rentmeester. Hij had gesteld dat de 377… gulden stonden voor een gedwongen stilstand gelijk aan 2/3 van de pachttijd. Dat kwam grosso modo overeen met de periode, te tellen van 1 maart tot 21 oktober, maar niet van 1 maart tot 28 deptember. Die bijkomende 31... gulden leken dus als met 'dubbel krijt' geschreven. Men wist uit ondervinding dat ook sommige rentmeesters hun vorm van 'bijverdiensten' hadden. Vandaar hun weigering? 

Toch werd een gul gebaar gesteld tegenover Lambrechts. Men liet hem, omdat al zijn graan bij de brand was verloren gegaan, de molen aan dezelfde pachtprijs bemalen tot 31 december 1715. Bovendien kreeg hij, tegengesteld aan de geldende gebruiken, in 1712 toelating om tezelfdertijd de molen van Wechelderzande te bemalen. Daar was molenaar Michiel Lambrechts in gevolge de 'sleghte ende troebefe' tijden failliet gegaan (46). 

Niet minder dan 136 potten olie, voor een waarde van 88-14-0 gulden, waren opgebruikt om de molen te schilderen. De verf werd geleverd door Adriaen Hermans, die daarvoor 26-16-0 gulden rekende. Het werkloon om de molen te behandelen, bedroeg slechts 35 gulden. Jan Haeykens (ook Huygens) is de volgende die in 1716 aantrad met achter zich, als borg, Nicolaes Druyts (47), een man uit Gierle. Zijn bod bedroeg 520 gulden/jaar. Bij het driejaarlijkse nazicht bleek de molen, als onroerend goed, slechts een waardevermindering te hebben ondergaan van 2 gulden. Haeykens, die getrouwd was met Joanna Laureys, bleef maar drie jaar molenaar te Gierle. 

Opnieuw stond men voor een crisisperiode, die zich uitte in de snelle wisseling van pachters in de eerstvolgende jaren. Eerst kwam vanaf 1 januari 1719 Andries van Asbroeck (48). In oktober 1721 herpachtte hij voor een tijd, die bepaald was op 6 jaar. Misschien had hij zich daarbij vergallopeerd of was er iets anders misgegaan; we weten het niet. Feit is dat reeds op 17 december 1721, enkele dagen voor. datum dat de nieuwe pacht een aanvang nam, hij de molen overdroeg aan Peter (van) Couwenbergh(s), die er in slaagde het zesjarig contract na te komen tegen betaling van 702 gulden/jaar (49). 

Voor drie jaar was het nu de beurt aan Arnold Eggers (50). Zijn lage huurpriis van 550 gulden/jaar bewees eens te meer dat er maar weinig belangstelling was voor de molens. Het was zelfs zo erg dat, in vergelijking met enkele jaren voordien, binnen de stad Turnhout maar de helft van de huurwaarde werd geboden, een trend die zich doorzette naar de andere banmolens. Bovendien waren er algemeen klachten over de slechte toestand van de molens, waaraan de laatste jaren enkel het hoogst nodige onderhoud was gedaan. Hoe moeilijk het wel was om een goede molenaar te behouden, mag blijken uit het feit dat voor Eggers, die uit Tielen kwam, te Gierle een huis werd gehuurd, wat 40 gulden kostte. Toch wilde of kon Eggers niet op de molen blijven, omdat de bestuurders van Gierle hem hadden 'affgepandt' (51). Hij had namelijk geweigerd zijn XXste penningen te betalen. 

Om zo goed mogelijk verzekerd te zijn dat de molens bezet bleven, verkoos men, op een nog onduidelijk moment, de molens van Gierle, Lille en Wechelderzande opnieuw te verhuren voor een periode van 6 jaar. Voor Gierle althans bleek dit een gelukkig besluit te zijn geweest. 

Per 1 januari 1749 trad Gerardus van Hooghten als molenaar aan voor een jaarhuur van 610 gulden. Hij genoot het vertrouwen van Frans Druyts, borgemeester van Gierle, en van Dielis Leysen, want het duo stelde zich borg. De eerste opmerkelijke gebeurtenis die daarna schijnt voor te vallen, is een lange periode van windstilte, die duurde van augustus tot oktober 1752. 

Dat jaar vinden we ook Gerardus van Hooghten op de watermolen van Tielen (52). In 1753 bleef bij de herverpachting Gerardus molenaar met een bod van 729 gulden/jaar. Ondertussen waren ook een reeks herstellingen aan de molen uitgevoerd. Zo werd onder andere een nieuwe steenbalk ingevoerd (53), een niet gering werk dat opnieuw het schoren en opvijzelen van de molen noodzakelijk maakte. Jan Baptist Peeters zorgde ervoor dat alles in de beste orde verliep; bovendien voorzag hij, daar waar nodig, de molen van nieuwe schaliën (54). Smid Jan Peeters kreeg opdracht een ijzeren band te smeden om steenbalk en standaard met elkaar te verbinden. Van de gelegenheid werd ook gebruik gemaakt om het kruiswerk van een nieuwe laag teer te voorzien. Het werkje werd opgeknapt door Frans Suller, die daarvoor 22-13-0 gulden ontving, kostprijs van de teer inbegrepen. De oude steenbalk werd daarna, samen met nog wat andere 'affval', verkocht, wat 53- 5-3/4 opbracht. 

Anno 1755 waren er nieuwe onderhoudswerken noodzakelijk. Op aandringen van Gerardus was na controle gebleken dat dringend iets moest gedaan worden aan de teerlingen (55), wilde men voorkomen dat de molen bij stormweer ging omwaaien. Niet minder dan 5.000 'hard' gebakken brikken en waren nodig om de reparatie uit te voeren. De inwoners van Gierle hadden aangeboden het transport van de grondstoffen gratis uit te voeren, wat ze beschouwden als 'une petite recreation'. zoals rentmeester van Gastel het uitdrukte in zijn brief, gericht aan de toenmalige heer van Turnhout, Sylva Tarouca.

Vier jaar later zijn andere werken nodig. Een wand van de molen moest nieuw worden beplankt en de molenstaart (56), die gebroken was, besloot men toch maar te herstellen, alhoewel er bij Frans van Astbergh een nieuwe was gekocht. Om de nieuwe staart niet te laten verloren gaan, werd deze in het water gelegd om hem te 'conserveren'.

