zoek in databasezoek op provincieStuur een e-mail over molen Steenakkermolen, Langemark (Langemark-Poelkapelle)homevorige paginaLangemark (Langemark-Poelkapelle), West-Vl...
Naam Steenakkermolen
Ligging Onze-Lieve-Vrouwestraat
8920 Langemark (Langemark-Poelkapelle)
Sint-Juliaan
toon op kaart
Eigenaar Provincie West-Vlaanderen
Bouwjaar 1790, herbouwd in 1923
Type Staakmolen met open voet
Functie Korenmolen
Kenmerken Eternietschaliën op de windweeg
Gevlucht/Rad Gelaste roeden, ca. 24 meter
Inrichting Twee steenkoppels, buil, haverpletter
Toestand Herstellingen nodig
Bescherming M: monument,
29.05.1964
Molenaar Bregt Patrouille (Tielt), tel. 0496 204077
Openingstijden Tijdelijk gesloten wegens technische mankementen. Info: Provincie West-Vlaanderen, Dienst Gebouwen, 8200 Sint-Andries (tel. 050 40 72 22 of 0499 56 59 59, e-mail: bart.persyn@west-vlaanderen.be)

Foto: Donald Vandenbulcke, 27.01.2008  

Beschrijving / geschiedenis

Op het einde van de veertiende eeuw bouwde Pieter Cobbe uit Hooghe Zieken (Sint-Jan bij Ieper) op de huidige standplaats de eerste Steenakkermolen. Het toponymisch woordenboek van Karel de Flou geeft als eerste vermelding : "In Langhemaerc,...oostwaerd vanden straetkine dat strect ten steen ackere meulne waerd." (1439 Rente S.P. Ypre, f.39)

De leggers en de bijhorende registers van de gebieden van Wijnendale en Cleven (17de eeuw) gebruiken de Steenakkermolen herhaaldelijk als oriëntatiepunt om de diverse percelen te situeren.
In 1776 bevonden zich op enkele km afstand en binnen het gezichtsveld van de Steenakkermolen, verscheidene andere korenmolens waaronder de Eeckhoutmolen (NW), de Wallemolen (N) en de 's Graventafelmolen (O). Rond 1840 kwam daar nog o.a. de Sint-Jelins-molen (ZW) bij.

Van de vóóroorlogse molenaars en/of eigenaars kon volgende lijst opgesteld worden:
-1700: Pauwels Vulstecke (eigenaar) Joannes Duytschave (molenaar)
-1776: Gerardus Verfaillie
-1843: Victor Baelen
-1847 Joseph Ignaas Baelen
-1853: Gebroeders Baelen Pieter Baelen (eigenaar)
-1854: Martinus Engel Albertus Deman, gehuwd met Marie Therese Catharina Lornez
-1864: Franciscus Xaverius Bailleul, gehuwd met Millenert
-1869: Joannes Baptist Vandeputte, gehuwd met Lucie Pelagie Morent; Bailleul blijft molenaar
-1899: Karel Lodewijk Vandeputte, gehuwd met Carette

Een molen in werking vereist een voortdurende voorzichtigheid. In september 1894 verongelukte de 8-jarige Honoré Salomez,een jongen uit de buurt, op de Steenakkermolen. Zijn hoofd geraakte op de steenzolder verpletterd tussen de tandwielen toen de molenaar beneden de molen naar de wind richtte of kruide (zie bijlage). 

De Steenakkermolen die eeuwenlang de winden trotseerde, ging tenonder in de eerste wereldoorlog. Op 21 oktober 1914 begon 'de eerste slag om Ieper' waarbij de Britse, Franse en Duitse troepen hun stellingen innamen. De molen lag vlak in de frontlijn. Door zijn hoogteligging bood de molen uitstekende observatiemogelijkheden. Nauwelijks een week later was het afgelopen met de Steenakkermolen. In de strijd om het bezit ervan, ging hij helemaal in de vlammen op. De eerste gevechten rond de molen werden door Wilhelm Schreinen beschreven in 'Der Tod von Ypern'. Sedertdien kreeg de Steenakkermolen haar lugubere tweede naam 'Dodenmolen'.
Op 22 april 1915 barstte 'de tweede slag om Ieper' los. Tijdens deze slag gebruikten de Duitse troepen, voor het eerst in de wereldgeschiedenis, chemische wapens (chloorgas) in oorlogsvoering. De Canadese troepen leverden, aanvankelijk te Sint-Juliaan en later in de omgeving van de ruïnes van de Steenakkermolen, moedig weerstand na de eerste ogenblikken van vertwijfelde geallieerde verwarring. Aan deze slag herinneren het 'Canadees monument' in de molenomgeving, de 'Vredeseiken' in het dorp en het Kitchener's Wood-monument in de Wijngaardstraat.
De molen wordt in de twee slagen herhaaldelijk vermeld. Na de gasaanvallen is er blijkbaar niets meer van over. Alhoewel er tijdens 'de derde slag om Ieper' in de zomer van 1917 nog veel zwaardere gevechten worden geleverd, komt hij nooit meer ter sprake.

