Molenzorg
Sint-Pieters-op-den-Dijk (Brugge), West-Vl...
Naam

Zandwegemolen

Ligging Oude Oostendse Steenweg 91
8000 Sint-Pieters-op-den-Dijk (Brugge)

Sint-Pieters


toon op kaart
Geo positie 51.225868, 3.193780
Eigenaar Te koop (2018, 2019)
Gebouwd 1860
Type Stenen stellingmolen
Functie Koren- en oliemolen
Kenmerken Zeer hoge romp
Gevlucht/Rad Geklinknagelde roeden (2005), vlucht 26,40 meter
Inrichting Kollergang op het gelijkvloers, drie maalstoelen
Toestand Maalvaardig
Bescherming M: monument,
27.10.1982
Molenaar Geen
Openingstijden Gesloten
Internet bron

Zandwegemolen

<p>Zandwegemolen</p>

Foto: Frans van Unen, Eindhoven, 13.10.2005  

Beschrijving / geschiedenis

De oudst bekende molen van Sint-Pieters bij Brugge verschijnt in 1368. Die maalde niet alleen graan, maar plette ook oliehoudende zaden. De "Oliemolen A" stond op de heerlijkheid het Sijseelse, bij het knooppunt van de Zandweg en de Poelweg A, 500 meter ten noordwesten van Schipstale. De molen is in de 15de eeuw verdwenen.
De "Oliemolen B" bestond reeds in 1398: "de zydelinghe te stoppene tusschen der olyemuelnen ende Lippins Brunen". Die molen bevond zich in het ambacht Zuienkerke, op de westzijde van de Lisseweegse Watergang, even ten noorden van de Zeven Eiken Brug. De molen is vermoedelijk ca. 1500 in onbruik geraakt.
De Sint-Hubrechtsmolen stond net binnen het Sijseelse, langs de Molenweg B. Die kan beschouwd worden als de opvolger van de Oliemolen A, die 1 km zuidelijker gestaan had. De Sint-Hubrechtsmolen verschijnt in 1456, en is in de troebelen op het einde van de 16e eeuw tenondergegeaan.
In de rustige periode omstreeks 1610 begon men in de meeste parochies weer molens op te richten. De opvolger van de Sint-Hubrechtsmolen was de Zandwegmolen A. Die werd gebouwd op een perceel van Sint-Donaas, even ten oosten van de Zandweg (= Oostendse Steenweg): vermeld in 1693 als "Zandtweghe meulen".

In de Gazette van Gend van 19 februari 1781 verscheen de volgende verkoopsadvertentie: "Sint-Pieters-op-den-Dijk. Overslag van eenen schoonen koornwindmolen, genaemd Zandwegemolen".

Eén van de pachters-molenaars was Jacobus-Franciscus Cattoor, zoon van Lieven en van Joanna Vermeir. Hij werd op 29.8.1773 te Dudzele gedoopt. Zijn peter was Frans De Knock, zijn meter Kathelijne Vanden Bussche. Hij ging op de Grote Dorpsmolen van Dudzele werken bij Jacob Pauwaert en werd verliefd op de molenaarsdochter Martha-Victoria Pauwaert, die zijn vrouw werd. Hij ging zich te Knokke vestigen, waar hij het molenaarsbedrijf uitoefende en er tot in 1828 verbleef. Daar werden zijn dertien kinderen geboren.

Van Knokke verplaatste hij zijn werkterrein naar St-Pieters-op-de-Dijk, waarschijnlijk op de "Zandwegemolen". Hij overleed op 27.12.1842. Zijn echtgenote was daar reeds op 6.12.1830 gestorven.

Uit zijn huwelijk met Martha Pauwaert werden de volgende kinderen geboren:
Martha, geboren te Knokke op 27.8.1806. Peter: haar oom Bernardus Cattoor; meter: tante Anna Pauwaert.
Theresia, geboren te Knokke op 1.10.1807 en er op 10.5.1811 overleden. Peter: een Baervoets; meter: grootmoeder Martha De Bruyckere. Ten huize had zij reeds de nooddoop ontvangen van Petronella Quintens.
Joanna-Victoria, geboren te Knokke op 4.1.1809. Peter: nonkel Franciscus, alias Bernardus Cattoor; meter: Theresia Geyle. Op 2.7.1833 trad zij te Sint-Pieters-op-de-Dijk in het huwelijk met Jacobus-Petrus Bruselle, zoon van Jacob en van Anna Van Hove. Zij overleed te Varsenare op 1.9.1836.
Livinus-Jacobus, geboren te Knokke op 20.10.1810 en overleden te St-Pieters op 22.5.1829. Peter: nonkel Corneel Pauwaert; meter: tante Francisca Cattoor.
Franciscus, die volgt.
Jacobus-Bernardus, °Knokke op 10.7.1815. Peter: Nonkel Vitalis Pauwaert,; meter: tante Isabella Cattoor.
Justina, °Knokke op 11.1.1817.
Joannes-Franciscus, °Knokke p 10.9.1818.
Constantinus, °Knokke op 26.12.1819.
Ludovicus, °Knokke op 23.9.1821.
Joseph, °Knokke op 25.9.1823.
Rosalie, °Knokke op 25.5.1825.
Theresia, geboren te Knokke 12.8.1827 en er overleden 8.3.1828.

Franciscus Cattoor, zoon van Jacobus en van Martha Pauwaert, werd te Knokke geboren op 14 februari 1814. Hij deed zijn legerdienst bij de kurassiers die te Brugge in garnizoen lagen. Aldaar kreeg hij kennis met Maria-Theresia Maes, de dochter van Maximiliaan en van Marie Laforce, een kantwerkstertje dat hij tot vrouw nam. Tijdens zijn huwelijk deed zich voor Franciscus een erristige moeilijkheid voor. Zijn met Maria Maes wettelijk aangegaan huwelijk scheen in feite wettelijk ongeldig te zijn. Zijn echtgenote immers kreeg op een goede morgen bericht om zich voor de militieraad (de toenmalige loting) aan te bieden. Hij was met een vrouw van het mannelijk geslacht gehuwd. Hoe kon dit nu? Heel eenvouclig: de geboorteakte van Maria Maes vermeldde “kind van het mannelijk geslacht" een lapsus die bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 6 augustus 1845 werd rechtgezet. Alzo was en bleef Franciscus wettelijk getrouwd.

Franciscus Cattoor woonde in de Bidderstraat nr. 30, (E 14/15) en oefende het beroep uit van werkman molenaar. Met een ezeltje trok hij dagelijks naar Sint-Pieters om er zijn beroep uit te oefenen voor een karig loon plus een half-stenenbrood in natura. Franciscus Cattoor overleed op 15 december 1869. Zijn vrouw stierf op 9 juli 1886 en liet acht kinderen na.

Met de dood van Franciscus Cattoor eindigt hier een meer dan acht generaties oude molenaarstraditie. Vier van de vijf zonen, Jacobus-Leopold, Adolf, Alfons en Gustaaf, hadden het beroep van rijtuigschilder gekozen; de vijfde en jongste van allen Theofiel, ging in het drukkersbedrijf zijn kost verdienen. Van de drie dochters van Franciscus was de oudste, Prudentia, getrouwd met een met een metselaar; de tweede, Anna, is jong gestorven; de derde, Romanie, overleed als jongedcohter op 92-jarige leeftijd. De nazaten van deze generatie vindt men thans te Brugge, Sint-Andnies, Mechelen en Brussel.

In 1860 richtte Louis Matthys een stenen graan- en oliewindmolen op naast de Zandwegherberg, ongeveer tegenover de Zandwegmolen A. De molen werd verkocht op 11 april 1878 aan Jacques De Langhe, die hem in september 1883 opnieuw heeft verkocht aan Isidoor Matthys, handelaar te Sint-Pieters-op-den-Dijk. Op 14 juli 1894 werd door het gemeentebestuur van Sint-Pieters aan Isidoor Matthys een nieuwe 30-jarige vergunning voor de uitbating van de molen verleend en bij de archiefstukken van deze vergunning werd een inplantingsschets van de molen en de bijgebouwen teruggevonden, echter zonder verdere technische bouwinformatie over de molen zelf.