Eind december 1760 liep Gerardus van Hooghtens' pacht af De man zou het echter niet meer beleven. Hij overleed op 9 juli 1759 en liet zijn vrouw, Maria Theresia Dionys, achter met 11 kinderen. Maar een maalderij kan niet stilstaan en Jos van Duppen - misschien was hij wel Gerardus knecht - nam het vaandel over. En niet alleen dat! Reeds op 1 december 1759, minder dan 6 maanden na de dood van Gerardus, huwde hij diens weduwe. De vrouw is dan 16 jaar ouder dan Jos. Hun werd in 1762 nog een dochter geboren. 

Van Duppen begon een eerste driejarige periode als pachter op 1 januari 1761. Huurprijs: 720 gulden/jaar. Van de Turnhoutse molenbaas Henricus Me(i)rmans (57) kocht van Duppen 2 kleine molensteentjes, zogenaamde wolfkens, omdat ze in Turnhout op de rosmolen niet meer te gebruiken waren. Al was één van de stenen gebroken, toch liet de rentmeester er nog 49-10-00 gulden (58) voor betalen. Tijdens het laatste jaar van Van Duppens' pacht was het noodzakelijk dat de molenberg werd opgehoogd. Het was een werk dat in de loop der jaren wel eens meer diende te gebeuren. De motte waarop een molen stond, was dikwijls van een zodanige omvang dat het mogelijk was om met paard en kar tot onder de molentrap te rijden, waar dan door middel van het luiwerk (59) de graanzakken konden worden opgetrokken en neergelaten.

Door al dat op- en afrijden ging de berg stilaan uitzakken waardoor de stabiliteit van de molen in gevaar kwam. Dergelijk werk werd dikwijls opgeknapt door de mannelijke ingezetenen van het dorp, die daarvoor als beloning een drinkgelag kregen aangeboden. Te Gierle kostte wat na dit werk bij Frans Cornelissen werd opgedronken, niet minder dan 6 gulden. Ook aan het 'molenhuysken' werden een reeks reparaties uitgevoerd. Aan timmerman, smid en houtzagers betaalde men samen 18-15- 3/4. Met mulder van Duppen was overeengekomen dat hijzelf het werkvolk van spijs en drank zou voorzien. 

Op 31 december 1769 (60) eindigde het laatste pachtcontract van Jos van Duppen. Voor 3 jaar gaat de molen nu over op Hendrick van Zeir, een te Paal geboren Limburger die in Turnhout gehuwd was met Anna Catharina van Beve(r)loo (61). Mogelijk had Hendrick ook daar op één van de molens zijn vakmanschap verworven. Tot 939 gulden/jaar had hij moeten bieden om te kunnen huren. 

Zijn opvolger, Christiaen Smolders, die toekomst meende te zien in het bedrijf, had er 955 gulden/jaar voor over. Ook hij is één van de pachters met wie het lot 48 veertelen kalk niks goeds voorhad. Zijn handel verliep minder florissant dan hij verhoopt had. Bij de afrekening van zijn 2de jaar huur bleek dat hij die niet kon voldoen. Een jaar later, op 17 december 1775, komt hij door ongeval te overlijden (62). 

De molen gaat nu naar de 31-jarige Cornelius Gerardus van Hooghten, zoon van Gerard, die we al kennen van vroeger. Het jaar waarin Cornelius als zelfstandige molenaar begon, was de winter zo hard dat op de toegevroren Schelde kermis werd gehouden. Waar enerzijds de harde winter ook de Kempenaars kippevel bezorgde, was anderzijds het economisch klimaat niet ongunstig. Buiten het subjectieve ongenoegen, dat veroorzaakt werd door allerlei hervormingen die met de 'eeuw der verlichting' gepaard gingen, hadden de mensen het niet zo slecht. 

Jaar na jaar weet Cornelius zich als molenaar te handhaven, al stijgt zijn pachtprijs tot 4.029 gulden/jaar. Geen van de noodzakelijke onderhoudswerken werden verwaarloosd. Zo kreeg de molen een nieuwe zolder; verrichtte Frans Coninckx, metser, reparaties aan de teerlingen; werd de trap en het kruiwiel (63) hersteld en was het kruiswerk nog maar eens van een verse laag teer voorzien. Als grondlasten op zijn molen betaalde Cornelius in 1786 een bedrag van 30-9-0 gulden. 

Ondertussen stond de samenleving aan de vooravond van een omwenteling die een einde zou maken aan een staatsvorm die eeuwenlang de samenleving had beheerst. Tijdens de XVIIIde eeuw waren in versneld tempo nieuwe filosofieën ontwikkeld. Drastische veranderingen, opgelegd aan kerk en samenleving, waren een voedingsbodem geworden voor onrust en ongenoegen. De industriële revolutie, die langzaam op gang begon te komen, bracht nog geen wezenlijke verbetering in de economische situatie. In Frankrijk waren, na Engeland, de tegenstellingen tussen de standen dermate toegenomen dat een onoverbrugbare kloof was ontstaan. Ongenoegen, armoede en zeker honger deden te Parijs, op 14 juli 1789, de vlam in de pan slaan. Deze gebeurtenis zou heel Europa tot in het diepst van zijn eigenheid schokken. Eens te meer zou alles ontaarden in een strijd die, niet in het minst, ook om onze gewesten werd gevoerd. In het zog van de Franse gebeurtenissen brak bij ons de Brabantse Omwenteling uit, die zichzelf in onderlinge twisten smoorde. De oorlog die met wisselende kansen gevoerd werd tussen Frankrijk en Oostenrijk, bracht ons, na de slag van Fleurus (26 juni 1794), een definitieve Franse bezetting, die later werd omgebogen tot annexatie. Parallel met de griezel van de oorlog marcheerden als altijd de spoken van armoe en terreur. Er kwam de kerkvervolging, de militaire dienstplicht, de boerenkrijg, de gedwongen leningen, de muntontwaarding, de assignaties, enz. Al spoedig was er opnieuw een ernstig tekort aan granen, en het brood trok ook toen nog altijd de spreekwoordelijke kar. In alle lagen van de bevolking broedde een onderhuids ongenoegen. Ook bij vele molenaars! 

