Molenzorg
Genk, Limburg
<p>Dorpsmolen<br />Gemeentemolen<br />Banmolen</p>
Foto: Marnix Bogaert, Marke, 22.07.2014
Naam

Dorpsmolen
Gemeentemolen
Banmolen

Ligging Molenstraat 81
3600 Genk

Molenweyer
Langs het hotel NH Genk Hotel
dicht tegen het stadspark
op de Dorpsbeek
kadasterperceel I1357


toon op kaart
Geo positie 50.964401, 5.508009
Eigenaar I. Dottori n.v.
Gebouwd Voor 1345 / ca. 1850 (verbouwd)
Type Onderslag watermolen
Functie Korenmolen
Kenmerken Wolfsdak
Gevlucht/Rad Nep-onderslagrad; tot ca. 1980 bovenslagrad!
Inrichting Verwijderd
Toestand Gerenoveerd tot taverne
Bescherming ---,
Niet beschermd, wel in vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed
Molenaar Geen
Openingstijden Als taverne
Ten Bruggencatenummer 11874

Beschrijving / geschiedenis

Langs het hotel NH Genk Hotel dicht tegen het stadspark ligt de Genkse Dorpsmolen op de Dorpsbeek. Het is een zeer oude site, die teruggaat tot in de Frankische tijd (+ 800 na C.). De molen zelf werd al vermeld in 1354. In de Middeleeuwen was het een banmolen. Alle boeren uit de omgeving waren verplicht hier hun graan te laten malen (bannum = gebod).

De Molenweyer, een langwerpige vijver, diende als vergaarbekken om de nodige waterkracht te geven aan het molenrad. Rond 1850 gebeurden belangrijke verbouwingswerken, waarbij een bovenslagrad werd geplaatst. Tekeningen uit 1848 en 1856 tonen dat duidelijk aan. De tekeningen van 1848 werd opgesteld om te voldoen aan de wetgeving op de peilnagel en in 1856 om daaraan te voldoen na de verbouwing waardoor de peilnagels niet meer volgens het eerste besluit stonden.

Tot 1366 hoorde de molen toe aan de grondheer. Daarna was hij afhankelijk van de prinsbisschop van Luik. In 1773 werd de molen gemeente-eigendom. Dat bleek een middel te zijn om uit de jarenlang juridisiche strijd met het Prinsbisdom Luik over de banaliteit te geraken. De gemeente Genk bleef eigenaar tot na 1965.

De Bestendige Deputatie van de provincie Limburg keurde op 5 mei 1848 de vastgestelde pegelhoogte van 1,150 meter goed. Waar werd de peilnagel geplaatst? Iedere watermolen had zijn specifieke inplanting, constructie, sluizen en wateraanvoersystemen, aangepast aan de plaatselijke toestand. Er kon dus geen algemene lijn getrokken worden, zodat per molen een afzonderlijk besluit werd genomen. Bij de Dorpermolen luidde dat als volgt (vertaling): "De peilnagel zal gedreven worden in een stijl van het raamwerk van de sluis van de steigering (kunstmatig aangelegde spaarvijver). De kop van de nagel (een horizontale streep die de plaat in twee deelt) zal de wettelijke hoogte van het waterpeil aangeven. Deze is gesteld op 0,958 m, negenhonderd achtenvijftig millimeter van de bovenkant stroomopwaarts de scheerlijst die rust op het metselwerk aan de puntgevel van de molen. Een tweede nagel zal geslagen worden in de puntgevel van de molen op dezelfde hoogte. De dijk aan het hoofd van de steigering zal gelijkgemaakt worden met het niveau van de peilnagel."
Deze pegelpeil aan de Genker Dorpermolen bestaat nog steeds en bevindt zich  linksboven het molenrad onder een ankerijzer. Bij de verbouwing van 1856 werd de pegel niet vernieuwd maar verplaatst. De 1 mm diepe horizontale middenstreep die het waterpeil aangaf is nog merkbaar. Normaal zou de plaat de inscriptie 1848 moeten dragen, maar wellicht verdween die onder de dikke verflaag. Deze plaat (10 x 10 cm) en nagel zijn zwart geverfd, Vroeger was het plaatje onder het lijntje blauw geverfd (verwijst naar water) en boven het streepje rood (= verbod). Deze pegel is een van de weinige overgebleven exemplaren in Limburg die getuigen van hun plaatsing rond 1848.

