|
Beschrijving
/ geschiedenis
De oudst bekende molen van Sint-Pieters bij Brugge verschijnt in 1368. Die maalde niet alleen graan, maar plette ook oliehoudende zaden. De "Oliemolen A" stond op de heerlijkheid het Sijseelse, bij het knooppunt van de Zandweg en de Poelweg A, 500 meter ten noordwesten van Schipstale. De molen is in de 15de eeuw verdwenen. De "Oliemolen B" bestond reeds in 1398: "de zydelinghe te stoppene tusschen der olyemuelnen ende Lippins Brunen". Die molen bevond zich in het ambacht Zuienkerke, op de westzijde van de Lisseweegse Watergang, even ten noorden van de Zeven Eiken Brug. De molen is vermoedelijk ca. 1500 in onbruik geraakt. De Sint-Hubrechtsmolen stond net binnen het Sijseelse, langs de Molenweg B. Die kan beschouwd worden als de opvolger van de Oliemolen A, die 1 km zuidelijker gestaan had. De Sint-Hubrechtsmolen verschijnt in 1456, en is in de troebelen op het einde van de 16e eeuw tenondergegeaan. In de rustige periode omstreeks 1610 begon men in de meeste parochies weer molens op te richten. De opvolger van de Sint-Hubrechtsmolen was de Zandwegmolen A. Die werd gebouwd op een perceel van Sint-Donaas, even ten oosten van de Zandweg (= Oostendse Steenweg): vermeld in 1693 als "Zandtweghe meulen". In 1860 richtte Louis Matthys een stenen graan- en oliewindmolen op naast de Zandwegherberg, ongeveer tegenover de Zandwegmolen A. De molen werd verkocht op 11 april 1878 aan Jacques De Langhe, die hem in september 1883 opnieuw heeft verkocht aan Isidoor Matthys, handelaar te Sint-Pieters-op-den-Dijk. Op 14 juli 1894 werd door het gemeentebestuur van Sint-Pieters aan Isidoor Matthys een nieuwe 30-jarige vergunning voor de uitbating van de molen verleend en bij de archiefstukken van deze vergunning werd een inplantingsschets van de molen en de bijgebouwen teruggevonden, echter zonder verdere technische bouwinformatie over de molen zelf. Na het overlijden van Isidoor Matthys (29-10-1901) en zijn echtgenote Nathalie Van Hove ( 08-07-1904) kwam de molen in het bezit van de familie Constantinus Van Hove - Amelie Mermuys die als vaste molenaar voor hun Zandwegemolen Jules Caene in dienst namen. Na het overlijden van Constantinus Van Hove op 30 juni 1923, werd de molen in huur genomen door Jules Caene en op verzoek van zijn echtgenote Marie Louise De Brabander werd op 23 augustus 1923 een prezie opgemaakt van al het roerende en draaiende werk van de Zandwegemolen door August Peel. Deze prezie geeft ons een zeer goed overzicht van de uitrusting van de molen in 1923 en vormde dan ook de basis voor de uitwerking van het restauratiedossier. Een informatie van Chr. Devyt vermeldt dat de molen in 1932, in volle crisistijd, grondig werd opgeknapt met o.a. een vernieuwde kap, een nieuw kruiwerk, drie koppels nieuwe stenen, waarvan één met een diameter van 1,8 m, een nieuwe windpulm, een banesteen, een nieuwe staartbalk en een kruiketting van 44 m. Ook werd er een nieuwe binnenroede geplaatst en werd de buitenroede hersteld. Volgens deze gegevens werd er in 1939 ook nog een nieuwe metalen standaard met een totale lengte van ca. 20 m geplaatst, die werd samengesteld uit zes stukken en één ontkoppeling. Als bovenste stuk werd een zwaar staakijzer met de vermelding SABBE 1866 gebruikt. Op donderdag 7 september 1944 draaide de molen toen rond 15 u een orkaan opkwam en Jules Caene de molen niet kon vangen. Toen