Hoe anders moet het pamflet, door de Fransen verspreid op 9 nivose jaar 3 (29 december 1794), worden verklaard? Het volk werd ervan verwittigd dat 'qualijcke molders' het graan half gemalen lieten en zich andere kwaadwilligheden veroorloofden, waardoor slecht meel werd afgeleverd. Bij betrapping zou hen een boete van 3.000 livres worden opgelegd, waarvan de helft de 'aanbrenger' toekwam. Bakkers die het slechte meel verwerkten, zouden aanzien worden als medeplichtig en met dezelfde som bestraft worden indien ze de oorsprong en/of de leverancier van het meel niet bekendmaakten. 

Eens België door de Franse republiek was geannexeerd, werden de assignaten, ook bij ons, nog slechts als enig betaalmiddel erkend. Voortaan zou ook de huur van de molens met die 'geldbons' moeten worden voldaan (64). 

Omdat het tekort aan graan nijpend bleef - er werd aardig wat gesmokkeld richting Holland -, was de overheid gedwongen een wet uit te vaardigen waardoor alle transport van granen binnen het kanton Turnhout verboden werd (65). Op diverse plaatsen in de Kempen werden douaneposten ingericht om op de naleving van de nieuwe wet toe te zien. 

Rond diezelfde tijd, namelijk op 24 pluviose jaar 7 van de republikeinse kalender (12 februari 1799), werd de affiche met het nummer 104 verspreid, waarop als 28ste koop de molen van Gierle voorkwam. Deze was als eigendom van de vóór de revolutie gevluchtte edelman Joseph François Xavier de Pestre (66) onder sequester geplaatst en bij de Nationale Goederen gevoegd (67). De omschrijving van het te koop gestelde luidde als volgt: 'Eenen windmolen gelegen tot Gierle, in gebruyk door Gerardus van Hooghten, mits 1500£ (livres) (68), door huerceel van 3, 6 en 9 jaeren, ingegaan den 11sten nivose, jaer 7, geschat op eene inkomste van 1300£, de welke vermeerderd door 40 een capitael uytmaeken van 52000£.' 

Op de definitieve toewijs van eind februari 1799 bleef Henri van Roy, een Leuvens industrieel, eigenaar met zijn bod van 400.000 fr. Daarmee begon, in de nieuwste tijd, voor molen en molenaar een heel nieuwe vorm van bestaan. Tot op zekere hoogte althans. Al was in 1795, na de annexatie, door Louis Ghilaine de Bouteville in België het feodale regime met al zijn geplogenheden afgeschaft, toch bleven een aantal gebruiken, zeker in de pachtvoorwaarden, nog een tijdlang voortleven. Een voorbeeld: het molsterrecht bleef als enige vergoeding voor het malen in gebruik. Het duurde nog enkele jaren voor het werd afgeschaft. Vanaf dan moest de molenaar in klinkende munt worden betaald. 

Pas na Waterloo (1815) kwam een nieuwe economische heropleving tot stand, en vanaf dan kregen de molenpachters af te rekenen met een voor hen quasi onbekend fenomeen: dat van de concurrentie. Vanaf het begin van de 19de eeuw verschenen overal nieuwe molens, nu niet meer in het bezit van de landheer, maar als eigendom van vrije ondernemers. Op sommige plaatsen kon haast van wildbouw worden gesproken. Waar twee molens in een kleine gemeente nog kon, was een derde er al gauw te veel. Tezelfdertijd werden in verschillende gemeenten extra taksen geheven op de invoer van graan, tot groot nadeel van de molenaars. Gedurende anderhalve eeuw zou rond het gemaal een soms scherpe concurrentiestrijd worden gevoerd, waarbij alleen zij die financieel het sterkst waren, zich konden handhaven. 

Her en der zag men het aantal windmolens teruglopen. Ze werden verkocht, afgebroken, verplaatst. Aldus kwam een herverdeling tot stand. Toch wist de windmolen zich nog ruim 100 jaar te handhaven, tot uiteindelijk ook hij doorde mechanische evolutie uit de markt zou worden geprijsd. De 'vooruitgang' deed wind- en watermolen, na een lange doodstrijd, definitief de das om. De periode vanaf 1800 tot na Wereldoorlog II werd een geschiedenis op zich. 

Kadastrale beschrijving uit ca. 1830: "deze houten standaart molen van een sterke constructie h ebbende twee paer steenen welke n iet gelijktijdig kunnen gebruikt worden, deselve is wel gesitueert bij het dorp".

Eigenaars na 1830:
- voor 1834, eigenaar: De Backer-Jacobs Jan Franciscus, molenaar te Gierle
- 01.06.1850, erfenis: de weduwe en de kinderen (kinderen: a) De Backer Joannes Josephus, molenaar te Gierle, b) De Backer Joannes Baptista, landbouwer te Gierle, c) De Backer Theresia, echtgenote Eyskens Athanasius, zonder beroep te Gierle, d) De Backer Catherina Sophia, echtgenote Bosch Joannes Baptista, timmerman te Gierle, f) De Backer Constantina, landbouwster te Gierle, g) De Backer Augustinus, molenaar te Antwerpen, h) De Backer Maria Anna, echtgenote Janssens Joannes, molenaar te Herenthout, i) De Backer Maria Anna, echtgenote Janssens Joannes, molenaar te Herenthout, i) De Backer Joannes Franciscus, moelnaar te Schijndel (NL) en j) De Backer Ludovicus, schoenmaker te Gierle (overlijden van Joannes Franciscus De Backer)
- 24.12.1853, deling: De Backer-Eyskens Joannes Josephus, molenaar te Gierle (notaris Dierckx - verklaring van Joannes, d.d. 24.12.1853à
- later, erfenis: de erfgenamen (overlijden van Joannes De Backer)
- 12.05.1873, deling: Peeters-De Backer Joseph, molenaar te Gierle (notaris Dierckx)
- 24.05.1903, erfenis: de weduwe en de kinderen (overlijden van Jospeh Peeters)
- 24.08.1906, deling: a) de weduwe (voor vruchtgebruik), molenarin te Gierle en b) Peeters Josephus (voor naakte eigendom), molenaar te Gierle (notaris Jansen)
- 31.12.1911, verkoop: Van Heyst-Roten Jozef, handelaar te Gierle (notaris Jansen)
- 06.05.1919, verkoop: De Kinderen-Hofkens Victor Lambert Jan, molenaar te Merksplas (notaris Jansen)
- 03.12.1945, verkoop: a) Rombouts Emile Jozef ALbert, landbouwer te Gierle, b) Rombouts Frans, landbouwer te Gierle, cà Rombouts Jozef Frans, landbouwer te Gierle en d) Rombouts Maria Coleta, landbouwster te Gierle (notairs Jansen)
- 12.07.1956, verkoop: Rombouts-Eyskens Emiel Jozef Albert, werkman te Gierle (notaris Jansen - "verouderde windmolen met bouwland en gebouwen met draaiende en loopende werken met dieselmotor, haverpletmolen en meachinale maalderij")
- 2006, verkoop: vzw Kempens Landschap (in erfpacht voor 99 jaar aan de Gemeente Lille)

