|
Beschrijving
/ geschiedenis
De Brouckmolen aan de Lindestraat te Beveren-aan-de-IJzer is een bakstenen grondzeiler op wal. Hij werd gebouwd in 1862, ter vervanging van een omgewaaide staakmolen. De vroegste vermelding dateert van rond 1350. Ridder Michel Belle van een Ieperse patriciërsfamilie en zijn vrouw Elisabeth schonken toen aan de abdij Onze Lieve Vrouw ter Nieuwe Plant van Roesbrugge - gesticht in 1236 - een rente van 24 schellingen, bezet op een stuk grond naast de mote of wal van de "Broekmolen". In 1370 behoorde de molen toe aan de ouders van Elisabeth van Belle, die de pacht ervan aan de abdij schonken. In tegenstelling tot wat vroeger beweerd werd, behoorde de molen zelf toen (nog) niet aan deze abdij. Dat gebeurde pas in 1528 onder abdis Cornelie Vastenavont. De verkopers waren mevr. Adrienne de Bockstel, weduwe van messire Jean van Hoorne (ridder, heer van Beaucigny, Bockstel, Loker enz.) en haar zoon Philippe van Hoorne. Kostprijs 125 ponden groten en er was vrijstelling van rechten. Aangezien de staakmolen toen in zeer slechte staat was, moesten er grote herstellingen uitgevoerd worden. Op 15 december 1558 staken troepen van de hertog van Guise de molen in brand bij de inname van Duinkerken. Ook andere bezittingen van de abdij - toen onder abdis Catherina van den Coorenhuyse - werden afgestookt, zoals de Kloostermolen van Oostcappel, eerder in 1558. Kort na de heroprichting zorgden de godsdiensttroebelen voor een echte chaos. Roesbrugge werd een kern van zeer combatieve geuzen. Na diverse plunderingen (1566, 1568, 1579) werd het verlaten klooster op 18 september 1579 door de Malcontenten met de grond gelijk gemaakt. De Broekmolen zelf schijnt gespaard gebleven te zijn, maar in 1577 bedroeg de jaarlijkse pacht nog amper 9 ponden groten. Op 26 februari 1644 waaide de molen om in een hevige storm. De wederopbouw kostte de abdij 895 gulden. Gedurende een aantal jaren werd de molen verhuurd aan een zekere De Meester voor 500 fl. per jaar. In 1759 brak een zekere Decandt de molen af om op dezelfde plaats een nieuwe te bouwen. In 1784 sloot zuster Marie Angèle Verheede van de abdij een akkoord met de molenaar van de Brouckmolen om voor de som van 3 Louis een rosmolen te bouwen. Met de komst van de Franse revolutionairen werd de molen onteigend, samen met hoeve en grond, en in 1797 als zwart goed verkocht, voor de prijs van 1000 kronen! In 1834 was Pieter Maele-Thoor eigenaar-molenaar. Zijn kinderen verkochten de molen in juli 1843 aan Pieter Devloo, een molenaar uit Alveringem. Deze laatste behield de molen slechts één jaar en verkocht hem in juli 1844 aan Karel Van Acker die de molen ook kwam bemalen. Elf jaar later was de molen opnieuw te koop en in maart 1855 werd hij aangekocht door Serafinus George-Rijckeboer. Op 12 juni 1862 werd de molen andermaal geveld ten gevolge van een zware storm. In de namiddag heerste er een waar noodweer boven Beveren, dat lang in het geheugen van de bewoners bewaard zou blijven. Een hevige stormwind stak op, gepaard met hagel, onweer en zware regenval. De honderdjarige notelaar voor de wagenmakerij Dehouck op het gehucht Molenwal werd door een gierende windstoot geveld en de Brouckmolen werd van zijn teerlingen geworpen. In die periode zag men toen overal stenen molens de plaats innemen van houten staakmolens. Eigenaar-molenaar Seraphin George liet de molen op dezelfde plaats herbouwen als een stenen grondzeiler op de wal van de vorige molen. De rode bakstenen werden per boot langs de IJzer aangevoerd en gelost op de zogenaamde Molenkaai, die op ongeveer 200 