hij trachtte het kruis te kruien, werd de kap uit de zetel gelicht, versmeet het kruis zich en brak de askop in drie stukken. Bij het neervallen van het gevlucht werd een deel van de stelling meegesleurd. Om na dit ongeval, net na de bevrijding, toch verder te kunnen malen werd door Jules Caene opdracht gegeven om de molen van een noodkap te voorzien en een dieselmotor op te stellen op het gelijkvloers waarmee verder werd gemalen tot het begin van de jaren zestig. Op 3 oktober 1969 werd de molen verkocht aan Gerard Stevens, die de molen inrichtte als bar en rond de molen een restaurant en feestzaal heeft optrokken waardoor de Zandwegemolen op 25 juli 1970 officieel een horeca uitbating werd. Op 27 oktober 1982 werd de Zandwegemolen bij ministrieel besluit beschermd als monument. In 1985-1986 werd op verzoek van de toenmalige eigenaar Marc Vermeersch, aan architect Paul Goethals de opdracht gegeven voor het uitwerken van een project voor de maalvaardige restauratie van de Zandwegemolen, doch dit project werd in de voorbereidende fase echter stopgezet. Wel werd in 1986 de romp hervoegd. Op 27 april 1995 werd molen en horecazaak aangekocht door de familie Commeyne uit Roeselare, waarbij de uitbating werd toevertrouwd aan Johan Commeyne. Zij liet in 2003-2005 een maalvaardige restauratie uitvoeren. De molenromp werd hersteld door aannemer Arthur Vandendorpe uit Sint-Michiels, terwijl de molenbouwers Roland en Kris Wieme het molentechnisch werk op zich namen. Op 10 november 2004 werd de nieuwe kap en staart geplaatst. De nieuwe geklinknagelde roeden, aangebracht op 23 maart 2005, hebben een vlucht van niet minder dan 26,40 meter! De inhuldiging van de maalvaardige molen voltrok onder grote belangstelling op 30 april / 1 mei 2005. Tekst: Marc & Johan Commeyne, www.zandwegemolen.be

Foto: Donald Vandenbulcke, Staden

Voor de restauratie in 2001. Foto: Christiaan Debusschere, Kortemark

Plaatsing molenkap op 10.11.2004. Foto: Chr. Debusschere

Het staartuiteinde aan de gaanderij. Foto: Herman Vanhoutte, Wevelgem

De kollergang. Foto: Herman Vanhoutte, Wevelgem
Bijlagen
1. Jaarlijks aantal asomwentelingen: 2005: 267.000 2006: 312.604 2. Bouwhistorische nota van de Zandwegemolen, opgesteld ten behoeve van het restauratiedossier. (Belangrijke opmerking: de molen is thans wederom compleet ingericht en maalvaardig). 1. MOLENKUIP De Zandwegemolen is een stenen stellingmolen met een rechtlijnige conische kuip en twee versnijdingen van ½ steen, één ter hoogte van de graanzolder en één ter hoogte van de meelzolder. De kuip met een hoogte van 22,10 m vanaf het maaiveld en een binnendiameter onderaan van 8,25 m is daarmee één van de hoogste molens van West-vlaanderen. Opm: Bij de inrichting van het gelijkvloers, behorend bij de horecazaak, werd het vloerniveau binnen de molen verhoogd met ca. 35 cm t.o.v. het vloerniveau van het vroegere woonhuis van Jules CAENE naast de molen. De dorpel hiervan, met hoogte van 15 cm is nu nog aanwezig, waardoor de totale hoogte van de stenen kuip tot het maaiveld op 22,10 m komt (t.o.v. een huidige binnenhoogte van 21,60m). H totaal kuip 22,10 m = 21,60 m + 0,35 m + 0,15 m. In de molen zelf zijn geen referenties terug te vinden van het bouwjaar, doch de bouwaanvraag ingediend door Louis MATTHYS op het einde van 1859, met een officiële publikatie aan de bevolking op 1 januari 1860 en de goedkeuring