Een zware storm wierp deze molen om op 29 november 1836. Eigenaar was toen Jan Frans De Backer. Op 16 mei 1837 verleende de Bestendige Deputatie van de provincie Antwerpen de toelating aan Jan Frans De Backer tot het oprichten van een nieuwe molen: de huidige stenen grondzeiler. In een steen boven de toegangspoort lezen we het jaartal 1837 en de initialen van de bouwheer-molenaar en zijn vrouw: "I.F.D.B. - A.M.I.". Hierbij zijn veel houten onderdelen in de stenen molen hergebruikt.

Van deze molen wordt verteld dat op 15 november 1844 een vijftigtal personen op de gaanderij stond, om de begrafenisstoet te volgen van volksvertegenwoordiger De Nef. Door het gewicht van deze personen stortte deze stelling in, met als gevolg: vijf doden en zestien gewonden. Door dit feit wordt de molen ook de Tragische Molen genoemd.  In de jaren 1970 werd dit voorval echter ontkend: het zou gebeurd zijn op de Lokerenmolen van Turnhout die  in 1927 werd gesloopt. Verder onderzoek zal dit nader kunnen uitwijzen. Feit is wel dat erin de huidige romp een deur aanwezig is, die als voormalige stellingdeur kan aangewezen worden.

Later kwam de molen door erfenis aan Jacob De Backer, dan aan Jos Peeters-De Backer en nog later aan Jef Van Heyst. Vanaf 1919 werd de molen uitgebaat door Victor De Kinderen die de molen ongeveer dertig jaar in bezit heeft gehad.

Op 21 april 1931 werd Maria Joanna Peeters (°Gierle 20.06.1927), dochtertje van handelaar Lodewijk Peeters en Hortensia Theresia Proost uit Gierle, dodelijk getroffen door een draaiende molenwiek.  Het bijna vierjarig meisje was er gaan spelen samen met haar vijfjarige broer René (Gierle, 1925-1999). Marietje overleed rond 15 uur terwijl men haar van de molen naar de molenaarswoning droeg (meer gegevens in bijlage).

Tijdens de orkaan van 14 november 1940 liep de molen door de vang: de verdekkerde wieken draaiden heel snel en de voortdurende wrijving van de vangband veroorzaakte brand. In april 1941 was de molen echter weer in bedrijf. In 1946 verkocht Victor De Kinderen de molen aan Emiel Rombouts. Hij maalde tot in 1958, maar liet ook daarna de molen nog af en toe draaien.

In 1976 werd de molen grondig hersteld door molenmaker Caers uit Retie. De molen kreeg nieuw hekwerk op beide roeden. De kap, de beide schorenparen en de korte spruit werden vernieuwd. De molenromp werd opgeknapt. De lange spruit - een oude roede - kon behouden blijven. Ook werd de staart hersteld.

Ondanks de molennaam was de molen toch niet sterk genoeg: in 1977 brak tijdens het malen (met vier volle zeilen) de geklinknagelde buitenroede (fabrikaat Verhaeghe, nr. 1211, 26,50 m, geplaatst op 23.10.1934). De gebroken roede werd vervangen door een gelaste stalen roede gemaakt door Peel (uit het West-Vlaamse Gistel) en meet 26,5 m. De binnenroede (26,3 m lang) is een geklonken potroede, genoemd naar de Nederlandse fabrikant Pot. Hij is afkomstig van een poldermolen van de Purmer in Nederland, is 26,3 m lang en werd in 1903 gestoken in de Oude Molen in Balen (afgebrand op 25 mei 1938) en in 1940 te Gierle (roedenummer 1965).

Er is nog een koekenbreker aanwezig van het constructieatelier Vandevelde & Arras uit Lier.
De molen maalde nog tot in 2003 (vrijwillig molenaar Leo Struyven). De toestand van de molen liet toen niet meer toe om nog te draaien. De bebouwing in de omgeving (ondanks de bescherming als dorpsgezicht in 1981!) zorgt voor een ernstige windbelemmering.

De laatste beroepsmolenaar Emiel Rombouts overleed op 18 december 2008. Twee jaar voordien had de familie Rombouts de molen en het omliggende grasplein verkocht aan de vzw Kempens Landschap voor € 99.997. Deze gaf de molen voor 99 jaar in erfpacht aan de gemeente Lille.

Architectenbureau Sabine Okkerse bvba uit Oudenaarde stelde in 2007-‘08 een restauratiedossier samen. In 2009 werden de roeden en de staart gedemonteerd.

Vlaams minister voor Onroerend Erfgoed Geert Bourgeois kende in april 2011 een restauratiepremie van 451.475 euro toe. De totale kostprijs van de restauratie bedroeg zo’n 695.000 euro, incl. 21% BTW, De gemeente Lille betaalde 20%, de vzw Kempens Landschap eveneens 20%. De Vlaamse overheid subsidieerde de rest van het bedrag.

De aanbesteding voor de restauratie ging door op 1 juni 2011. De werken gebeurde in twee fasen. Eerst nam Renotec nv uit Geel de romp onder handen en daarna volgde de molentechnische restauratie door Boers & Peusens bvba (Dirk Peusens) uit Merelbeke. Op 25 april 2012 werd de kap afgenomen en de molen leeggemaakt. Alle draaiende werk werd afgevoerd naar het atelier van deze molenbouwer.