Op 16 juli 1865, rond 23 uur, was er blikseminslag op de roeden en veroorzaakte ook nog andere beschadiging.

Na het overlijden van Isidoor Matthys (29-10-1901) en zijn echtgenote Nathalie Van Hove ( 08-07-1904) kwam de molen in het bezit van de familie Constantinus Van Hove - Amelie Mermuys die als vaste molenaar voor hun Zandwegemolen Jules Caene in dienst namen. Na het overlijden van Constantinus Van Hove op 30 juni 1923, werd de molen in huur genomen door Jules Caene en op verzoek van zijn echtgenote Marie Louise De Brabander werd op 23 augustus 1923 een prezie opgemaakt van al het roerende en draaiende werk van de Zandwegemolen door August Peel. Deze prezie geeft ons een zeer goed overzicht van de uitrusting van de molen in 1923 en vormde dan ook de basis voor de uitwerking van het restauratiedossier.

In 1932, in volle crisistijd, werd de molen grondig opgeknapt met o.a. een vernieuwde kap, een nieuw kruiwerk, drie koppels nieuwe stenen, waarvan één met een diameter van 1,8 m, een nieuwe windpulm, een banesteen, een nieuwe staartbalk en een kruiketting van 44 m. Ook werd er een nieuwe binnenroede geplaatst en werd de buitenroede hersteld. Volgens deze gegevens werd er in 1939 ook nog een nieuwe metalen standaard met een totale lengte van ca. 20 m geplaatst, die werd samengesteld uit zes stukken en één ontkoppeling. Als bovenste stuk werd een zwaar staakijzer met de vermelding SABBE 1866 gebruikt.

Op donderdag 7 september 1944 draaide de molen toen rond 15 u een zeer hevige wind opkwam en Jules Caene de molen niet kon vangen. Toen hij trachtte het kruis te kruien, werd de kap uit de zetel gelicht, versmeet het kruis zich en brak de askop in drie stukken. Bij het neervallen van het gevlucht werd een deel van de stelling meegesleurd. Om na dit ongeval, net na de bevrijding, toch verder te kunnen malen werd door Jules Caene opdracht gegeven om de molen van een noodkap te voorzien en een dieselmotor op te stellen op het gelijkvloers waarmee verder werd gemalen tot het begin van de jaren zestig.

Gerard Stevens kocht de molen op 3 oktober 1969 aan. Hij richtte hem in als bar en trok rond de molen een restaurant en feestzaal op, waardoor de Zandwegemolen op 25 juli 1970 officieel een horeca-uitbating werd.

De molen werd op 27 oktober 1982 bij ministrieel besluit beschermd als monument. In 1985-1986 gaf de toenmalige eigenaar Marc Vermeersch de opdracht aan architect Paul Goethals uit Brugge (1933-2011) voor het uitwerken van een project voor de maalvaardige restauratie van de Zandwegemolen. Dit project werd in de voorbereidende fase echter stopgezet. Wel werd in 1986 de romp hervoegd.

Op 27 april 1995 kocht de familie Commeyne uit Roeselare de molen en horecazaak aan, waarbij de uitbating werd toevertrouwd aan Johan Commeyne (Roeselare 07.02.1968 - Brugge 07.04.2018). Zij lieten in 2003-2005 een zeer grondige maalvaardige restauratie uitvoeren. De molenromp werd hersteld door aannemer Arthur Vandendorpe uit Sint-Michiels, terwijl de molenbouwers Roland en Kris Wieme het molentechnisch werk op zich namen. Op 10 november 2004 werd de nieuwe kap en staart geplaatst. De nieuwe geklinknagelde roeden, aangebracht op 23 maart 2005, hebben een vlucht van niet minder dan 26,40 meter! De inhuldiging van de maalvaardige molen voltrok onder grote belangstelling op 30 april / 1 mei 2005.

Marc COMMEYNE & Lieven DENEWET

<p>Zandwegemolen</p>

Foto: Donald Vandenbulcke, Staden

<p>Zandwegemolen</p>

Plaatsing molenkap op 10.11.2004. Foto: Chr. Debusschere

<p>Zandwegemolen</p>

Foto: Christiaan Debusschere, Kortemark, 2001

<p>Zandwegemolen</p>

Foto voor 1944. Verzameling Ons Molenheem

<p>Zandwegemolen</p>

De kollergang. Foto: Herman Vanhoutte, Wevelgem

Aanvullende informatie

Gazette van Brugge en der provincie West-Vlaenderen,  72ste jaargang, nr. 84, maandag 17 juli 1865, p. 2, kol. 3.
Blikseminslag, nacht van 16 op 17 juli 1865
"Dezen nacht, omtrent den 12 ure en dan voorts het overig van den nacht, is eenen zwaren donder, vergezeld door vervaerlyke hemellichten, over onze stad en omliggende plaetsen uitgeborsten, tusschen in dat eenen weldoenden regen onze hovingen en landen, door eene droogte van omtrent dry maenden verdort is komen besproeijen. Wy hebben niet vernomen dat het onweder eenige schade in onze stad aengericht heeft, maer men heeft ons verhaeld dat de bliksem, een der moleneinden van den olie- en graenmolen, behoorende den heer Matthys, olieslager en koopman te S. Pieters, gehuchtte Zandweghe, heeft bereikt en verder nog andere schade aen den molen heeft toegebragt, alsook een peerd in eene weide te Dudzeele, heeft doogeslagen."

Jaarlijks aantal asomwentelingen:

2004:          0
2005: 267.000
2006: 312.604
2007: 231.479
2008: 201.197
2009: 151.296
2010:   62.215
2011:

Intekendatum: 12.03.2003, 17 u.
Molen: Brugge - Sint-Pieters (W.-Vl.), Zandwege-molen - stenen stellingmolen met kollergang
Bouwheer: Zandwegemolen bvba (familie Commeyne
Ontwerper:  Arch.  Jan  Debuyck,  Wevelgem;  ir. Marc Commeyne, Roeselare
Opdracht:  Aanvraag  tot  deelneming  aan  de  beperkte aanbesteding voor de maalvaardige restauratie
perceel 1: ruwbouwwerken (herstel en afwerking molenkuip, inclusief inlegnissen en plaatsing volgens richtlijnen molenbouwer van de door hem geleverde moer- en draagbalken; o/cat. D24, kl. 2
perceel 2: schrijnwerken (ramen, deuren, brandwerende vloer en wand)
perceel 3: molentechnische werken (demontage, levering en begeleiding plaatsing moer- en draagbalken, plaatsing kinderbalken en gewone zoldervloeren, opbouw gaanderij, molengedeelte [gaande en staande werk + hulpwerktuigen], loopvloer en wand toegang bezoekers); o/cat. D23, kl. 2
perceel 4: bliksembeveiliging (installatie bliksemafleider); o/cat. T2, kl. 2
perceel 5: droge blusleiding
perceel 6: molentrappen
perceel 7: elektrische installatie en rookdetectie
perceel 8: schilderwerken (gekaleite buiten- en binnenkant molenkuip); samen 400 kalenderdagen
Plaats aanbesteding: Restaurant Zandwegemolen, Oude Oostendse Steenweg 91 te 8000 Brugge
Toewijzing:
Perceel 1: nv Vandendorpe Arthur, Sint-Michiels, €114.381,66
perceel 2: A 2 Z Renovatie, Zedelgem, €15.105
perceel 3: Molenbouw Wieme, Zulte, €584.485,38  
perceel 4: Helebliz, Moerkerke, €2.337,69  
perceel 5: De Bosscher Raoul, Gent, €4.919
perceel 6: Adriaens Molenbouw bv, Weert, €14.135
perceel 7: BES (Brugse Elektro Service), €8.807,93
perceel 8: nv Vandendorpe Arthur, Sint-Michiels, €18.447,13 (bedragen excl. BTW)

--------------------------------------------

Bouwhistorische nota van de Zandwegemolen, opgesteld ten behoeve van het restauratiedossier. (Belangrijke opmerking: de molen is thans wederom compleet ingericht en maalvaardig).