ervan op 7 februari 1860 door de gemeenteraad van Sint-Pieters-op-den-Dijk, zijn thans nog bewaard in de stadsarchieven van stad Brugge. De bouwplannen en/of bouwgegevens zelf zijn echter verdwenen. De molen heeft een halfzolder, die zich op 3,5 m boven de huidige vloer bevindt. Daarboven bevinden zich nog zes hogere zolders, nl. de graanzolder, de meelzolder, de steenzolder, de hijszolder, de luizolder en de kapzolder, waarbij de graanzolder op 3,5 m boven de halfzolder ligt. Onderaan is de binnendiameter 8,25 m met een buitendiameter van 9,75 m. De muren zijn beneden ca. 75 cm dik (3½ steen). Bovenaan is de binnendiameter 4,6 m en hebben de muren een dikte van ca. 45 cm (2 stenen) waardoor de buitendiameter ± 5,5 m wordt. De bakstenen (Boomse klampstenen) hebben een formaat van ca. 21 x 10 x 5 cm (10 lagen = 60 cm).Op het niveau van de meelzolder, dit is op een hoogte van 10 m boven de huidige vloer of 10,5 m boven het vroegere maaiveld, bevond zich de houten stelling die thans volledig verdwenen is. Sedert het ongeval van 7 september 1944, waarbij de volledige molenkap door een orkaan werd afgerukt en neervallend ook de stelling heeft meegesleurd, werd de kuip afgedekt met een noodkap en werden de deuren op de meelzolder naar de stelling afgesloten (De deuropening aan de noordoostkant werd dichtgemaakt met een houten paneel en deze aan de zuidwestkant werd dichtgemetseld). Alle onderdelen van de molenkap met gevlucht, molenas, vangwiel en vangsysteem, kruisysteem met spruiten, schoren, staart met kruihaspel, alsook de volledige stelling zijn verdwenen. 2. GELIJKVLOERS Op het gelijkvloers, nu deel van de horecazaak, staat de oorspronkelijke kollergang er nog met een doodsbed en een koppel pletterstenen van ca. 1,8 m diameter en de bijbehorende standaard met kamwiel en inschakel-mechanisme. Het onderste gedeelte van de centrale koningsspil en de lantaarn voor de aandrijving van de kollergang, alsook het taatslager op de nog aanwezige doch verschoven balk voor het dragen van de centrale koningsspil zijn verdwenen. Rechts van de grote ingang was vroeger tegen de muur een grote scheluwen molentrap gebouwd om naar de graanzolder te gaan. Momenteel is alleen het gedeelte van deze trap boven de halfzolder nog aanwezig. Verder werd aan de rechterkant van de hoofdingang een venster dicht gemetseld en werd aan de noordwestkant de kleine toegangsdeur tot venster omgebouwd. 3. HALFZOLDER Op een hoogte van 3,5 m boven de huidige vloer bevindt zich nu de halfzolder, gedragen door een zware moerbalk in de noord-zuidrichting en kinderbalken naar de voorkant (oostkant). In principe beslaat deze zolder slechts 1/3 van de totale doorsnede. Hij is thans toegankelijk via een bijgeplaatste open metalen trap. De ijzeren trapleuning behorend bij deze trap loopt verder door langs de open halfzolder als balustrade. Op deze halfzolder bevindt zich aan de zuid-oostkant een buitendeur die toegang geeft tot het plat dak boven het restaurantgedeelte. Aan de N-O-kant is het bovenste gedeelte van de oude scheluwen trap om naar de graanzolder te gaan nog aanwezig. Deze trap is echter zeer sterk vermolmd a.g.v. aantasting door houtborende insekten en is niet meer veilig om te betreden. 