De molenkap, het draaiende werk, het gevlucht en de binnenvloeren werden vernieuwd. De binnenroede was een potroede (fabr. Pot, NL, nr. 1965, uit 1903, hier gestoken in 1940) met een lengte van 26,3 m; de buitenroede was gelast (fabr. Peel, Gistel, 1977) en was 26,5 m lang. De oude Peelroede werd gerestaureerd en de oude Potroede werd integraal vernieuwd, in onderaanneming door Vaags Molenwerken uit Aalten, NL. De roeden kregen opnieuw verbusseling als stroomlijnprofiel. Het vangwiel en spoorwiel kregen nieuwe kammen, de drie rondsels werden nieuw gemaakt. Twee steenkoppels werden werkingsklaar gemaakt. De vernieuwde kap werd op 26 september 2013 geplaatst. De roeden volgden op 29 oktober. De gemeente Lille plaatste buitenverlichting.

De molen werd op zondag 3 augustus 2014 tijdens "Giel Met" ingewijd en voor het groot publiek opengesteld.

De molen wordt bemalen door vier vrijwillige molenaars: Jef De Walsche, Gust Smits, Theo Ghoos (van de Slagmolen Lille) en Marc Peeters. Ze voeren ook kleine onderhoudswerken uit. Ze zijn opgenomen in een beheersovereenkomst met vzw Toerisme Lille. De molen zal geopend zijn elke laatste zondag van de maand (het hele jaar door), van 13 tot 17 uur. Contacten voor geleide bezoeken gebeuren ook via vzw Toerisme Lille op telefoonnummer 014 44 82 33.

De gemeente Lille leverde in november 2014 een vegunning af voor de bouw van een woonzorgcentrum op de site van melkerij Kempico in Gierle. Het complex telt 69 wooneenheden en 24 assistentiewoningen. De molenaars van 'In Stormen Sterk' vrezen dat de nieuwbouw de wind zal wegnemen en gingen in beroep. De provincie beslist over de bouwhoogte.

Adolf VERDEGEM (*), Lieven DENEWET & Gust SMITS

(*) Auteur van de periode tot 1800

VOETNOTEN 

(1) Om een te lange lijst van voetnoten te omzeilen, volgt hier een opsomming van de rentmeesters uit wiens jaarrekeningen de gegevens werden geput waarop deze bijdrage steunt. Valt te noteren dat de rekeningen geen continue reeks vormen.
A.R.A.: Reymert vander Beelen, Willem vander Aa, Frederick Dergent, Ambrosius van Kintschot, Anthonie van Lyere, Jeronimus Vekens, Anthoni Boudewijns, Hendrick vander Schoot.
R.A.A.: Guillium Proost, Johan Pauly, Marcus Pauly, Frans Pauly, Joseph Veughs, Jan Anthonius Lombaerts, Johan Frans Stuers, Jan Baptista van Gastel, Joannes de Fierlant.

(2) J. CORNELISSEN en P. VAN HAL, 'Molentermen' – Vang = prang. Soort van brede band die rond het prangwiel (ook vangwiel) sluit om de gang van de molen te stuiten.

(3) In het bangebied van Turnhout was het zelfs verboden om op een zondag te malen. Voor een dergelijke overtreding werden anno 1691 de molenaars J.B. van Broeckhoven en Dirk Casteleyns beboet.

(4) Deze verplichting was een gevolg van de banaliteit.

(5) J. CORNELISSEN en P. VAN HAL, (o.c.), Groot ijzer = staalijzer. Is rechtstaand ijzer met bovenaan het ronsel (dat in het prangwiel grijpt) en onderaan de rijn, een kruisvormig ijzer dat langs onder in de loper grijpt. De loper is de bovenste molensteen. Ronsel en prangwiel grijpen in elkaar en brengen, wanneer de molen draait, de loper in beweging. De hals bevindt zich tussen het prangwiel en de kruiskop, die met de wieken uit de kap van de molen steekt.

(6) Hier werd wellicht ronselschijven bedoeld.

(7) Wat nog van het 'Grootenhoudt' rest, heet nu het 'Giels bos'.

(8)Pas vele jaren later is er voor het eerst sprake van een molenberg. Veel van de eerste molens, zeker wanneer ze op de (rand van een) heide waren gebouwd, stonden op zware houten blokken en niet op een verhoging. De allereerste molens waren waarschijnlijk niet eens wendbaar en stonden vast naar de overheersende windrichting gekeerd.

(9) H. DE KOK en E. VAN AUTENBOER, 'Turnhout, groei van een stad'- R. PEETERS, '750 jaar Turnhout, Stad en Vriiheid'. Heren en Vrouwen van Turnhout (1500-1794): Filips de Schone (1494-1506); De Spaanse Habsburgers, Karel V minderjarig (1506-1515); Karel V (1515-1546); Maria van Hongarije (1546- 1555); Philips II, Koning van Spanje (1555-1598); Albrecht en Isabella (1598-1612); Philip Willem van Oranje (1612-1618); Albrecht en Isabella (1618-1621); Philips IV, Koning van Spanje (1621-1648); AmaliaVan Solms (1648-1675); Willem III van Nassau (1675-1702); Prins Friso van Nassau (1702-1713); Frederick Willem van Pruisen (1713-1740); Frederick II van Pruisen (1740-1745); Keizerin Maria Theresia (1745); Frederick II van Pruisen (1745-1753); Keizerin Maria Theresia (1753); Graaf Sylva Tarouca (1753-1768); juliaan Gysleen de Pestre (1768-...); Isabella Clara Cogels, zijn weduwe; Jozef Frans Xavier de Pestre, zijn zoon (...-1794).

(10) Al de ernstige besmetteliike ziekten met een grote sterfte tot gevolg werden onder de noemer 'pest', 'haestighe sieckte', 'contagieuse sieckte, enz, gekwalifiseerd. Door gebrek aan voldoende medische kennis werd zelden een duidelijk onderscheid gemaakt. Ook de 'rode loop' werd dikwijls geduid als pest.

(11) 1 oktober, feest van Sint-Bavo.

(12) J. BOEN, 'Maten en gewichten v.d. Provincie Antwerpen' - 1 Sister = 3 hl, 53 1, 8 dl, 99 cl; Turnhoutse maat.