1. MOLENKUIP

De Zandwegemolen is een stenen stellingmolen met een rechtlijnige conische kuip en twee versnijdingen van ½ steen, één ter hoogte van de graanzolder en één ter hoogte van de meelzolder. De kuip met een hoogte van 22,10 m vanaf het maaiveld en een binnendiameter onderaan van 8,25 m is daarmee één van de hoogste molens van West-vlaanderen. Opm: Bij de inrichting van het gelijkvloers, behorend bij de horecazaak, werd het vloerniveau binnen de molen verhoogd met ca. 35 cm t.o.v. het vloerniveau van het vroegere woonhuis van Jules CAENE naast de molen. De dorpel hiervan, met hoogte van 15 cm is nu nog aanwezig, waardoor de totale hoogte van de stenen kuip tot het maaiveld op 22,10 m komt (t.o.v. een huidige binnenhoogte van 21,60m). H totaal kuip 22,10 m = 21,60 m + 0,35 m + 0,15 m.

In de molen zelf zijn geen referenties terug te vinden van het bouwjaar, doch de bouwaanvraag ingediend door Louis MATTHYS op het einde van 1859, met een officiële publikatie aan de bevolking op 1 januari 1860 en de goedkeuring ervan op 7 februari 1860 door de gemeenteraad van Sint-Pieters-op-den-Dijk, zijn thans nog bewaard in de stadsarchieven van stad Brugge. De bouwplannen en/of bouwgegevens zelf zijn echter verdwenen.

De molen heeft een halfzolder, die zich op 3,5 m boven de huidige vloer bevindt. Daarboven bevinden zich nog zes hogere zolders, nl. de graanzolder, de meelzolder, de steenzolder, de hijszolder, de luizolder en de kapzolder, waarbij de graanzolder op 3,5 m boven de halfzolder ligt. Onderaan is de binnendiameter 8,25 m met een buitendiameter van 9,75 m. De muren zijn beneden ca. 75 cm dik (3½ steen). Bovenaan is de binnendiameter 4,6 m en hebben de muren een dikte van ca. 45 cm (2 stenen) waardoor de buitendiameter ± 5,5 m wordt. De bakstenen (Boomse klampstenen) hebben een formaat van ca. 21 x 10 x 5 cm (10 lagen = 60 cm).Op het niveau van de meelzolder, dit is op een hoogte van 10 m boven de huidige vloer of 10,5 m boven het vroegere maaiveld, bevond zich de houten stelling die thans volledig verdwenen is.

Sedert het ongeval van 7 september 1944, waarbij de volledige molenkap door een orkaan werd afgerukt en neervallend ook de stelling heeft meegesleurd, werd de kuip afgedekt met een noodkap en werden de deuren op de meelzolder naar de stelling afgesloten (De deuropening aan de noordoostkant werd dichtgemaakt met een houten paneel en deze aan de zuidwestkant werd dichtgemetseld). Alle onderdelen van de molenkap met gevlucht, molenas, vangwiel en vangsysteem, kruisysteem met spruiten, schoren, staart met kruihaspel, alsook de volledige stelling zijn verdwenen.

2. GELIJKVLOERS

Op het gelijkvloers, nu deel van de horecazaak, staat de oorspronkelijke kollergang er nog met een doodsbed en een koppel pletterstenen van ca. 1,8 m diameter en de bijbehorende standaard met kamwiel en inschakel-mechanisme. Het onderste gedeelte van de centrale koningsspil en de lantaarn voor de aandrijving van de kollergang, alsook het taatslager op de nog aanwezige doch verschoven balk voor het dragen van de centrale koningsspil zijn verdwenen. Rechts van de grote ingang was vroeger tegen de muur een grote scheluwen molentrap gebouwd om naar de graanzolder te gaan. Momenteel is alleen het gedeelte van deze trap boven de halfzolder nog aanwezig. Verder werd aan de rechterkant van de hoofdingang een venster dicht gemetseld en werd aan de noordwestkant de kleine toegangsdeur tot venster omgebouwd.

3. HALFZOLDER

Op een hoogte van 3,5 m boven de huidige vloer bevindt zich nu de halfzolder, gedragen door een zware moerbalk in de noord-zuidrichting en kinderbalken naar de voorkant (oostkant). In principe beslaat deze zolder slechts 1/3 van de totale doorsnede. Hij is thans toegankelijk via een bijgeplaatste open metalen trap. De ijzeren trapleuning behorend bij deze trap loopt verder door langs de open halfzolder als balustrade. Op deze halfzolder bevindt zich aan de zuid-oostkant een buitendeur die toegang geeft tot het plat dak boven het restaurantgedeelte. Aan de N-O-kant is het bovenste gedeelte van de oude scheluwen trap om naar de graanzolder te gaan nog aanwezig. Deze trap is echter zeer sterk vermolmd a.g.v. aantasting door houtborende insekten en is niet meer veilig om te betreden.

4. GRAANZOLDER

Deze zolder met een binnendiameter van ca. 6,9 m bevindt zich op 3,5 m boven de halfzolder en dit is dus 7 m boven het gelijkvloers. Op de graanzolder bevinden zich drie zware balken. Twee moerbalken voor het dragen van de kinderbalken van de meelzolder en één zware balk voor het ondersteunen van de horizontale metalen aandrijfas met een conisch kamwiel met 19 kammen waarmee vroeger de koningsspil, via een daarop centraal gemonteerd conisch kamwiel met 73 kammen, werd aangedreven door de stoommachine / locomobiel en later door de dieselmotor en waarmee ook de opgestelde hulpwerktuigen werden aangedreven. Deze balken zijn allen in zeer slechte staat en op diverse plaatsen reeds gestut.

Op deze graanzolder zijn er twee rondboog raamopeningen (zuidoostkant en noordwestkant) met een afmeting (dagmaat) van ca. 1,40 x 0,8 m, die nu wind- en regendicht zijn gemaakt met een glas en/of kunststofplaat.

Boven het trapgat van deze zoldervloer bevindt zich tegen de muur aan de noordoostkant een scheluwen trap om naar de meelzolder te gaan die 3,0 m hoger ligt. Deze trap is ook in zeer slechte staat en niet meer veilig om te betreden.

5. MEELZOLDER

De meelzolder met een binnendiameter van ca 6,6 m die 3,0 m boven de graanzolder is gelegen komt daarmee op een hoogte van 10 m boven de huidige gelijkvloer en dat is dus 10,5 m boven het vroegere maaiveld. Aan de zoldering van de meelzolder zijn de pasbruggen bevestigd van de drie steenkoppels alsook de bijbehorende meelgoten en meelbakken.

Twee meelgoten zijn opgesteld tegen de muur (zuidwestkant en noordkant) en één centraal naast de koningsspil.De deuren naar de vroegere stelling bevinden zich aan de noordoost- en zuidwestkant. Deze aan de noordoostkant is met een houten paneel afgesloten en deze aan de zuidwestkant is dichtgemetseld. Op deze zolder bevinden zich ook twee rondboog raamopeningen (zuidkant en noordkant) die eveneens wind- en regendicht zijn gemaakt. Van op de meelzolder kan men zich met een scheluwen trap, die opgesteld is juist boven het trapgat, naar de steenzolder begeven.