De Dorpsmolen werd in 1839 gepacht door Augustinus Geurts. Toen was het gebruikelijk dat het gemeentebestuur van Genk via een notaris de molen voor zes jaar liet verpachten aan de meestbiedende, dit steeds voor een termijn die begon op 24 juni, het feest van Sint-Jan. Als molenaarsknecht had hij Arnold Vaes in dienst. Deze was de zoon van Arnold en Ida Slangen en huwde te Genk op 9 november 1839 met Anna Maria Vancraybex. Zij was de dochter van Peter en Anna Maria Olaerts. Bij zijn huwelijk noteerde men "molder" als beroep.

Arnold Vaes werd op 13 april 1807 geboren te Zutendaal en zij werd op 31 december 1801 geboren te Genk. Zij overleed al op 24 februari 1870 en hij als vijfenzeventigjarige op 30 maart 1883. Het gezin woonde in het "Dorp" en volgens de bevolkingsregisters was hij in 1846 molenaar, in 1857 graanmolenaar en in 1880 landbouwer en weduwnaar.

Bij notaris Van Bockrijk te Hoeselt gebeurde op 14 april 1846 de verpachting voor een periode van zes jaar (24 juni 1846 tot 24 juni 1852). Arnold Vaes was de meestbiedende voor 990 frank per jaar met een borgtocht van 4000 frank in grondgoederen. Zijn borg was Joseph Bobbaers, die landbouwer te Gelierenn was; Volgens de overeenkomst mocht hij de Dorpsmolen alleen gebruiken en bewonen. Tevens was hij verplicht de maalprijs aan te rekenen aan 1 cent per 231 liter 34 centiliter volgens de marktprijs te Hasselt; Veel geluk bracht dhem deze pachtovereenkomst niet! De oogst in de zomer van 1846 mislukte volledig. Het was een ware roamp voor de "klein boerkes", de kleine man en natuurlijk ook voor "de molder".

Burgemeester Pieter Houben zat een vergadering voor op 25 november 1846. Een jury vergaderde over de benarde toestand om een "statistiek van den landbouw" op papier te zetten en maatregelen te nemen. Men noteerde dat de grote droogte tijdens de zomer hoogst nadelig geweest was. Rogge, boekweit, aardappelen, nagras, spurrie en evie hadden het meest geleden. Ook was de rogge aangetast door een zeker geel vocht. Men stelde en opeenvolging voor van verschillende bezaaiingen na een goede bemesting op de magere grond. Eerst aardappelen, het tweede jaar koren, het derde boekweit en het vierde spurrie of evie (veevoederplanten).

Lonen en pacht werden besproken tussen de jaren 1830 en 1846. Een werkman had een gemiddeld dagloon van 1 frank en 48 centiemen indien hij "de kost kreeg". Een vrouw verdiende gemiddeld 60 centiem of 30 centiem. De prijs van de grond was 1000 frank per hectare; de pacht was in 1830-1835 7 frank, in 1840 9 frank en in 1846 10 frank. Men noteerde ijverig dat er met "150 ossen en stieren gevaren werd"; over paarden sprak men niet. Volgens de ingezonden biljetten kwam de jury tot het volgend besluit: "De oogst van 1846 voor granen en meelachtige vruchten is: tarwe, wordt weinig gewonnen, is middelbaer, rogge 1/3, haver 1/2, boekweit maer 1/6 van een gewoon jaer, erten slechts genoeg voor zaedgoet, vlas en kemp middelbaer, aerdappelen 1/3, wortelen maer de helft, hooi en nagras 1/4 van een middelbaer jaer".

Op 17 mei 1847 verstuurde hij geen brief, maar een smeekbede naar het gemeentebestuur: "Sedert 5 à 6 maenden is er geen graan meer naar de molen gebracht door de miswas. Zelfs wordt hier brood geleverd vanuit St Truiden, terwijl anderen brood gaan kopen te Hasselt. Een ander deel van de inwoners kopen momenteel alleen zemelen, in de velden en rivieren placht men alle gewassen en kruiden om te overleven".