(13) J. BOEN, (o.c.) - 1 Veertel = 88 liter, 4 deciliter, 74 centiliter; Turnhoutse maat.

(14) Ook graan dat reeds 3 dagen ongemalen op een windmolen lag, mocht in gelijkaardige omstandigheden terug worden opgehaald en naar een watermolen gevoerd.

(15) A. VERDEGEM, 'De watermolen van Tielen en zijn molenaars'. Tielen was tot 1612 verenigd met Gierle.

(16) S.A.T.: Diverse pachtcontracten uit de XVIde eeuw geven volgende verhouding: 1 mudde = 3 veertelen.

(17) In een veertel gaan 4 loopen.

(18) Verbasterd Frans, komt van 'amodiateur': verhuurder.

(19) E. DE SEYN, 'Geschied- en Aardrijkskundig Woordenboek der Belgische Gemeenten'. In 1569 werden er in de kerk van Gierle 5 altaren verwoest.

(20) De rentmeesterrekening maakt geen melding van verwoestingen in het dorp.

(21) Daarmee wordt bedoeld: de krans van huizen rond de kerk.

(22) Tijdens de gehele duur van de 80-jarige oorlog (1568-1648) had de Kempen regelmatig af te rekenen met plunderende legerbenden.

(23) Was: het produkt dat de bijen in de honingraten afscheiden. Indien de molenaar zelf geen bijen hield, kon hij de te leveren hoeveelheid afkopen.

(24) VERWIJS en VERDAM, 'Middelnederlandsch Woordenboek’ Tome IX, f°1781.

(25) Wat hiermee precies bedoeld werd, is nergens duidelijk uit af te leiden. Misschien werd Gierle gebrandschat door de 'Staatsen'.

(26) Dr. P.A. JANSSENS en W. VAN DEN BRANDEN,'De pest in het algemeen en in het bijzonder te Poederlee... Gierle... in de XVIIde eeuw', Jaarboek Heemkundige Kring 'Norbert de Vrijter' van Lille, blz. 53.

(27) De heer kocht, met tussenkomst van zijn rentmeester, de stenen en leverde die af aan de voet van de molen. Het 'indoen' was tot last en kost van de pachter.

(28) Scherpen = de molensteen voorzien van groeven. Deze inkervingen verschillen al naargelang er zachte of harde graansoorten werden gemalen.

(29) Volgens aloud gebruik bestond de molen, juridisch, uit twee delen: de staande en de draaiende werken. 1) Onder staande werken verstond men de teerlingen, bet kruiswerk, de molenkast, de trap, de molensteert, enz. Het hele pakket viel voor wat tet onderhoud betrof ten laste van de eigenaar. 2) Tot de draaiende of roerende werken werd gerekend al wat in beweging kwam bij het malen. Al deze onderdelen waren qua onderhoud ten laste van de pachter.

(30) K. NEEFS, Alfabetische lijst, opgemaakt aan de hand van de oude Parochieregisters van Gierle, (geboorten en overlijdens).

(31) De juiste duurtijd van hun pacht kon voor alle molenaars niet gevonden worden.

(32) R.A.A.-G.A. Gierle, nr. 612.

(33) De Duitse Staten, Spanje, Holland en Engeland.

(34) Hier werd duidelijk vermeld dat het om een terugbetaling ging. De molenaar had dus zijn pacht al voldaan voor hij om korting verzocht. In beginsel kon enkel pas dan om terugbetaling worden gevraagd, omdat het pachtcontract bepaalde dat de duur, bv. om de drie maand, strikt moest worden voldaan. In de praktijk was dat niet altijd mogelijk. Vandaar dat de Rekenkamer, na ruggespraak met de rentmeester, dikwijls 'korting'v erleende.

(35) Niemand kon een molen pachten zonder 1 of 2 als solvabel aanvaardbare borgen achter zich te hebben.

(36) De zijde van de molen die naar de wind gekeerd wordt, m.a.w. de achterkant, waar zich de wieken bevinden.

(37) A. VERDEGEM, 'De watermolen van Tielen', (o.c.), f° 8.

(38) K. NEEFS, (o.c.) † Gierle 7.3.1701.

(39) Het is niet duidelijk wie de molen van Lille bemalen heeft van juli 1701 tot januari 1702.

(40) In 1701 was Constant Meulemaeckers 626-19-00 gulden ten achter in de betaling van zijn XXste penning.

(41) W.C. MEES, 'Alva'. Tegen de XXste penning (5% van de waarde van een onroerend goed) die hier door Alva werd ingevoerd, kwam felle tegenstand. Niet alleen omdat ze nadelig was voor de handel, maar ook omdat dit eigenmachtig optreden in strijd was met de geldende privileges. Deze voorzagen dat in de Nederlanden de vorst alleen dan een belasting kon opleggen wanneer hij in eigen persoon in de Staten der Provincie verschenen was en zijn bede werd ingewilligd.

(42) Op de molen van Gierle bedroeg de belasting 35-3-1/8 gulden.

(43) Zijn naam werd in de akte niet vermeld.

(44) Naar de oorzaak van een brand werd toen, net als nu, een grondig onderzoek ingesteld.

(45) 1 gulden = 20 stuivers - 1 stuiver = 4 oorden - 1 oord = 8 duiten.

(46) Mogelijk verwantschap blijft te bewijzen.

(47) Hij was borgemeester van Gierle en tevens ontvanger van de Franse Contributie.

(48) Pachtprijs: 588 gulden/jaar. K. NEEFS, (o.c.). Andries van Asbroeck was gehuwd met Adriana Diercx.

(49) Een molen overdragen kon alleen mits toestemming van de rekenkamer.

(50) S.A.T.: pachtcontract 1728-1730.

(51) Er werd beslag gelegd omdat de 'gemeentekas' de achterstallige XXste penning van Eggers had 'voorgeschoten'.

(52) A. VERDEGEM, (o.c.), 'De Watermolen...', f°24.

(53) De steenbalk die horizontaal boven op de standaard rust, draagt de gehele romp van de molen.

(54) Schaliën werden gemaakt van gekloven eikenhout.

(55) De vier gemetste blokken waarop een molen rust.