meter afstand van de molen gelegen was. Vele balken van de houten voorganger werden opnieuw gebruikt. De conische kuip is voorzien van rondboogvensters en dito ingangen, en een gebroken kap met rechte voorwand. Seraphin George baatte zin nieuwe molen uit tot aan zijn dood in 1890. Dan ging de molen over op zijn weduwe en kinderen die hem verder uitbaatten tot in 1899. Op 26 juli van dat jaar werd de Brouckmolen dan verkocht aan de gebroeders Henri en Alfons Duflou die tot dan molenaars waren geweest te Westrozebeke. In de akte verleden voor notaris Floor is er ook sprake van een rosmolen op het erf. In 1908 liet Henri Duflou de wieken vervangen door een zelfkruiend ijzeren windrad, destijds ook bekend als "éolienne". Het werd geplaatst door Henri Hoflack uit Zonnebeke. Hij had dit systeem in Boulogne had gezien en het had een sterke indruk gemaakt op de Zonnebeekse molenbouwer en werktuigkundige (1864-1938). Hoflack prees overal waar hij maar kon die uitvinding en wees op de voordelen en op het hoger rendement. Zo wist hij meerdere molenaars te overtuigen: K. Werquin te Langemark, Ch. Debackere te Boezinge, een landbouwer te Zonnebeke, de molenaar van Sint Jans Cappel in Frans-Vlaanderen en ten slotte ook Henri Duflou te Beveren. De eerste vier windraderen werden bovenop een ijzeren gebinte van 15 tot 18 meter hoogte gebracht en waren dus geen molens in de echte zin van het woord. Maar bij Duflou ging hij anders te werk. Nadat de kap en het kruis afgenomen waren, liet hij de kuip een twintigtal lagen optrekken en dichtmetselen. De hele constructie van het windrad rustte op een zware hoepel die boven op en om het metselwerk lag en met een achttal ijzeren staven verankerd was in de kuip. De acht meter hoge metalen toren, die het hele gevaarte moest schragen, had bovenaan een horizontale as van 4,50 meter lengte. Aan de ene kant van die as werd een groot windrad bevestigd met een diameter van 12 meter. Dit wiel, dat uit ijzeren buizen was vervaardigd, telde 48 beweegbare schoepen. Aan de andere kant van de as bevond zich de staart. Deze was voorzien van twee windrozen van ongeveer 2 meter diameter, die ook rond een kleinere as konden draaien. Wanneer de molen niet meer in de juiste windrichting stond, gingen de windrozen aan het wentelen tot het grote wiel weer in de juiste stand kwam. Toen vielen de windrozen stil. Een verticale as bracht de beweging van het windrad over naar de maalstenen. Heel het zelfkruiend systeem woog circa zeven ton. De praktijk bleek echter weer eens de theorie niet te bevestigen en het systeem gaf geen volledige voldoening. De zelfkruiing door de windrozen had een te felle bries nodig om goed te functionneren. Daarom vond het idee ook geen algemene ingang. Nadat het windrad in 1924 door een storm zwaar beschadigd was (met een asbreuk), plaatsten de molenmakers Florent Blondé, Henri en Achiel Lejeune opnieuw een gewone kap en kruis. Henri Duflou overleed in 1916 maar het werk werd verdergezet door zijn broer en zijn weduwe. In 1927 kwam de molen volledig op naam van zijn zoon Firmin Duflou-Gombeir. In de jaren 1930 deed hij nog gouden zaken op de molen. De eigenlijke molenaar was toen André Lejeune, zoon van molenmaker Achilles Lejeune, die voor 90 frank per week plus kost en inwoon de molen voor rekening van de eigenaar uitbaatte. Dat was in die tijd een goed loon. Duflou zelf hield zich meer bezig met de boerderij en deed daarnaast nog aan loonwerk. Hij beschikte inderdaad over drie dorsmachines waarmee hij de boer opging. En André Lejeune werkte op de molen alsof het voor zichzelf