6. STEENZOLDER

Deze zolder met een binnendiameter van ca. 6,0 m bevindt zich op 3,0 m boven de meelzolder (dit is dus 13 m boven de huidige gelijkvloer). Op de steenzolder is op de centrale metalen koningsspil een groot sterrewiel met 50 kammen gemonteerd voor het aandrijven van de drie steenkoppels. De twee steenkoppels opgesteld aan de zuid- en noordkant zijn voorzien van een Franse steen met respectievelijk een diameter van 1,8 m en 1,5 m. Aan de westkant is ook nog een 3de steenkoppel, met een grauwe monoliet basaltsteen en een diameter van 1,4 m aanwezig. De bijbehorende lantaarnen (2) en kamwiel (1) voor de aandrijving zijn sterk vermolmd. De volledige steenkuipen met bijbehorende onderdelen zijn nog aanwezig doch sterk aangetast en vermolmd. Er staat verder nog een restant van een vroegere Franse samengestelde molensteen zonder ballast met een dikte van ± 10 cm en diameter ± 1,8 m, in zeer dubieuze toestand op de doorgezakte vloer tegen de muur aan de noord kant. Op de steenzolder zijn nog twee galgen aanwezig met:" Draadspindel en bijbehorende moer en sleutel " Twee paar beugels (voor twee verschillende steendiameters) waarvan echter de bijbehorende pennen en rondellen zijn verdwenen. Op deze zolder zijn er vier halfboog-raamopeningen die thans ook wind- en regendicht zijn gemaakt.Op de steenzolder is de centrale metalen koningsspil, die met een glijkussen op zijn plaats wordt gehouden, op ± 30 cm boven de vloer en tussen de meelkisten, voorzien van een zware viertakt ontkoppelunit. Van op de steenzolder kan men met een scheluwen trap, die tegen de muur boven het trapgat is aangebracht en in slechte toestand verkeert, de hijszolder bereiken die 3 m hoger is gelegen.

7. HIJSZOLDER

De hijszolder met een binnendiameter van 5,5 m bevindt zich op 3 m boven het vloerniveau van de steenzolder (dit is 16 m boven de huidige gelijkvloer). Op de hijszolder staat nog een verplaatsbare, sterk vermolmde en gebroken windas voor het uitnemen van de klauwijzers.

8. LUIZOLDER

Deze zolder met een binnendiameter van 5,2 m bevindt zich op 2,1 m boven de hijszolder (dit is 18,1 m boven de huidige gelijkvloer).Op de luizolder is nog een vrij volledig riem-sleepluiwerk aanwezig dat bestaat uit een systeem met twee boven elkaar geplaatste riemschijven. Beide riemschijven met een diameter van ca. 65 cm zijn verbonden met een lederen riem die in rust niet is aangespannen. De onderste houten riemschijf (drijfwiel) is bevestigd op een houten as voorzien van een poppenwiel met 16 poppen dat permanent meedraait in een kroonwiel met 27 kammen dat bevestigd is op de centrale koningsspil. De tweede riemschijf in metaal is bevestigd op een daarboven liggende houten as (dit is de luias waarop ook het klauwwiel is bevestigd) en dat los kan draaien bij niet ingeschakelde toestand. Het luien zelf gebeurt door de draagbalk (lagerbalk) van de luias aan de kant van de riemschijf op te tillen waardoor de loshangende riem opgetrokken wordt en zich aanspant tegen het drijfwiel en zodoende de luias doet meedraaien. Het optillen van de draagbalk gebeurt via een hefboom (wipstok) en een commandokoord.

9. KAPZOLDER

Na het verdwijnen van de kap zijn hier op de kapzolder alleen nog de sterk aangetaste vaste berriebalken van de zetel aanwezig. Daar deze in het verleden te zwak bleken te zijn voor het dragen van de kap werd vroeger (juiste datum niet bekend) een ondersteuning aangebracht met behulp van een zwaar en versterkt ijzeren I-profiel, met een afmeting van 30 x 12,5 cm, in de noord-zuidrichting. Om een steunpunt te bekomen voor deze ijzeren draagbalk werd aan de zuidkant het venster van de kapzolder voor ¾ dichtgemetseld.

Op het uiteinde van de vier balken, die sterk verrot zijn, staan nog acht sterk verweerde muurstijlen die verbonden zijn aan de onderring. Deze sterk aangetaste onderring met doorgeroeste metalen loopband rust op de enigszins uitgebrokkelde kroon van de molenkuip.

De molenkuip zelf is afgedekt met een noodkap die gemonteerd is op de onderring en bedekt is met een roofinglaag. In deze noodkap zijn twee luiken aangebracht die de toegang tot het dak mogelijk maken en waarvan Monumentenwacht Vlaanderen regelmatig gebruik maakt bij hun inspectie.

10. KONINGSSPIL

De huidige metalen koningsspil, die in 1939 werd gemonteerd (info Chr. Devyt), is een zware ijzeren as met een diameter van ±10 cm, bestaande uit zes delen en vijf koppelingen. De bovenste koppeling bevindt zich op de hijszolder en is een beweegbare klauwkoppeling terwijl onderaan op het niveau van de halfzolder er nog een halve flenskoppeling te zien is.

Op de graanzolder is er ook een flenskoppeling aanwezig waaraan het conisch kamwiel is vastgemaakt dat in verbinding staat met een horizontale transmissie-as. Van het bovenste deel van de koningsspil, dat vermoedelijk bestond uit twee stukken, ontbreekt het stuk waarop het karbonkelwiel (de wieg) gemonteerd was en dat met zijn top in een ijzerbalk draaide. Het onderste stuk van dit bovenste deel, dat nu nog aanwezig is, is eigenlijk een groot en zeer zwaar aandrijfijzer waarop nu nog een kroonwiel gemonteerd is waarmee de lui werd aangedreven. Dat aandrijfijzer draagt de inscriptie "Sabbe 1866".Op de hijszolder zit dit aandrijfijzer in een klauwkop die op het lagere asgedeelte gemonteerd is en zodoende een beweegbare verbinding maakt, waardoor elke zijdelingse belasting op de centrale as, die kan ontstaan bij het verkruien van de kap en het draaien van het gevlucht, wordt opgevangen.Onderaan de koningspil, waaraan de lantaarn was bevestigd voor de aandrijving van de kollergang, is er een flens waaraan een extra asstuk heeft gezeten dat rustte in een taatspot, gemonteerd op een zware draagbalk die de koningsspil droeg. Deze taatspot en het onderste deel van de koningsspil alsook de lantaarn zijn verdwenen. Op de graan-, meel-, steen- en hijszolder zijn op vloerniveau glijkussens gemonteerd die de koningsspil centraal gepositioneerd houden. Deze glij-centreerkussens zijn voorzien van schroef-vetpotten.

--------------------

Noël Lagast, Etienne Beernaerts & Hilaire Derycke, “Innoverende industrieel ingenieurs”, een uitgave van de Vlaamse Ingenieurskamer, 2009, p. 219-227.

Ing. Marc Commeyne ( Rumbeke, 1937)

Industrieel ingenieur en meester-molenaar Collega Marc Commeyne studeerde voor industrieel ingenieur elektronica aan de BME-CTL-Hogeschool in Gent, de vroegere Lindelei. Hij begon zijn loopbaan in 1961 bij Philips in Roermond en Eindhoven (Nederland). Daarna schakelde hij over naar Philips Roeselare als hoofd van de productieontwikkeling voor foliecondensatoren. Later werd hij verantwoordelijke voor productkwaliteit en testlaboratoria.

In 1998 volgde hij een cursus voor vrijwillige molenaars bij de Werkgroep WestVlaamse Molens. Oktober 2000 werd hem het diploma overhandigd van meester-molenaar met de grootste onderscheiding.