4. GRAANZOLDER Deze zolder met een binnendiameter van ca. 6,9 m bevindt zich op 3,5 m boven de halfzolder en dit is dus 7 m boven het gelijkvloers. Op de graanzolder bevinden zich drie zware balken. Twee moerbalken voor het dragen van de kinderbalken van de meelzolder en één zware balk voor het ondersteunen van de horizontale metalen aandrijfas met een conisch kamwiel met 19 kammen waarmee vroeger de koningsspil, via een daarop centraal gemonteerd conisch kamwiel met 73 kammen, werd aangedreven door de stoommachine / locomobiel en later door de dieselmotor en waarmee ook de opgestelde hulpwerktuigen werden aangedreven. Deze balken zijn allen in zeer slechte staat en op diverse plaatsen reeds gestut. Op deze graanzolder zijn er twee rondboog raamopeningen (zuidoostkant en noordwestkant) met een afmeting (dagmaat) van ca. 1,40 x 0,8 m, die nu wind- en regendicht zijn gemaakt met een glas en/of kunststofplaat. Boven het trapgat van deze zoldervloer bevindt zich tegen de muur aan de noordoostkant een scheluwen trap om naar de meelzolder te gaan die 3,0 m hoger ligt. Deze trap is ook in zeer slechte staat en niet meer veilig om te betreden. 5. MEELZOLDER De meelzolder met een binnendiameter van ca 6,6 m die 3,0 m boven de graanzolder is gelegen komt daarmee op een hoogte van 10 m boven de huidige gelijkvloer en dat is dus 10,5 m boven het vroegere maaiveld. Aan de zoldering van de meelzolder zijn de pasbruggen bevestigd van de drie steenkoppels alsook de bijbehorende meelgoten en meelbakken. Twee meelgoten zijn opgesteld tegen de muur (zuidwestkant en noordkant) en één centraal naast de koningsspil.De deuren naar de vroegere stelling bevinden zich aan de noordoost- en zuidwestkant. Deze aan de noordoostkant is met een houten paneel afgesloten en deze aan de zuidwestkant is dichtgemetseld. Op deze zolder bevinden zich ook twee rondboog raamopeningen (zuidkant en noordkant) die eveneens wind- en regendicht zijn gemaakt. Van op de meelzolder kan men zich met een scheluwen trap, die opgesteld is juist boven het trapgat, naar de steenzolder begeven. 6. STEENZOLDER Deze zolder met een binnendiameter van ca. 6,0 m bevindt zich op 3,0 m boven de meelzolder (dit is dus 13 m boven de huidige gelijkvloer). Op de steenzolder is op de centrale metalen koningsspil een groot sterrewiel met 50 kammen gemonteerd voor het aandrijven van de drie steenkoppels. De twee steenkoppels opgesteld aan de zuid- en noordkant zijn voorzien van een Franse steen met respectievelijk een diameter van 1,8 m en 1,5 m. Aan de westkant is ook nog een 3de steenkoppel, met een grauwe monoliet basaltsteen en een diameter van 1,4 m aanwezig. De bijbehorende lantaarnen (2) en kamwiel (1) voor de aandrijving zijn sterk vermolmd. De volledige steenkuipen met bijbehorende onderdelen zijn nog aanwezig doch sterk aangetast en vermolmd. Er staat verder nog een restant van een vroegere Franse samengestelde molensteen zonder ballast met een dikte van ± 10 cm en diameter ± 1,8 m, in zeer dubieuze toestand op de doorgezakte vloer tegen de muur aan de noord kant. Op de steenzolder zijn nog twee galgen aanwezig met:" Draadspindel en bijbehorende moer en sleutel " Twee paar beugels (voor twee verschillende steendiameters) waarvan echter de bijbehorende pennen en rondellen zijn verdwenen. Op deze zolder zijn er vier halfboog-raamopeningen die thans ook wind- en regendicht zijn gemaakt.Op de steenzolder is de centrale metalen koningsspil, die met een glijkussen op zijn plaats wordt gehouden, op ± 30 cm boven de vloer en tussen de meelkisten, voorzien van een zware viertakt ontkoppelunit. Van op de steenzolder kan men met een scheluwen trap, die tegen de muur boven het trapgat is aangebracht en in slechte toestand verkeert, de hijszolder bereiken die 3 m hoger is gelegen. 