Pas in januari 1920 kwamen de eerste dorpelingen naar het totaal verwoeste Sint-Juliaan terug. In 10 jaar tijd herrees het dorp uit de woestenij. In 1923 bracht Jules Lievens de Kruisbergmolen uit Pittem over ter vervanging van de verdwenen Steenakkermolen.
Voor de geschiedenis van de huidige molen als gebouw dienen we dus een kijkje te nemen in Pittem.
In 1789 kreeg de Ruiseleedse molenmaker Pieter Hoste opdracht van molenaar Lodewijk van Poucke om de Kruisbergmolen te bouwen. Het bouwjaar 1790 staat vermeld op het klauwijzer van het steenkoppel onder het voorwiel.
Molenaar van Poucke kon nauwelijks van zijn eigendom genieten want hij stierf nog geen twee jaar later. Zijn weduwe kon de hypotheek niet aflossen en moest de molen verkopen.
Op 25 jaar tijd kwamen er vijf molenaars totdat Sebastiaan Goethals in 1817 het bedrijf overnam.
In 1855 kwam Karel van Brabant er malen, vermoedelijk tot 1895. Aan molenaar van Brabant herinnert de inscriptie in de zware middenlijst naast de trap naar de bovenste zolder. Boven zijn naam staat het bouwjaar 1790 gebeiteld. De kinderen van Brabant verlieten de molen in 1923. Daarna werd hij afgebroken om naar Sint-Juliaan overgebracht te worden.

Molenmaker Lievens verrichtte zelf het transport van de afgebroken Kruisbergmolen. Daarvoor gebruikte hij een wagen met twee paarden. De roeden werden vervoerd onderaan de driewielkar waarvan het voorwiel verwijderd was. Lievens moest verscheidene keren heen en weer om alle molenonderdelen ter bestemming te krijgen. Eens ter plaatse werd alles weer gemonteerd. Lievens maalde er zelf tot in 1929.

Aan de heropgebouwde molen is de molenaarsnaam Vercoutere onlosmakelijk verbonden. Clement Vercoutere stamde uit een molenaarsgeslacht uit Wingene. Vanaf de 17de eeuw werden verscheidene molens door de familie Vercoutere bemalen. Clement Vercoutere had er de Pijpemolen in huur. Toen de eigenaarszoon de molen wenste te bemalen, moest Vercoutere naar een andere molen uitzien. Veel keus was er niet. Zo belandde de molenaar met zijn twee zoons en zijn dochter op de Steenakkermolen te Sint-Juliaan. Daar pachtte hij de molen, het molenhuis en de bijhorende landerijen.
De jongste zoon Gaston was toen 19 jaar en leerde er de muldersstiel van zijn vader. Vaak moesten ze tot een heel stuk in de nacht malen. Ook 's zondags moest soms gemalen worden om door het vele werk te raken, vooral als de molen tijdens de week door gebrek aan wind had stilgelegen.

In de stormnacht van 14 november 1940 was de molen bijna verloren. De molen had het hard te verduren maar hield toch stand. 's Morgens was hij op zijn teerlingen verschoven en stond hij scheef. De trap en de staart hadden net kunnen beletten dat de molen van de teerlingen was geblazen.

Vader Clement stond elke dag, tot aan zijn overlijden op 81-jarige leeftijd in 1943, op de molen. Als rasechte molenaar keek hij elke morgen opnieuw waar de wind zat.
De geschiedenis herhaalde zich gelukkig niet tijdens de tweede wereldoorlog. Eén keer schoten de Duitsers gewoon voor hun plezier op de draaiende molen. Verder waren er geen problemen.
Moderne tijden braken aan, maar molenaar Gaston voelde geen behoefte aan verandering en modernisering. Slechts als er geen wind zat, gebruikte hij het steenkoppel in de maalderij naast het woonhuis. Dit steenkoppel werd aangedreven door een traagdraaiende scheepsmotor.
Geleidelijk verviel de molen door het gebrekkig onderhoud aan het staande werk door de eigenaar. Door de voortdurende aftakeling van de molen, diende molenaar-pachter Vercoutere in 1975 noodgedwongen het malen stop te zetten. Hij verliet zijn geliefde molen en overleed in 1988 te Menen.

Het verval van de molen verliep nog veel sneller na het stopzetten van de maalactiviteiten. In maart 1978 kocht de provincie West-Vlaanderen de molen. De molen werd in 1982 voorlopig gestut om omwaaien ter voorkomen, dit in afwachting van een opknapbeurt. Vijf jaar later werden de molenvoet en de trap hersteld, waardoor de molen weer zonder 'krukken' stond.