Industrieel ingenieur en meester-molenaar Marc Commeyne laat de gerestaureerde Zandwegemolen weer draaien

BRUGGE. Vaak gaan wetenschappelijke en technologische praktische kennis hij industrieel ingenieurs hand in hand. Die kenmerken heeft Ing. Marc Commeyne MSc uit Roeselare in hoge mate. Van 1961 tot 1998 werkte hij bij Philips, het vroegere MBLE, in Roeselare. In het vooruitzicht van zijn pensioen werd hij niet alleen molenaar, maar aan de rand van Brugge kocht hij ook de Zandwegemolen die hij volledig liet restaureren. De molen ligt in de nabijheid van het AZ-ziekenhuis. Het terug functioneel maken van de maalinrichting is een hoogstandje van techniek, van uniek vakmanschap, van management en knowhow en van ingenieurkunde. Sinds anderhalf jaar is de Zandwegemolen open voor het publiek. Hij is zeker een bezoek waard, temeer omdat collega Commeyne u laat kennismaken met de vele technische en onbekende aspecten van een molen. En dat is een wereld op zichzelf. Embryonale belangstelling We hadden met hem een afspraak in de molenaarsherberg aan de Oude Oostendse Steenweg in Brugge, aan de voet van de statige en hoogste molen van Vlaanderen. Collega Marc Commeyne ( Rumbeke, 1937) studeerde voor industrieel ingenieur elektronica aan de BMECTL-Hogeschool in Gent, de vroegere Lindelei. Zijn twee broers zijn eveneens industrieel ingenieur. De ene koos voor de richting scheikunde in Gent, de andere voor de richting elektromechanica in Oostende. Hun vader was in Rumbeke een zelfstandige elektricien en in de streek van Roeselare een belangrijke installateur van grote elektrische motoren, die na de Tweede Wereldoorlog vrij snel de aandrijvingen door de wind- en stoomkracht overnamen. Hun moeder hield een winkel van elektriciteitsartikelen, timmerwaren, huishoudgerief en landbouwgereedschappen. De drie broers hadden de hectische leefwereld van hun ouders als zelfstandigen van heel dichtbij meegemaakt. "Ze werkten dag en nacht", zegt Marc. "De drie kinderen wilden niet in hun voetsporen treden en dus besloten we om na ons middelbaar onderwijs voort te studeren. Alle drie kozen we voor de studie van industrieel ingenieur. In plaats van te voetballen en te ravotten sloeg ik als tiener uren het productieproces van lijnzaadolie gade in de olieslagerij van de familie De Brabander in Rumbeke. De eerste installatie van grote elektrische motoren in olieslagerijen en molens liggen zeker aan de basis van mijn bijzondere belangstelling voor molens. Dat waren soms motoren van een paar kubieke meter, grote 'beesten' die voor de centrale aandrijving van de machines zorgden. In Rumbeke, nu een deelgemeente van Roeselare, stonden destijds 14 molens. We wonen nu op 300 meter afstand van de Kadzandmolen, de enige molen die in Rumbeke is overgebleven. De installatie van elektrische motoren in molens, het volkse leven van de molenaar, het typische molenwerk met luien, malen en builen en de geboden ruimte voor een gemoedelijke babbel, was een ander sprekend voorbeeld voor mijn embryonale belangstelling voor molens."

Veel talent

Collega Marc Commeyne werkte als industrieel ingenieur 37 jaar bij Philips Roeselare. Eerst werkte hij een tijdje bij Philips in Roermond en Eindhoven. Daarna werd hij hoofd van de productieontwikkeling voor foliecondensatoren in Roeselare en later verantwoordelijke voor productkwaliteit en testlaboratoria. Philips Roeselare hielp hij mee oprichten. Ooit stelde het bedrijf ruim mensen tewerk, vandaag werken er nog amper een honderdtal. Marc is een rasechte industrieel ingenieur, een duivel-doet-al, een volbloed, die tijdens zijn humaniorastudies geluidsversterkers in elkaar stak en later thuis zijn eigen labo voor elektronicatoepassingen uitbouwde om wat bij te verdienen. De apparatuur van dat labo heeft hij nog altijd. Hij heeft een neus voor praktijk. Dat, samen met zijn enorme handigheid, liet hem toe om niet alleen de ruwbouw van zijn eigen woning af te werken, maar ook nog de ruwbouw van een appartementenblok met drie appartementen volledig af te werken: schrijnwerk, sanitair, centrale verwarming en elektrische installatie. In de molenaarsherberg waar we het interview hebben, toont hij enkele eigen realisaties en die zijn niet van de minste. Toen hij na een spoedopname en hartoperatie met vijf overbruggingen in 1995 met een zeer goed resultaat opnieuw zijn werk bij Philips kon hervatten, begon hij te beseffen dat hij best ook aan zijn pensioen zou beginnen denken. Hij besloot om op 62-jarige leeftijd met brugpensioen te gaan. De bezige bij wou niet in het bekende zwart gat vallen. Maar daar heeft hij nooit last van gehad, integendeel. Voor Marc begon een nieuw en al met al intens leven: dat van molenaar. Ontdekking van mijn leven In 1995, drie jaar voor het einde van zijn loopbaan als industrieel ingenieur bij MBLE en Philips Roeselare, werd Ing. Marc Commeyne geconfronteerd met een stoere, onthoofde, maar anderzijds zeer waardevolle stenen stellingmolen uit "Dat was eerder toevallig", zegt hij. "Toen mijn zoon Johan besloot om een eigen horecazaak uit te bouwen, viel zijn keuze op de Zandwegemolen, waar al een restaurant en een feestzaal aan waren verbonden. We besloten om de molen maalvaardig te restaureren. Naast kennis van restauratie was er ook heel veel kapitaal nodig." Vanuit zijn vroegere professionele loopbaan waren enthousiasme en doorzettingsvermogen voor Marc geen probleem. De derde pijler - dossierkennis ontbrak, maar dat werd in een paar jaar volledig bijgewerkt. "In 1986 had de vorige eigenaar een restauratiedossier samengesteld, maar van de restauratie was niets in huis gekomen. De molen heeft een heel lange geschiedenis. Die gaat in zijn stenen uitvoeringsvorm - als stellingmolen dus - terug tot De molen veranderde vaak van eigenaar. Molens behoorden destijds toe aan gegoede mensen. In september 1944 werd de molenaar 's namiddags verrast door een plots opkomende, zware storm, terwijl de molen draaide. Hij kon de molen niet snel genoeg stoppen. Toen hij probeerde de kap met het wiekenkruis uit de wind te draaien, brak de askop in drie stukken en verloor de molen zijn kap. De wieken - of in vaktermen de buitenroede -vielen op de zolder van het achterste gedeelte van het huis en de binnenroede haalde een deel van de gaanderij neer. De herstelling zou veel Ing. Marc Commeyne & Ing. Noël Lagast geld kosten. Dus plaatste men een noodkap en de molen kreeg een dieselmotor. In 1969 bouwde men aan de molen een restaurant en een feestzaal. Daarbij werd de kuip met een noodkap uit asfaltpapier dichtgenageld. Het water begon met de jaren binnen te sijpelen met alle gevolgen van dien, maar de onderdelen van de molen zijn gelukkig bewaard gebleven. Zo kon ik heel wat waardevolle informatie voor het dossier verzamelen. In 1995 kocht de Zandwegemolen bvba het complex aan. Mijn zoon, Johan, is daar de zaakvoerder van. De Zandwegemolen was de ontdekking van mijn leven, al ben ik niet met de molen getrouwd." Ingenieur -meester-molenaar De Zandwegemolen is sinds 1982 een beschermd monument. Het merkwaardige is dat de molen geen eigendom is van de gemeente of de provincie, maar van een privépersoon. Collega Commeyne is daar heel terecht bijzonder fier en gelukkig over. Het restauratieproject werd heel professioneel aangepakt, met kennis en deskundigheid. Marc begon begin 1998 een cursus voor vrijwillige molenaars te volgen bij de Werkgroep West-Vlaamse Molens. Zijn dochter Ann, die voor een instelling voor mentaal mindervaliden werkt, volgde spontaan in zijn voetsporen. Met veel inzet volgden ze beiden de praktijkstage van minstens 100 uur. Vader Marc deed er nog een flink aantal uren bovenop. Het werden er ruim 470. Elke zondag bezochten ze molens, gingen ze praten met een dertigtal jonge en oudere molenaars en luisterden ze naar hun wel en wee.