7. HIJSZOLDER De hijszolder met een binnendiameter van 5,5 m bevindt zich op 3 m boven het vloerniveau van de steenzolder (dit is 16 m boven de huidige gelijkvloer). Op de hijszolder staat nog een verplaatsbare, sterk vermolmde en gebroken windas voor het uitnemen van de klauwijzers. 8. LUIZOLDER Deze zolder met een binnendiameter van 5,2 m bevindt zich op 2,1 m boven de hijszolder (dit is 18,1 m boven de huidige gelijkvloer).Op de luizolder is nog een vrij volledig riem-sleepluiwerk aanwezig dat bestaat uit een systeem met twee boven elkaar geplaatste riemschijven. Beide riemschijven met een diameter van ca. 65 cm zijn verbonden met een lederen riem die in rust niet is aangespannen. De onderste houten riemschijf (drijfwiel) is bevestigd op een houten as voorzien van een poppenwiel met 16 poppen dat permanent meedraait in een kroonwiel met 27 kammen dat bevestigd is op de centrale koningsspil. De tweede riemschijf in metaal is bevestigd op een daarboven liggende houten as (dit is de luias waarop ook het klauwwiel is bevestigd) en dat los kan draaien bij niet ingeschakelde toestand. Het luien zelf gebeurt door de draagbalk (lagerbalk) van de luias aan de kant van de riemschijf op te tillen waardoor de loshangende riem opgetrokken wordt en zich aanspant tegen het drijfwiel en zodoende de luias doet meedraaien. Het optillen van de draagbalk gebeurt via een hefboom (wipstok) en een commandokoord. 9. KAPZOLDER Na het verdwijnen van de kap zijn hier op de kapzolder alleen nog de sterk aangetaste vaste berriebalken van de zetel aanwezig. Daar deze in het verleden te zwak bleken te zijn voor het dragen van de kap werd vroeger (juiste datum niet bekend) een ondersteuning aangebracht met behulp van een zwaar en versterkt ijzeren I-profiel, met een afmeting van 30 x 12,5 cm, in de noord-zuidrichting. Om een steunpunt te bekomen voor deze ijzeren draagbalk werd aan de zuidkant het venster van de kapzolder voor ¾ dichtgemetseld. Op het uiteinde van de vier balken, die sterk verrot zijn, staan nog acht sterk verweerde muurstijlen die verbonden zijn aan de onderring. Deze sterk aangetaste onderring met doorgeroeste metalen loopband rust op de enigszins uitgebrokkelde kroon van de molenkuip. De molenkuip zelf is afgedekt met een noodkap die gemonteerd is op de onderring en bedekt is met een roofinglaag. In deze noodkap zijn twee luiken aangebracht die de toegang tot het dak mogelijk maken en waarvan Monumentenwacht Vlaanderen regelmatig gebruik maakt bij hun inspectie. 10. KONINGSSPIL De huidige metalen koningsspil, die in 1939 werd gemonteerd (info Chr. Devyt), is een zware ijzeren as met een diameter van ±10 cm, bestaande uit zes delen en vijf koppelingen. De bovenste koppeling bevindt zich op de hijszolder en is een beweegbare klauwkoppeling terwijl onderaan op het niveau van de halfzolder er nog een halve flenskoppeling te zien is. Op de graanzolder is er ook een flenskoppeling aanwezig waaraan het conisch kamwiel is vastgemaakt dat in verbinding staat met een horizontale transmissie-as. Van het bovenste deel van de koningsspil, dat vermoedelijk bestond uit twee stukken, ontbreekt