(56) J. CORNELISSEN en P. VAN HAL, (o.c.), De (molen)staart van een windmolen bestaat uit zware lange balken, onderaan de molen vast, die schuin door de trap neerdalen tot bij de grond, waar zij gesteund worden door de loophouten.

(57) Meirmans was door van Gastel aangesteld als supervisor van de vier Turnhoutse molens.

(58) Vermeldingen dat op de molens met 'breukelingen' werd gemalen, komen meermaals voor.

(59) J. CORNELISSEN en P. VAN HAL, o.c., Windas, bestaande uit de luias en dienende om de zakken in de molen te trekken of uit de molen neer te laten.

(60) R.A.A.-G.A.T., nr. 80. In 1768 waren volgens verslag nog eens voor 124-12-1/2 gulden aan werken op de molen uitgevoerd.

 (61) A. VERDEGEM,(o.c.) 'De Watermolen...', f° 33.

(62) Rekening anno 1776. Aard en oorzaak van het ongeval worden niet vermeld.

(63) J. CORNELISSEN en P. VAN HAL, (o.c.), Windas waar een ketting of kabel op loopt om de molen in de wind te zetten.

(64) Assignaten hadden dezelfde waarde als munten.

(65) S.A.T., Briefwisseling Franse Tijd

(66) X. DUQUENNE, Le chateau de Seneffe: Jozef Frans Xavier de Pestre, laatste Heer van Turnhout, was om aan de guillotine te ontsnappen naar Italië gevlucht. Ondanks al zijn latere pogingen is hij er niet in gelukt amnestie te verkrijgen en zijn eigendommen voor verkoop te vrijwaren.

(67) Niet alle door de Fransen aangeslagen goederen zijn verkocht geworden. Vooral goederen van kerken, abdijen, kloosters, begijnhoven kwamen onder de hamer. Ook heel wat eigendommen van de gilden gingen op die manier verloren.

(68) Pas vanaf 23 september 1799 werd de hele openbare boekhouding bijgehouden in franken en centiemen.

<p>In Stormen Sterk</p>

Foto: H. Noot

<p>In Stormen Sterk</p>

Foto: H. Noot

<p>In Stormen Sterk</p>

De wiekzijde. Foto: Rob Simons, Sint-Huibrechts-Lille

<p>In Stormen Sterk</p>

Na de breuk van de buitenroede, 1977. Foto coll. Rob Simons, Sint-Huibrechts-Lille

<p>In Stormen Sterk</p>

Links op de achtergrond de Spekmolen. Prentkaart Nels. Verzameling Ons Molenheem

Literatuur

H. Holemans & P.J. Lemmens, "Molens der Noorder- en Oosterkempen", Nieuwkerken, Ten Bos, 1980, p. 31-33.
Herman Holemans, "Wind- en watermolens ivan de provincie Antwerpen. Kadastergegevens 1835-1990. Deel 1. Gemeenten A-G", Opwijk, Studiekring "Ons Molenheem, 2009.
E. D(e) K(inderen), "De molen "In Stormen Sterk" te Gierle", in: De Belgische Molenaar, LXXI, 1976, nr. 12 (22 juni), p. 182-183;
"De eerste windmolen van Gierle", in: Kempisch Museum, I, 1890, p. 236;
A.C.J. Verdegem, "De banmolen van Gierle", "Jaarboek Norbert de Vrijter", 7 (1989), blz. 5-26, ill.; overgenomen in: "Levende Molens", jg. 12, 1990, nr. 12, p.96-97, ill.; en jg. 13, 1991, nr. 3, p. 23-24; nr. 4, p. 30-32; nr. 8, p. 63-64; nr. 9, p. 72; en nr. 10, p. 80;
W. Van den Branden, " 'In Stormen Sterk' van Gierle in de steigers. Restauratie in kader 'Bouwkundig Erfgoed' ", in: "Levende Molens", jg. 12, 1990, nr. 12, p. 95-96, ill.;
J. Aerts, "Molens in de aktualiteit: Gierle, de Tragische Molen", in: Molenecho's, II, 1974, nr. 11, p. 82;
(E. De Kinderen), "Een blik op molenwerking in de Kempen: Gierle een tevreden eigenaar", in: De Belgische Molenaar, LXXV, 1980, nr. 14-15 (7-22 aug.), p. 220-221;
Paul Hendriks, "De windmolens. 13. Gierle", in: P. Hendriks & R. Hoeben, "Provincie Antwerpen. Wind- en watermolens", p. 15.
(L. Smet), "Tragische molen - restauratie - toestand 12.10.'75", in: Molenecho's, III, 1975, nr. 10 (okt.), p. 75;
Els De Kinderen, "Gierle: molenfeesten en hoe het niet hoort", in: Levende Molens, jg. 8 (1986), nr. 9, p. 71, ill.;
H. Van Averbeke, "In Stormen Sterk (Gierle - prov. Antwerpen). (Portret van een draaiende molen).", in: Natuur- en Stedeschoon, jg. 55 (1986), nr. 3 (mei-juni), p. 23, ill.;
H. Holemans en K. Lemmens, "De windmolen op de Molenakker in 1804", in: Ons Molenheem, jg. 7 (1987), nr. 4, 26-27;
P.J. Lemmens, "Molenoverzicht uit het Arrondissement Turnhout van 1830 tot heden", Heemkundig Handboekje voor de Antwerpse Randgemeenten, Kwartaalschrift, Borgerhout, Gitschotel Buurschap, jg. 12, [1964], nr. 3, p. 8-9;
W. V(an) d(en) B(randen), "Bij het overlijden van Gust Wynants (1917-1991)...", Levende Molens, XIII, 1991, 5, p. 34.
Lieven Denewet, "In memoriam Emiel Rombouts", in: Molenecho's, jg. 2009, nr. 1.
De Kok Harry, Gids voor het oude Turnhout en omgeving. 2/De omliggende gemeenten,Antwerpen-Amsterdam, 1980, p. 98, 100-102.
Heemkundige Kring "Norbert de Vrijter".Driemaandelijks contactblad, 1983 e.v.
Van den Branden W., Toponymie of verklaring van de plaatsnamen Lille, Gierle, Poederlee en Wechelderzande, Heemkundige Kring "Norbert de Vrijter", Jaarboek 1993, XI, p. 99-116.
"Restauratie molen 'In Stormen Sterk' te Gierle”. Heemkundige kring – Norbert De Vrijter – Contactblad, jg. 7, nr. 26, maart 1989.
De Gielse molen 'In Stormen Sterk' eindelijk gerestaureerd !”, Heemkundige Kring – Norbert de Vrijter – Lille – Contactblad nr. 31 / 1990, p. 4.
Red., De Gielse molen "In Stormen Sterk" eindelijk gerestaureerd!, Heemkundige Kring "Norbert de Vrijter". Driemaandelijks contactblad,1990, VIII, nr. 31, p. 3).
Gust Smits, “‘In Stormen Sterk’ de aanloop naar een nieuw begin”, Heemkundige Kring Norbert De Vrijter – Lille. Contactblad nr. 108 / 2010, p. 5-7.
Jef De Walsche, molenaar, "Windmolen “In Stormen Sterk” te Gierle : een overzicht van de restauratiewerken", Heemkundige Kring Norbert De Vrijter - Lille. Contactblad nr. 116/2012, p. 7-10.
Jef De Walsche, molenaar, "Windmolen “In Stormen Sterk“ te Gierle: hoe ver staat het met de restauratie?", Heemkundige Kring Norbert De Vrijter - Lille. Contactblad nr. 120/2013, p. 7-10.
André Pluym, "Slag van de molen!", Heemkundige Kring Norbert De Vrijter-Lille. Contactblad nr. 130/2015, p. 3-5.