"Hun verhalen gingen voor 90 procent over het weer en voor 10 procent over het wel van de molen en de molenaar", zegt Marc. Eind oktober 2000 overhandigde de West-Vlaamse gouverneur Paul Breyne aan vader en dochter het diploma van meester-molenaar met de grootste onderscheiding. Voor Engelse bezoekers is hij een 'master-miller'. We voegen eraan toe dat collega Commeyne een MSc in molenaarskunde is. Projectbeheer: een goede trekker Een windmolen is een zeer kwetsbare machine. Leren omgaan met die mastodont van de techniek is één zaak, maar het kostbare monument restaureren is even belangrijk. Marc en Ann schreven zich na hun molenaarsopleiding in voor een projectopleiding, georganiseerd door de Koning Boudewijnstichting en de Vlerickschool voor management. Het thema was 'projectbeheer van cultureel erfgoed'. Ze kregen er waardevolle basisregels over de aanpak en de uitwerking van een restauratieproject. Een van de basisregels was: 'zorg voor een goede trekker'. Commeyne: "Een goede trekker is iemand die het project ook effectief trekt, er met hart en ziel tegenaan gaat en er de nodige tijd voor heeft. Hij moet een goed projectteam samenstellen, efficiënte vergaderingen houden en voor continuïteit zorgen. De ploeg moest volgens de cursusleider bestaan uit specialisten op het vlak van restauratie en bouwtechniek, architectuur, geschiedenis en archeologie. Er moesten ook mensen in worden opgenomen die kennis hebben van administratie en juridische aspecten. Begin 1999 hebben we ons restauratieteam samengesteld. Ik benoemde mezelf tot trekker en projectcoördinator." Restauratiedossier De volgende stap was de voorbereiding van het restauratiedossier. Collega Commeyne kon daarvoor een beroep doen op de broers Guido en Herman Peel. Die hadden hun molenbouwbedrijf stopgezet, omdat ze geen opvolgers hadden en ze konden hun bijzonder rijke ervaring ten dienste stellen zonder deontologische belemmeringen. De openbare aanbesteding was een groot probleem. Je kan immers niet zelf een aannemer kiezen, ook al zou je dat willen. Een openbare aanbesteding gebeurt via het Staatsblad. Je moet ook een raming maken. Je maakt nogal wat mee. Ik stelde spoedig vast dat er voor molens maar weinig geschikte architecten zijn, maar dat er wel veel slechte of heel slechte architecten voor bestaan. De slechten zijn diegenen die je zeggen dat ze van molens niets afweten, er ook nooit iets over hebben geleerd, maar toch bereid zijn voor je te werken en te luisteren naar mensen die het wel weten. De hele slechten zijn zij die denken dat ze van molens iets afweten en die graag de molenbouwer, de vakman, de les spellen. Wie is daar dan het slachtoffer van? Je kan het al raden: degene die moet betalen. Ik heb mijn architect de opdracht gegeven om enkel de tekeningen te maken, zoals ik de restauratie, eigenlijk een reconstructie, wou uitgevoerd zien. Ik zou immers zelf het project leiden. Je moet er ook voor zorgen dat de raming voldoende is en dat ze correct is. Je stopt daar onnoemelijk veel energie in. Aan mijn dossier heb ik zelf twee jaar gewerkt, in nauwe samenwerking met de dienst Monumenten en Landschappen, afdeling Industrieel Erfgoed van de Vlaamse Gemeenschap. In 2000 ben ik mijn dossier gaan afgeven in Brussel. Nog geen week later kreeg ik al het antwoord dat toenmalig minister Van Grembergen mijn dossier gunstig zou ondertekenen. Mijn geluk kon niet op. Het restauratiebedrag bedroeg uiteindelijk euro of 32 miljoen oude Belgische franken, zonder btw. De duurste restauratie ooit, zo vernam ik later. 80 procent wordt gesubsidieerd, waarvan 50 procent door het Vlaams Gewest, 15 procent door de provincie en 15 procent door de stad Brugge. 20 procent bleef te onzen laste. Dat werd uiteindelijk een flink stuk meer wegens de kosten voor de architect, de veiligheidscoördinator, de zware jaarlijks terugkerende brandverzekering en de exploitatie van de zaak."