Als ongeletterde ondertekende hij met "X", maar wijselijk liet hij dit verzoekschrift door zeven geburen medeondertenen. Het gemeentebestuur had begrip voor deze noodsituatie en vroeg steun bij het provinciebestuur en het werd ook behandeld op de gemeenteraad. Na veelvuldige briefwisseling reageerde het provinciebestuur in november: "dat de gemeenteraad redelijk moest zijn in deze abnormale periode voor de pachter".

Arnold Vaes smeekte opnieuw: "door het gebrek aan graan- en boekwijtoogst te Genk en de omliggende gemeenten, welke nog niet de helft van een normale oogst bedraagt, levert de opbrengst van de molen niet de helft van de 90 frank pachtprijs op. Hij is verlieslatend".

Men moet toen een bepaalde regeling getroffen hebben, want Arnold Vaes stak bij de vervroegde verpachting op 23 mei 1850 opnieuw in. Deze periode liep van 24 juni 1850 tot 24 juni 1856. De vorige hoge inzet was wel gedaald tot 608 frank per jaar.

Hijzelf en Martinus Vaes, landbouwer te Papendaal (Zutendaal) stelden zich borg en solidair om elk de helft van de pachtsom te betalen.

Bij de volgende verpachting van 1856 tot 1862 was de molenaar wederom Arnold Vaes samen met Cornelis Bollen, landbouwer te Genk, elk voor de helft van de inzet 1005 frank per jaar.

Martinus Vaes zou zijn vader Arnold opvolgen. Martinus was geboren op 1 februari 1843 en huwde op 1 mei 1867 met Maria Theresia Theunissen, dochter van Jan Renier, landbouwer-brouwer, en Anna Maria Remans. Zij werd geboren op 15 juni 1844 en overleed op 5 februari 1907, terwijl hij al overleden was op 4 februari 1901. Hun gezin was gezegend met acht kinderen. Martinus Vaes was eerst molenaarsgast op de Dorpsmolen (watermolen) en werd pas na zijn huwelijk in 1867 als molenaar genoteerd.

Voor de periode van 1862-1868 zijn geen documenten voorhanden, maar voor 1868-1874 ging de verpachting voor het eerst naar Cornelis Stulens (geboren op 4 december 1833), molenaar uit Eigenbilzen.

Er kwam een verschuiving in de pachtperiodes. Op 20 augustus 1873 pachtte Vaes de watermolen opnieuw voor zes jaar, nu van 16 maart 1874 tot 1880 voor een huurprijs van 1240 frank per jaar. Hij zou door omstandigheden zijn pacht vervroegd opzeggen, want Stulens huurde vanaf 16 maart 1877 tot 1883 voor 1200 frank.

Arnold Vaes kreeg op 28 februari 1868 de toestemming van de Bestendige Deputatie van de provincie Limburg om op het grondstuk "Schramblook" achter de kerk een windmolen te bouwen.  Op 24 augustus 1868 ondertekende Arnold de bouwmachtiging en op 2 september het kantonnaal akkoord (zie verder bij: Genk, Windmolen Vaes).

De watermolen bleef in bedrijf tot in 1930. Dan werd het volledig binnenwerk verwijderd en overgebracht naar de watermolen van de abdij van Herkenrode.

In 1965 werd het molengebouw, dan nog steeds in het bezit van de gemeente Genk, vergroot en ingericht als een woonhuis. Momenteel wordt hier een drankgelegenheid uitgebaat. Van een molen is nog weinig merkbaar. Het gebouw is ingericht als taverne en er is een veel kleiner neprad geplaatst voor het uitzicht. Voorheen was het een bovenslagrad. De toevoer vanaf de aangrenzende steigering en vanaf de Molenvijver en de watervliet (coursier) naar dat rad toe is verlaagd, zodat het nieuw rad een onderslagrad is geworden. Die steigering, een authentieke constructie zoals er maar enkele meer in Limburg bestaan, ligt ongeveer 1 meter hoger dan de naastligende grote Molenvijver. De molen heeft nog één peilnagel in de gevel staan waarop het jaartal 1848 stond, evenals de lijn die het waterpeil aangaf. Vroeger was de peilnagel onder het lijntje bluw geverfd (verwijst naar water) en boven het streepje rood (= verbod).