In 1992 voerde N.V. Bouwonderneming Verstraete uit Rumbeke de maalvaardige restauratie uit. Alle molenonderdelen die nog in goede staat waren werde herbruikt. Zo bleven onder andere de staak, de steenbalk, de middenlijsten en nog een aantal verticale balken geheel of gedeeltelijk bewaard.
In zijn geheel bekeken, kunnen we echter spreken van een nieuwe molen met gebruik van een aantal oude stukken.

Sinds 1993 wordt de molen door vrijwillige molenaars bemalen: tot 2000 door Raymond Durnez (Geluwe) en Lieven Denewet (Hooglede), tot 2010 door Ghislain Ossieur (Lendelede) en Bregt Patrouille (Tielt) en thans enkel door laatstgenoemde.
 
In augustus 2010 werd door de Monumentenwacht West-Vlaanderen vastgesteld dat de steenbalk, die niet vervangen werd bij de restauratie van 1992, sterk aangetast is door de bonte knaag- of klopkever. In afwachting van het herstel, staat de molen stil en is hij gesloten voor het publiek.

Robert Missinne & Lieven Denewet


Foto: Christiaan Debusschere


Foto: Harmannus Noot, 2006


Foto: Harmannus Noot, 2006


Foto: Donald Vandenbulcke, 27.01.2008


Vrijwillig molenaar Bregt Patrouille

Bijlagen

In den Steenackermolen te Langemark is een erg ongeluk gebeurd: een knaap van 8 jaar, genaamd Honoré Salomez is, terwijl de molenaar zijn molen verstak, zijn hoofd tusschen het tandwiel en den maalsteen gansch verpletterd, de dood was oogenblikkelijk.
Bron: Gazette van Rousselare, 22 september 1894.

Jaarlijks aantal asomwentelingen
2006: 54.531

Literatuur

Gazette van Rousselare, 22 september 1894.
Chr. Devyt, "Westvlaamse windmolens. Inventaris volgens de toestand op 1 januari 1965", Brugge, 1966, p. 90;
Luc Devliegher, "De molens in West-Vlaanderen", Tielt/Weesp, 1984, p. 286-287 (Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, 9);
Jeroen Cornilly, "Monumentaal West-Vlaanderen. Beschermde monumenten en landschappen in de provincie West-Vlaanderen. Deel 1. Arrondissementen Ieper, Kortrijk, Roeselare, Tielt", Brugge, 2001, p. 139;
Robert Missinne, "De Steenakkermolen te St.-Juliaan", in: Gidsenkroniek Westland, XXXIII, 1995, p. 53-66;
John Verpaalen, "Molens van de frontstreek", Kortrijk, 1995, p. 90-93;
Lieven Denewet, "De voortrekkersrol van West-Vlaanderen: twee provinciale windmolens ingehuldigd", in: Molenecho's, XXI, 1993, nr. 3, p. 113;
E. Leeuwerck, "Steenakkersmolen of Dodenmolen", in: Aan de Schreve, IV, 1974, afl. 2, p. 13-14;
J. Maes, "Steenakker- of Dodenmolen te Langemark", in: De Belgische Molenaar, LV, 1960, , nr. 10 (22 mei), p. 156, 158 en nr. 14 (22 juli), p. 216, 218; LVII, 1962, p. 272;
R. Missinne & D. Leroy, "Steenakkermolen te Langemark-Poelkapelle", Brugge, Provincie West-Vlaanderen, s.d. (folder);
Roland Annoot, "De molens in het Westland", Ieper, 1950;
V. Arickx, "Geschiedenis van Pittem", Pittem, 1951:
E. D(e) K(inderen), "De Steenakker- of Dodenmolen te Langemark", in: De Belgische Molenaar, LXXII, 1977, p. 306-307;
John Verpaalen, "Windmolens in de actualiteit [Langemark; Geluveld; Zarren-Werken; Merkem; Komen; Diest; Tessenderlo]", in De Belgische Molenaar en Levende Molens, jg. 77 (1982), nr. 11 (november), p. 236 en 245, ill.;
J. Maes, "De Roobaard en andere molens te Langemark (Vlaamse windmolens, 131)", in: De Belgische Molenaar en Levende Molens, jg. 74 (1979), nr. 12 (22 juni), p. 155-1157, ill.;
J. Maes, "Nog over Langemarkse molens en de pijpegale (Vlaamse windmolens, 132)", in: De Belgische Molenaar en Levende Molens, jg. 74 (1979), nr. 17 (7 september), p. 217-218, ill.


Laatst bijgewerkt: maandag 23 augustus 2010
Stuur uw teksten over deze molen Stuur een (nieuwe) foto van deze molen

bovenzijde