|
Beschrijving
/ geschiedenis
De vallei van de Zwadderkotmolen is één van die plekjes die gelukkig door de moderne tijd vergeten zijn. Sinds vele eeuwen is de molen het lievelingsplekje van de dorpsjeugd geweest. Zij kwamen hier ploeteren (=zwadderen) in het water van de Ooschebeek.
De Ooschebeek wordt gevormd door de Amelbergabeek, de Spouwaterbeek en de Borrebeek. De Amelbergabeek ontspringt aan de gelijknamige bron en kapel ten westen van de Dorpsplaats van Mater, de Spouwaterbeek aan de bronnen van de brouwerij Roman, de Borrebeek ontspringt dichtbij deze brouwerij, aan de grens met Sint-Maria-Horebeke. Na op het grondgebied van Welden (Oudenaarde) enkele kleinere beekjes te hebben opgenomen, vloeit de Ooschebeek een honderd meter ten zu iden van de Zwalmmonding in de Schelde.
Deze watermolen werd vermeld in de inventaris van de baronie van Schorisse, door Arnold van Gavere in 1456 opgemaakt: "gelicht uyt sijne majesteytscamere van rekeningen tot Rijsel". De molen komt voor in de penningkohieren van 1571 en was toen een oliemolen: "een oelyc ollecot up een beke staende". "Gillis van den Gucht houdt in pachte, tj(ae)rs 18 p(onden) par(isis)." In 1571 was er tevens een oliemolen. Al die tijd werd hier lijn- en raapzaad verwerkt tot olie. Getuigen hiervan zijn de vroegere kantstenen die men op de parking vindt en de olievlek op de steunbalk waar vroeger de as "gesmout" werd. In 1809 werd de Zwadderkotmolen omgevormd tot een graanmolen. De molen was dan in het bezit van baron Legillan van Bassegem uit Brugge. Landbouwer-molenaar Judocus Janssens vroeg in 1852 de toestemming voor de oprichting van een oliewatermolen naast zijn reeds bestaande graanwatermolen. Er waren geen bezwaarschriften. Het college van burgemeester en schepenen van Mater gaf op 16 juli 1852 een gunstig advies en het akkoord van de bestendige deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen volgde reeds op 24 juli 1852. In 1867 kwam de molen door verdeling op naam van Pierre Vanderbeken-De Cringen uit Brugge. In 1868 liet huurder José Janssens-De Schampheleire, landbouwer, een nieuwe graanmolen optrekken. In 1874 werd Desivret Celine uit Brussel de eigenares van de grond. Zij verkocht die vijf jaar later aan huurder Janssens die in 1882 verbouwingswerken liet uitvoeren. In 1890 gebeurde een verdeling ten gunste van landbouwer Janssens Theodule. De volgende eigenaar door erfenis en verdeling was brouwer Napoleon Van Coppenolle-Janssens uit Nederbrakel (1912). Gedurende de tweede wereldoorlog (1942) was het goed door verdeling ingeschreven op naam van Margareta Van Coppenolle uit Nederbrakel. Tijdens die oorlogsjaren was de molen een zegen voor de mensen uit de omgeving: "zij aten witbrood van het zwartwerk" van de molenaar en zijn kompanen. In die periode werden ook de tralies aangebracht. Vervolgens kwam de molen op naam van Michel en Louis Van Coppenolle. Rond 1965 werd het malen gestaakt (laatste molenaar: Maurits Van de Populiere) en werd de molen ingericht als herberg en een kunstgalerij. Op de feestdag van Sint-Amelberga, de patroonheilige van Mater, in 1988, begon Lieve De Smet hier haar Zwadderkot. Je kon er terecht voor een drankje of een streekgerecht zoals "paling op Materse wijze". De taverne groeide uit tot een restaurant met hedendaagse keuken.
Op 21 april 1993 werd de molen beschermd als monument en samen met zijn omgeving als dorpsgezicht. In 2002 werden herstellingswerken uitgevoerd, o.m. door 't Gebinte Molenbouw uit Erpe-Mere. Ondanks de verbouwing tot restaurant is het molengedeelte met de vier maalstoelen nog in behoorlijke staat. Het ijzeren bovenslagrad met een diameter van 2,90 meter staat helaas bijna droog en wordt door roest verteerd.
Lieven Denewet

Foto: Robert Van Ryckeghem

Foto: Thomas Piens, Zingem

Foto: Thomas Piens, Zingem

Kollergang van de vroegere oliemolen. Foto: Harmannus Noot, 13.10.2008

Foto: Archief Gazet van Antwerpen (anno 1955)
Literatuur
P. Bauters & R. Buysse, "De Oostvlaamse watermolens. Inventaris 1980", Gent, 1980 (Kultureel Jaarboek voor de provincie Oost-Vlaanderen. Bijdragen, nieuwe reeks, 11); P. Bauters, "Oostvlaams molenbestand 1986", Gent, 1985 (Kultureel Jaarboek voor de provincie Oost-Vlaanderen. Bijdragen, nieuwe reeks, 25); Julien Th. Vandeputte, "De molens van het arrondissement Oudenaarde uit hun geschiedenis", Oudenaarde, 1974; "De molens van Mater", in: De Ronsenaar, XXIV, 1967, nr. 38, p. 5; Inventaris van de wind- en watermolens in de provincie Oost-Vlaanderen naar gegevens van het Archief van het Kadaster. Derde aflevering. De arrondissementen Oudenaarde en Sint-Niklaas", in: Kultureel Jaarboek voor de provincie Oost-Vlaanderen, XVI, 1962, 2 (Gent, 1963); Herman Holemans, "Oostvlaamse wind- en watermolens. Kadastergegevens 1835-1990. Deel 5. Gemeenten M-N", Opwijk, Studiekring Ons Molenheem, 2004; J. B., "Oostvlaams Molennieuws [Molen 'Te Rullegem te Herzele; 'Tissenhovemolen' te Mater; 'Zwadderkotmolen' te Mater; Watermolen 'Ter Biest', te Nederzwalm", in: Levende Molens, jg. 9 (1987), nr. 7, p. 50-51, ill.; Robert Desart, "Les Moulins à Eau du Hainaut et des Flandres", Soignies, Lemaire, 1968, p. 113. Paul Huys, "Molen en molenaar te kijk gesteld. Molinologische opstellen II, Gent, Provinciebestuur, 1996, p. 328.
|