het stuk waarop het karbonkelwiel (de wieg) gemonteerd was en dat met zijn top in een ijzerbalk draaide. Het onderste stuk van dit bovenste deel, dat nu nog aanwezig is, is eigenlijk een groot en zeer zwaar aandrijfijzer waarop nu nog een kroonwiel gemonteerd is waarmee de lui werd aangedreven. Dat aandrijfijzer draagt de inscriptie "Sabbe 1866".Op de hijszolder zit dit aandrijfijzer in een klauwkop die op het lagere asgedeelte gemonteerd is en zodoende een beweegbare verbinding maakt, waardoor elke zijdelingse belasting op de centrale as, die kan ontstaan bij het verkruien van de kap en het draaien van het gevlucht, wordt opgevangen.Onderaan de koningspil, waaraan de lantaarn was bevestigd voor de aandrijving van de kollergang, is er een flens waaraan een extra asstuk heeft gezeten dat rustte in een taatspot, gemonteerd op een zware draagbalk die de koningsspil droeg. Deze taatspot en het onderste deel van de koningsspil alsook de lantaarn zijn verdwenen.Op de graan-, meel-, steen- en hijszolder zijn op vloerniveau glijkussens gemonteerd die de koningsspil centraal gepositioneerd houden. Deze glij-centreerkussens zijn voorzien van schroef-vetpotten.
3. Blikseminslag, nacht van 16 op 17 juli 1865 "Dezen nacht, omtrent den 12 ure en dan voorts het overig van den nacht, is eenen zwaren donder, vergezeld door vervaerlyke hemellichten, over onze stad en omliggende plaetsen uitgeborsten, tusschen in dat eenen weldoenden regen onze hovingen en landen, door eene droogte van omtrent dry maenden verdort is komen besproeijen. Wy hebben niet vernomen dat het onweder eenige schade in onze stad aengericht heeft, maer men heeft ons verhaeld dat de bliksem, een der moleneinden van den olie- en graenmolen, behoorende den heer Matthys, olieslager en koopman te S. Pieters, gehuchtte Zandweghe, heeft bereikt en verder nog andere schade aen den molen heeft toegebragt, alsook een peerd in eene weide te Dudzeele, heeft doogeslagen." Gazette van Brugge en der provincie West-Vlaenderen, 72ste jaargang, nr. 84, maandag 17 juli 1865, p. 2, kol. 3 (L. Denewet).
Literatuur
Luc Devliegher, "De molens in West-Vlaanderen", Tielt/Weesp, 1984 (Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, 9); Jeroen Cornilly, "Monumentaal West-Vlaanderen. Beschermde monumenten en landschappen in de provincie West-Vlaanderen. Deel II"; M. Coornaert, "De topografie, de geschiedenis en de toponimie van St.-Pieters-op-de-Dijk tot 1899", Brugge, 1972; M. Commeyne, "De Zandwegemolen werd opnieuw een stellingmolen!", in: West-Vlaams Molenblad, XX, 2004, nr. 2, p. 65-66; M. Commeyne & Chr. Debusschere, "Opbouw en plaatsing van de kap van de Zandwegemolen", in: West-Vlaams Molenblad, XX, 2004, p. 4, p. 179-183; Marc Commeyne, "De Zandwegemolen van Sint-Pieters-Brugge doorliep de weg van raming tot gunning", in: Mededelingenblad Werkgroep West-Vlaamse Molens, XIX, 2003, nr. 2, p. 73-75; Johan Ballegeer, "Molens in de Zwinstreek", in: Rond de Poldertorens, 47ste jg., 2005, nr. 2, p. 39-75; H. De Vuyst, "Hout werkt", in: M&L, Monumenten, Landschappen & archeologie, tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Brussel jg. 24, nr. 4, p.-8-21, ill. J.P. Esther, "Beschermde moumenten in Brugge: de Zandwegemolen", Brugs Ommeland, 1988, nr. 4, p. 239. Maurits Coornaert, "De windmolens in de parochie Sint-Pieters-op-de-Dijk", in: Brugs Ommeland, 1984, 1, p. 15.
|