De uitvoering

De molen die veertig jaar niet meer had gewerkt, moest bouwkundig en molentechnisch volledig hersteld worden. Praktisch al het houtwerk moest worden vervangen, omdat het aangetast was door houtborende insecten, schimmelvorming en verrotting. Bij de reconstructie is het vakmanschap voor de traditionele molenbouw erg belangrijk. De familie Commeyne had bovendien de bedoeling om op kleine schaal graan te malen. In 2003 begon de ontmanteling van de molen. Alles werd gedemonteerd en getransporteerd naar de werkhuizen van de firma Roland Wieme in Deinze. Samen met Rolands zoon Kris zijn ze nog één van de vier bekende molenbouwers in België, die het ambachtelijk beroep uitoefenen zoals zoveel eeuwen geleden. Drie molenbouwers schreven in voor mijn openbare aanbesteding. Eén blies het af. De tweede was de Nederlandse firma Adriaens en de derde was de firma Roland Wieme. Jammer dat sommige restaurateurs tegenwoordig meer als manager optreden en soms meer oog hebben voor hun centen dan voor hun vakmanschap. Vakmensen kijken immers prioritair naar hun werk. De mensen die bij de firma Wieme werken zijn echte vakmensen, voor wie ik een grote bewondering en eerbied heb. De hele restauratie verliep naar mijn zin. De firma heeft bijzondere prestaties geleverd en voortdurend blijk gegeven van vakmanschap. Stielmannen weten wat ze moeten doen. Ze hebben bijzonder weinig detailaanwijzingen nodig. Ze werken correct en minutieus. Een molen is een amalgaam van technisch vernuft, waar een vakman koning is." Inhuldiging De restauratiewerken duurden twee jaar. Met een academische zitting in de feestzaal vond op zaterdag 30 april 2005 de officiële ingebruikneming van de maalvaardige molen plaats. Iedereen wou er bij zijn: de staatssecretaris, de gouverneur, burgemeester, schepenen, vertegenwoordigers van de Vlaamse Gemeenschap en de provinciale Molencommissie, de vele vrienden en sympathisanten. Collega Commeyne hield een opgemerkte toespraak, schetste de geschiedenis van de restauratie en dankte even enthousiast zijn vrouw Maria, de kinderen, de vele medewerkers en de talrijke andere aanwezigen. Het grote publiek, circa bezoekers, kwamen de dag daarop aan de beurt. De molen werd namelijk op zondag 1 mei officieel opengesteld voor het grote publiek, dat daarbij van een hapje en een drankje kon genieten in de grote tent vòòr de molen. Over het gebeuren mijmert hij met ons even genoeglijk na. "Sinds de opening kregen we ongeveer bezoekers over de vloer. Op de recente Open Monumentendag telden we 174 bezoekers. Ik geef telkens een uitleg van ongeveer anderhalf uur. Een molen leeft pas door zijn bezoekers. Een molenaar die geen bezoekers over de vloer krijgt, houdt het niet lang vol. Men kan genoeg molens bezoeken. Maar wat heeft de bezoeker eraan, als hij geen uitleg krijgt of enkel de uitleg op papier meekrijgt. De meeste molens zijn slechts open gedurende 2 halve dagen per maand of enkel tijdens de zomerperiode. Ze worden vaak opengehouden door vrijwillige molenaars, die door onvoldoende ondersteuning vanuit de gemeente die eigenaar is van de molen, hun enthousiasme verliezen. Dat is geen goede zaak voor die molens. Wie een privé-molen heeft en daarin persoonlijk geld heeft geïnvesteerd, voelt zich natuurlijk met hart en ziel betrokken. Als particuliere molenbezitter moet ik erover waken dat de bezoeker aan zijn trekken komt. Ik geef niet alleen wat technische uitleg, ik geef ook wat wijsheid mee, bijvoorbeeld over granen waarmee men brood bakt. Ons brood is er inzake voedingswaarde soms slecht aan toe. Over mijn opvolging denk ik meer en meer na. Door rugproblemen werd ik onlangs een tijdje op non-actief gezet. Huismolenaar Ann heeft me dan zo goed als mogelijk vervangen." Slag van de molen "Sommige mensen vragen me soms schamper of ik geen slag van de molen heb gekregen. Je kent wel dat gezegde. Ik ben natuurlijk zeer begaan met deze molen. Ik moet die machine voortdurend beter leren kennen. Ik moet het lawaai van de molen horen. Elk geluid leer ik kennen of tracht ik toch te ontrafelen. Voortdurend wil ik kennis verzamelen. Dat is een typische reactie van een ingenieur. Ingenieurs moeten niet dromen, maar zich afvragen waarom gebeurt dit zus of zo. Ze moeten uit hun bevindingen bijstellingen aanbrengen. Daarom hou ik een dagboek bij. Voor mezelf maak ik ook een verslag over het gedrag van de molen." Indrukwekkende 'machine De graanmolen van de familie Commeyne is indrukwekkend. Wie door het raam van op een van de zeven verdiepingen het circa 26,5 meter lang gevlucht met zijn twee wieken voor het eerst ziet en hoort voorbijrazen, schrikt wel even. Vanaf het maaiveld gemeten bedraagt de nokhoogte van de molen 26 meter met een conische stenen kuip van 22 meter. Een deel van het restaurant is ondergebracht in de molenkuip op de benedenverdieping, die een binnendiameter heeft van ruim 8 meter. Tijdens de rondleiding ontpopt collega Commeyne zich tot een gedreven en gepassioneerd verteller. De ingenieur voelt zich uitstekend in zijn element tussen de wonderlijke wereld van touwen, katrollen, luiken, raderen en molenstenen. Voor de veiligheid laat hij niets aan het toeval over. Voortdurend houdt hij de snel heid van de wieken of roeden in de gaten. Marc is immers geen voorstander van stilstaande wieken. Weer of geen weer, de molen moet draaien. Alhoewel, het is altijd goed oppassen geblazen. De molenaar moet immers voorkomen dat de molen op hol slaat. Het maximale toerental bedraagt 20 toeren per minuut. De molenaar drukt dat in enden uit. 20 toeren per minuut komt overeen met 80 enden. Als het toerental 100 enden bedraagt, dan kan men het aantal enden eigenlijk ook niet meer tellen. De activiteit van een gerestaureerde en door de overheid gesubsidieerde molen wordt via het jaarlijks aantal toeren door de provincie West-Vlaanderen opgevolgd. Daarvoor is een toerenteller bovenaan op de molenas aangebracht. Molens draaien in Vlaanderen gemiddeld toeren per jaar. De wieken van Marc s Zandwegemolen hebben het eerste anderhalf jaar asomwentelingen gemaakt, wat neerkomt op een jaargemiddelde van toeren per jaar. "Mijn beste herinnering over mijn molenaarsbedrijf". zegt Marc, "is de voldoening dat heel mijn opzet met de molen, die tenslotte mijn passie is, volledig volgens het tijdsschema is verlopen, zoals ik het heb geprogrammeerd." Een minder goede herinnering houdt hij over aan bepaalde onderaannemers die in opdracht van de hoofdaannemers deeltaken hebben uitgevoerd. "In mijn dossier stond nochtans dat elke aannemer moest hebben bewezen dat hij vakbekwaam was. Hoofdaannemers kijken te veel uit naar onderaannemers, die het werk het goedkoopst kunnen uitvoeren. De gevolgen zijn navenant. Maar ik ontken niet dat we al met al nog steeds in Vlaanderen over uitstekende vakmensen beschikken." Benarde toestand Onlangs verzeilde hij bijna in een benarde situatie, toen de wind plots opstak, terwijl hij aan bezoekers uitleg aan het geven was. De wieken waren half bezeild. Er was heel de dag geen wind geweest en de molen draaide dus niet. Plots zag hij, volledig onverwacht toch het centraal kamwiel in beweging komen. In één minuut begon dat almaar sneller te draaien. "Ik vroeg de mensen om zo vlug mogelijk op een veilige afstand van het draaiende kamwiel plaats te nemen. Zelf rende ik met een kloppend hart de trappen af om de molen stil te leggen. Na drie minuten was alles voorbij en viel de molen weer stil. Een felle kortstondige en onvoorziene lokale windstoot was de oorzaak. Gelukkig bleef het bij wat schrikken. Het weer kan men niet voorspellen. De molenaar moet zeer waakzaam zijn en altijd bij zijn molen blijven." Molenaars van alle leeftijden We vragen onze collega of windmolens om graan te malen geen zaak zijn voor een oudere generatie. "Helemaal niet. Zowel jonge mensen als oudere hebben belangstelling voor windmolens. Dat neemt zelfs toe. De jongste gediplomeerde molenaar in Vlaanderen was eind 2000 pas 18 jaar, toch wel een minimumleeftijd om het diploma van meester-molenaar te behalen. Mensen interesseren zich meer en meer voor molens en voor ons industrieel erfgoed in het algemeen. Als ons waardevol erfgoed op de een of andere manier wordt nuttig gemaakt, dan is dat ook een stukje van de vooruitgang. Uit het verleden kan men namelijk heel veel leren. Sinds ik me met molens ging bezighouden, heb ik ontzettend veel nieuwe zaken bijgeleerd en dat was voor mij zeker niet alleen op technisch vlak. Je hoeft helemaal geen ingenieur te zijn om een bekwame molenaar te zijn. Ik ken zowel mensen van de gemeentelijke groendienst als dokters, handarbeiders als leraars, technisch geschoolden als pedagogisch opgeleiden die met succes gedreven en gediplomeerd molenaar zijn geworden."