was, als het moest, dag en nacht. Hij hield ervan de molen hard te laten lopen. Ging het te hard naar de zin van Duflou, en kwam hij toevallig thuis, dan zette hij de molen gewoon stil. Zonder een woord te zeggen. Beiden pasten goed bij mekaar en verstonden mekaar zonder woorden. Die leerschool was voor André Lejeune een gouden tijd, maar toch zette hij in 1936 de stap naar zelfstandigheid en werd hij zijn eigen baas op de Westmolen te Stavele. Firmin Duflou bleef eigenaar van de molen tot aan zijn dood in 1977 en zijn weduwe en kinderen tot in 1986. Op 14 april 1944 werd de molen wettelijk beschermd als monument. (De publicatie in het Belgisch Staatsblad gebeurde pas op 26.07.1986). In 1946 liet eigenaar-molenaar Firmin Duflou op eigen kosten herstellingen uitvoeren. De molenas (die het jaartal 1876 droeg) werd toen vervangen. Bij windstilte kon Duflou gebruik maken van een tractor in een nevengebouw, die via een aandrijfas een vierde steenkoppel en de haverpletter kon aandrijven. Dat vierde koppel kon evenwel ook met de wind werken. Er werd gebruik gemaakt van een builmolen van werktuigkundige Henri Hoflack uit Zonnebeke. Duflou werd toen bijgestaan door Valère Borra, zoon van molenaar Jerôme Borra uit Proven. De Brouckmolen bleef tot 1959 beroepsmatig in bedrijf met windkracht. Hij kon ook aangedreven worden door een tractor die in de aangebouwde machinekamer stond opgesteld en daarmee heeft Firmin Dufloo nog enige jaren na 1959 dierenvoeder gemalen. In 1962 was er opnieuw een belangrijke herstelling nodig. De kap kon niet meer worden gekruid. In 1965-'67 kwam een grondige uitwendige restauratie tot stand. Die werd, met subsidies van de staat, de provincie en de gemeente, uitgevoerd door de molenbouwers Peel uit Gistel. Zij vernieuwden de binnenroede, de bovenkap (bedekt met eternietschaliën), de staart en de spruiten. Het kruis werd half verdekkerd. De molenromp werd geschilderd. Kostprijs: 551.875 frank. Op vrijdag 14 december 1973 sloeg het halfverdekkerd wiekenkruis los tijdens een zware storm. Het vangwiel verhitte en begon te branden. Gelukkig kon het wiekenkruis uit de wind gekruid worden en tot stilstand gebracht. De Poperingse brandweer wist de vuurhaard in te dijken. De schade beperkte zich tot de vang, het beleg en enkele kammen van het vangwiel. Het had echter veel erger kunnen zijn. Indien het 's nachts was gebeurd, was de molen uitgebrand. In 1981-82 en 1985 gebeurden er nog gedeeltelijke herstellingen, vooral aan de romp. Een fundamentele aanpak van het vochtprobleem bleef echter uit. Dank zij Walter Ameloot, de vrijwillige molenaar van Oostvleteren, werd met de molen weer af en toe gemalen. In 1986 werd de molen en het bijhorend erf verkocht aan Martin Van Staeyen, een bediende uit Beveren. De nieuwe eigenaar stond vrij positief ten opzichte van een levende molen, zodat de molen goed werd onderhouden. Het was echter pas na de verkoop in 1989 aan de heer Henri Alexander Gustin uit Saint-Rémy (prov. Luik), een gepensioneerde legerofficier, dat de molen een bloeiende toekomst tegemoet ging. Hij kocht het erf (3/4 ha) met de bouwvallige molenaarswoning en molen aan. Vele balkkoppen in de muren waren doorgerot, waardoor de steenkoppels zelfs dreigden neer te storten. Eerst liet de nieuwe eigenaar dringende instandhoudingswerken uitvoeren (vergund door Vlaams Gemeenschapsminister Waltniel). Na een bekomen restauratiepremie van Vlaams minister Johan Sauwens was de molen in 1994 weer maalvaardig. Hierbij werd één roede vervangen (gelaste roede, fabr. Peel - Gistel). Ook de molenbouwers Roland