Persberichten
Ronny Van Den Ackerveken, "Molen maalt weer in 2008", Het Nieuwsblad, 15.12.2006.
"Molen krijgt opknapbeurt", in: Gazet Van Antwerpen, 14-12-2006.
RAM, "Windmolen", in: Het Nieuwsblad, 23.06.2007.
RAM, "Molen", in: Het Nieuwsblad, 08.03.2007.
"Restauratie molen", in: Gazet van Antwerpen, 31.07.2007.
"Molen krijgt opknapbeurt", in: Gazet van Antwerpen, 14.12.2006.
RAM, "Molenaars", in: Het Nieuwsblad, 27.03.2008.
RAM, "Molen", in: Het Nieuwsblad, 09.06.2008.
RAM, "Molen", in: Het Nieuwsblad, 18.11.2008.
Red., "De Gielse molen "In Stormen Sterk" eindelijk gerestaureerd!", in: Heemkundige Kring "Norbert de Vrijter". Driemaandelijks contactblad,1990, VIII, nr. 31, p. 3).
H. De Kok, "Gids voor het oude Turnhout en omgeving. 2. De omliggende gemeenten", Antwerpen-Amsterdam, 1980, p. 98.
Frans Ringoot, "De Molens van Gierle", in: Ons Molenheem, Opwijk, jg. 34, 2009, nr. 2, april-juni, p.35-38, ill.
RAM, "Restauratie molen", in: Het Nieuwsblad, 24.08.2009.
RAM, "Restauratie molen", in: Het Nieuwsblad, 08.09.2009.
"Gegarandeerd Kempens", in: SKL (Stichting Kempens Landschap) nieuwsbrief september 2006, nr. 2
RAM, "Lille investeert 5,3 miljoen euro in 2011", Het Nieuwsblad, 28.12.2010.
Ronny van den Ackerveken, "Vlaamse subsidies voor restauratie molen", Het Nieuwsblad, 29.04.2011.
RAM, "Subsidie voor restauratie molen Gierle", in: Het Nieuwsblad, 29.04.2011.
RAM, "Restauratie molen zal twee jaar duren", Het Nieuwsblad, 05.11.2011.
Dorien Van Gorp, "Molen in Gierle zonder kap", Het Nieuwsblad, 01.05.2012.
RAM (Ronny van den Ackerveken), "Restauratie windmolen start dit voorjaar", Het Nieuwsblad, 22.02.2012.
"Restauratie molen Gierle gestart - foto's", in: www. nnieuws.be
"Restauratie van de windmolen in Gierle van start", bouwenenwonen.net (21.02.2012)
Ronny van den Ackerveken, "Vanaf volgend jaar een zondag per maand geopend. Gerestaureerde kap op molen In Stormen Sterk geplaatst", Het Nieuwsblad, 27.09.2013.
"Molen krijgt kap en weiken terug", rtv (Regionale Televisie Kempen - Mechelen), 26.09.2013.
"Molen van Gierle bijna opnieuw klaar om te malen", rtv.be (Regionale Televesie Kempen -Mechelen), donderdag 26.09.2013. Reportage: Tobias Daneels.
"Windmolen 'In Stormen Sterk' in Gierle draait weer", archeonet.be, 01.04.2014.
PKK (Paul Keyenberg), "Molen ‘In Stormen’ sterk’ maakt naam opnieuw waar", Het Nieuwsblad, 03.04.2014.
Bart Van den Langenbergh, "Molen In Stormen Sterk draait opnieuw", Gazet van Antwerpen, 02.04.2014.
DVGT, "Molen 'In Stormen Sterk' is klaar om te malen", Het Laatste Nieuws, 03.04.2014.
Ludo Coenen, "In Stormen Sterk Gierle: molen draait sinds dinsdag opnieuw", nnieuws.be (02.04.2014)
Wendy Luyks, "Uitstap - Lille. Feestelijke opening van de Gielse Molen", Het Nieuwsblad, 021.07.2014.
Dirk Van Gorp, "Molenaars in beroep. Provincie beslist over bouwhoogte. Melkerij wijkt voor bejaardencampus", Het Laatste Nieuws, 22.11.2014.
Bart Van den Langenbergh, "Molenaars van Gierle onthullen geheimen", Het Nieuwsblad, 23.03.2015.
Bart Van den Langenbergh, "Gierle feest bij de molen", Het Nieuwsblad, 31.07.2015.
Bart Van den Langhenbergh, "Molenfeesten profiteren van zomers weer", Het Nieuwsblad, 02.08.2015.


Laatst bijgewerkt: maandag 20 maart 2017
Stuur uw teksten over deze molen Stuur een (nieuwe) foto van deze molen  

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in databasezoek op provincieStuur een e-mail over molen <?=$naam?>, <?=$plaats?>homevorige paginaNaar Verdwenen Molens