Korenmolen De Zandwegemolen kan alle soorten graan malen. Marc Commeyne houdt het bij tarwe. Het meel verkoopt hij aan particulieren, niet aan bakkers. De graankorrels worden gebroken en gemalen tussen een vastliggende onderste molensteen en een daarboven draaiende steen die in hoogte instelbaar is en samen met de onderste steen een steenkoppel vormen. De beide steenkoppels van de Zandwegemolen hebben een diameter van respectievelijk 1,5 en 1,6 meter. De contactvlakken van de stenen zijn gegroefd. Men gebruikt 'Franse samengestelde stenen', 'grauwe monolieten basaltstenen' of later ook 'kunststenen'. De molen heeft twee steenkoppels, die worden aangedreven door een centrale metalen as met een diameter van 10 cm, de koningsspil. Daarop is een groot sterrenwiel met 50 kammen - het spoorwiel -gemonteerd. De molenaar zorgt ervoor dat het gevlucht steeds loodrecht op de wind staat, Daarvoor moet de molenaar de hele kap van de molen, compleet met molenas, kamwielen en vanginstallatie verdraaien of 'kruien'. Dat gebeurt met een lier onderaan de staart van de molen. De windkracht en het benodigd vermogen bepalen de zeilvoering. Bij een kleine windsnelheid moeten de zeilen ver op de wieken of roeden worden uitgerold. Na het loshalen van de rem kan de molenaar aan de slag. Het loshalen van de rem noemt men in molenaarstermen 'het lichten van de vang'. Eerst worden met behulp van het luiwerk - de hijsinstallatie de zakken graan omhooggetakeld en op de steenzolder in een graanbak met trechter - de schuddebak - boven de molenstenen gestort. Dan wordt de bovenste draaiende steen neergelaten op de vaste onderste steen. Dat noemt men het dichtleggen. Een verdieping lager op de meelzolder wordt het meel in zakken opgevangen. Voedselarm wit brood en 'fopbrood' Over ons hedendaags wit brood is Marc niet te spreken. Na de Tweede Wereldoorlog gingen de industriële molens, bloemmolens genoemd, zich specialiseren in het opvoeren van het maalrendement. Men maalt het graan niet meer met stenen, maar men breekt het met metalen trommels. Daardoor ondergaan de tarwekorrels een ander proces. Als we een tarwekorrel bekijken, dan kunnen we ons moeilijk voorstellen dat die tot een poedervormige stof kan worden verwerkt. Een tarwekorrel is opgebouwd uit een meellichaam, wandlagen en een kiem. De kiem is rijk aan olie en bevat veel vitaminen. Het meellichaam bestaat uit een glutenmatrix die de witte bloem met veel eiwitten vasthoudt en omsloten wordt door de zemel. In industriële molens wordt het graantje geschraapt. Het wordt ontdaan van zijn buitenste laagje, het pelletje (de zemel). Die bewerking wordt in de hand gewerkt door het graan vooraf te bevochtigen. In een industriële maalderij kan men ook de kiembloem afzonderlijk recupereren. Dat product vindt speciale toepassingen buiten de broodbakkerij. De voedselwaarde van het meel en de bloem gaat zo grotendeels omlaag. Om de bloem nog witter te maken voegt men er wit krijt (calcium) en andere bleekmakers aan toe. Met een dergelijke witte bloem kan een bakker geen normaal brood meer bakken. Daarom voegt hij er een zogenaamde broodverbeteraar aan toe. Dat leidt dan tot het bekend 'wattenbrood'. De stap naar een bruin broodje is vlug gezet. Daartoe voegt men aan het deeg gebrande mout toe, zoals bij het maken van bruin bier. Maar schijn bedriegt, want de consument koopt niet het bruin vezelrijk brood, dat hij denkt te hebben gekocht, maar een gekleurd wit brood. In Nederland is het toegelaten om het wit brood te kleuren, in België is dat in principe niet toegelaten. Maar de Belgische rechtspraak gaat ervan uit dat ze de bakkers en broodfabrieken niet kan verbieden om mout bij hun recept te voegen. Momenteel werkt men aan een Europese richtlijn om de norm vast te leggen voor brood dat slechts vezelrijk mag worden genoemd, als er minstens 6 procent vezels in zitten. Het 'abdijbrood' dat men in Nederland verkoopt, komt met de 6 gram vezels dicht in de buurt van het ontwerp van de Europese richtlijn. Wit brood heeft dus weinig voedselwaarde en wie een bruin brood koopt, moet weten dat hij soms op een vals spoor zit. In Nederland noemt men dat 'fopbrood'. Meergranenbrood claimt ook niet dat het vezelrijk is, maar zegt enkel dat er verschillende granen inzitten, wat mogelijks extra vitaminen en mineralen kan opleveren".

De Zandwegemolen De Zandwegemolen is sinds 1982 een beschermd monument. Na de twee jaar durende restauratiewerken werd de molen officieel in gebruik genomen op 1 mei Deze graanmolen van de familie Commeyne is een indrukwekkende stenen stellingmolen met een rechtlijnige conische kuip. Dit uniek stukje industrieel en cultureel erfgoed staat open voor het publiek.

Literatuur

Archieven
Provinciaal Archief Brugge, Hinderlijke bedrijven, A3/A5/A7-GB/2000-52-g (maalderij, 1946)

Gedrukte bronnen
Gazette van Gend, 19.02.1781.
Gazette van Brugge en der provincie West-Vlaenderen, 17.07.1865 (jg. 72, nr. 84), p. 2, kol. 3.

Werken
K. De Flou, Woordenboek der Toponymie van westelijk Vlaanderen, Vlaamsch Artesië, het Land van den Hoek, de graafschappen Guînes en Boulogne, en een gedeelte van het graafschap Ponthieu, Brugge, 1914-1938.
Luc Devliegher, "De molens in West-Vlaanderen", Tielt/Weesp, 1984 (Kunstpatrimonium van West-Vlaanderen, 9. 
Jeroen Cornilly, "Monumentaal West-Vlaanderen. Beschermde monumenten en landschappen in de provincie West-Vlaanderen. Deel II".
M. Coornaert, "De topografie, de geschiedenis en de toponimie van St.-Pieters-op-de-Dijk tot 1899", Brugge, 1972.
M. Coornaert, Een overzicht van de molens in het Noordvrije, in: Liber Amicorum René De Keyser, Speciale uitgave, Geschied- en Heemkundige Kring Sint-Guthago, 1985, p. 43-78.
M. Commeyne, "De Zandwegemolen werd opnieuw een stellingmolen!", in: West-Vlaams Molenblad, XX, 2004, nr. 2, p. 65-66;
M. Commeyne & Chr. Debusschere, "Opbouw en plaatsing van de kap van de Zandwegemolen", in: West-Vlaams Molenblad, XX, 2004, p. 4, p. 179-183;
Marc Commeyne, "De Zandwegemolen van Sint-Pieters-Brugge doorliep de weg van raming tot gunning", in: Mededelingenblad Werkgroep West-Vlaamse Molens, XIX, 2003, nr. 2, p. 73-75;
Johan Ballegeer, "Molens in de Zwinstreek", in: Rond de Poldertorens, 47ste jg., 2005, nr. 2, p. 39-75;
H. De Vuyst, "Hout werkt", in: M&L, Monumenten, Landschappen & archeologie, tweemaandelijks tijdschrift van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Brussel jg. 24, nr. 4, p.-8-21, ill.
J.P. Esther, "Beschermde moumenten in Brugge: de Zandwegemolen", Brugs Ommeland, 1988, nr. 4, p. 239.
Maurits Coornaert, "De windmolens in de parochie Sint-Pieters-op-de-Dijk", in: Brugs Ommeland, 1984, 1, p. 15
Esther J.P., "Beschermde monumenten in Brugge: de Zandwegemolen", Brugs Ommeland 1988 4 239.
"Provinciale draaipremie voor ambachtelijke molens. Aantal asomwentelingen van West-Vlaamse molens in 2004-2009", in: /West-/Vlaams Molenblad, XXVI, 2010, 3, p. 115-118.
"Aantal asomwentelingen van West-Vlaamse molens in 2010", in: /West-/Vlaams Molenblad, XXVII, 2011, 1, p. 50.

Persberichten
A.V., "Radioamateur Louis Vanhoucke neemt deel aan Belgian Mill Award Contest. "We kunnen levens redden", in: Krant Van West-Vlaanderen editie Zeewacht - 03-09-2010.
TVH, "Zandwegemolen als nieuw", in: Brugsch Handelsblad, 03.06.2011.
"vtbKultuur bezoekt Zandwegemolen", Brugsch Handelsblad, 31.01.2014.
MMB, "'Diabetesvriendelijke' chef-kok (50) overleden", Het Laatste Nieuws, 09.04.2018.
“Zaakvoerder Zandwegemolen Brugge onverwacht overleden”, hetnieuwsvandaag.be (08.04.2018)
Redactie KW, "Ondervoorzitter Brugse Diabetesliga Johan Commeyne (50) is overleden", KW online, 09.04.2018.
"Johan Commeyne op z’n vijftigste plots overleden", Brugsch Handelsblad, 13.04.2018.


Laatst bijgewerkt: maandag 24 juni 2019
Stuur uw teksten over deze molen Stuur een (nieuwe) foto van deze molen  

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in databasezoek op provincieStuur een e-mail over molen <p>Zandwegemolen</p>, Sint-Pieters-op-den-Dijk (Brugge)homevorige paginaNaar Verdwenen Molens