Wieme uit Deinze en Eric Vanleene uit Pollinkhove (thans Ath) voerden werken uit. We mogen de heer Gustin gerust beschouwen als dè redder van de molen. Hij volgde bovendien met succes de molenaarscursus ingericht door de Werkgroep West-Vlaamse Molens vzw. De heer Henri Gustin verkocht de Brouckmolen in 2002 aan de huidige eigenaar, de heer Daniël Bulckaert uit Alveringem. Samen met zijn twee zonen Marijn en Tijl laat hij de molen vooral op zaterdagen draaien. In 2005 zijn restauratiewerken uitgevoerd aan de Brouckmolen in Beveren aan de IJzer. Om de werken goed te laten verlopen werd het hele dossier, opgesteld door architect Luc Deleu uit Moorsele, in zes loten verdeeld. - lot 1 - metselwerken: Bouwonderneming Catteeuw bvba - Beveren a/d Ijzer - lot 2 – schrijnwerken: Gilbert Vandenberghe & Zoon - Vlamertinge - lot 3 - specifieke molenwerken: ’t Gebinte – Erpe-Mere - lot 4 - schilderwerken: Vandenbriele – Boezinge - lot 5 – elektriciteitswerken: Deruytter X. – Woesten - lot 6 – omgevingswerken: Dewulf – Boezinge Bij de molentechnische werken heeft de firma ’t Gebinte Molenbouw (met Johan De Punt uit Erpe-Mere) het vangwiel van nieuwe kammen voorzien en vernieuwde hij de voorgevel van de molenkap. Ook werden de spruiten, de twee korte schoren en de voorbalk van de molen vernieuwd. Marijn Bulckaert, Lieven Denewet & Henri Gustin

Foto: Raf Vandenbussche, Hooglede

Foto: Henri Gustin, Koksijde

De machine in het motorhok. Foto: Donald Vandenbulcke, Staden

De kuiprestauratie. Foto Henri Gustin, Koksijde

Plaatsing nieuwe buitenroede. Foto Henri Gustin, 1994
Bijlagen
Jaarlijks aantal asomwentingen 2006: 44.739
Literatuur
Ameeuw Jozef, "Molens van Veurne-Ambacht", Koksijde, De Klaproos, 2004, p.39-43; Annoot Roland, "De Molens in het Westland", Ieper, 1950 (onuitgegeven studie), p. 9-10. "Beveren-aan-de-IJzer, Brouckmolen", in: Bachten de Kupe, VI, 1965; Bulckaert Marijn, "Herstellingen aan de Brouckmolen in Beveren aan de IJzer", in: West-Vlaams Molenblad, XXI, 2005, nr. 2, p. 76; Bulckaert Marijn & Denewet Lieven, "Geschiedenis van de Brouckmolen te Beveren-aan-de-IJzer: windmolen én opnieuw mechanische molen!", in: West-Vlaams Molenblad, XXI, 2005, 4, p. 169-179; Cornilly Jeroen, "Monumentaal West-Vlaanderen. Beschermde monumenten en landschappen in de provincie West-Vlaanderen. Deel III. Arrondissementen Brugge, Diksmuide, Oostende en Veurne, Brugge, 2005, p.31; "De Broeckmolen te Beveren aan de Yzer", in: Curiosa, januari 2002, p. 27-30; Devliegher Luc, "De molens in West-Vlaanderen", Tielt/Weesp, 1984, p. 102-105 (Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, 9); Devyt Chr., "Westvlaamse windmolens. Inventaris volgens de toestand op 1 januari 1965", Brugge, 1966, p. 65; Goussey A., "De Brouckmolen te Beveren-IJzer", in: Bachten de Kupe, VI, 1964, p. 116-118 en in: De Westvlaming, LVIII, 1965, nr. 2, p. 23-24; Hoste D.A., "De Abdij O.-L.-Vrouw Ter-Nieuwe-Plant"; Lepée Rpbert, "Gemeente Beveren aan de IJzer", onuitgeg. studie, Beveren, 1952, p. 19; Maes J., "De Brouckmolen te Beveren-IJzer", in: De Belgische Molenaar, LX, 1965, p. 118; (Smet L.), "Molens in de actualiteit. Stavele (Beveren-IJzer)", in: Molenecho's, I, 1973, 8, p. 38. Van der Meersch A., "L'abbaye de la Nouvelle Plante (1236-1886)", 1886. Verhaeghe R. , " Nog eigenaardige windmolens (Beveren-IJzer)", in: Molenecho's, VIII, 1980, p. 26-28. Marcel M. Celis, "De Vlaamse Monumentenprijs 2007 - Alveringem/Warzegem (Beveren) - Lindestraat 12 - Brouckmolen", in: Binnenkrant, nr. 145, Bijlage bij M&L 26/7, juli-augustus 2007, p. 11-12.
|