Het Molenvijverpark (stadspark van Genk, 10 ha groot) dankt overigens zijn naam aan de vijver aan de oude dorpsmolen. Het is gelegen in de lengteas van de Dorpsvallei en omvat een tweetal vijvers waarrond er sieraanplantingen en grasvelden zijn aangelegd.

Mathieu MEUWISSEN & Lieven DENEWET

<p>Dorpsmolen<br />Gemeentemolen<br />Banmolen</p>

Foto: Donald Vandenbulcke, Staden, 04.06.2010

<p>Dorpsmolen<br />Gemeentemolen<br />Banmolen</p>

Foto: Donald Vandenbulcke, 04.06.2010

<p>Dorpsmolen<br />Gemeentemolen<br />Banmolen</p>

Oude prentkaart. Verzameling Ons Molenheem

<p>Dorpsmolen<br />Gemeentemolen<br />Banmolen</p>

Oude prentkaart. Verzameling Ons Molenheem

<p>Dorpsmolen<br />Gemeentemolen<br />Banmolen</p>

Oude prentkaart Nels (coll. R. Van Ryckeghem, Koolkerke)

Literatuur

A. Remans, "Paenhuys en Moelen te Genk in 1354", in: Limburg, XXXVIII, 1958, p. 224;
A. Remans, "Molens van Genk", in: Heidebloemke, XXI, 1961, p. 62-63 en XXII, 1962, p. 62-63, 75-83, 102-112 en 153-158;
A. Remans, "Loonse waterschepenen op visitatie te Genk in de 17de en 18de eeuw", in: Limburg, XLI, 1962, p. 23-40;
A. Remans, "Molengeschiedenis", in: Heidebloemke, XXIV, 1964, p. 193-205;
A. Remans, "De korenmolen van Genk (1345-1773)", in: Het Oude Land van Loon, XXIII, 1968, p. 41-70;
Herman Holemans & Werner Smet, "Limburgse watermolens. Kadastergegevens: 1844-1980", Kinrooi, Studiekring Ons Molenheem, 1985;
Bert Van Doorslaer, "Met de stroom mee of tegen de wind in? Molens in Limburg", Borgloon/Rijkel, Provinciaal Centrum voor Cultureel Erfgoed, 1996;
A. Geusens, "Hoe oud is de Genker Dorpermolen" in: Heidebloemke, Genk, LIV, 1995, nr. 3, p. 95-96;
L. Bogers, "De Dorpsmolen bijna Badhuis in 1943", in: "Heidebloemke", Genk, tweemaandelijks heemk. tijds., jg. 21, nr. 51 (1992), blz. 165-166;
A. Geusens en P. Driessen, "De banmolen van Genk", in: Heidebloemke, Tweemaandelijks heemkundig tijdschrift van de Heemkring Heidebloemke, Genk, jg. 43 (1984), p. 62-65;
Mathieu Meuwissen, "Genker Watermolens in 1848", in: Heidebloemke, jg. 34, 1975, nr.1, p. 7-20;
Mathieu Meuwissen, "De Steegering" (Genker dialect voor steigering ), in: Heidebloemke, jrg.58, 1999, nr.4, p.158-159;
Mathieu Meuwissen, "Restauratie Dorpermolen", in: Heidebloemke, jg. 55, 1996, nr. 2, p. 76;
Mathieu Meuwissen, "150 jaar geleden werd de banmolen verbouwd", in: Heidebloemke, jg.65 (2006), nr. 4, p. 133-135.
J. Geeraerts, "Molenvijvers, Publieke verpachting eener Watergraanmolen met aanhorigheden. Schilderlocatie - Grootse plannen - Vissen en watervogels - Stedelijke zwembad - Overstroming" in: Heidebloemke, Genk, Heemkring Heidebloemke,  jg. 68, 2009, nr. 2, april, p. 47-51.
Lucien Bogers, "De windmolen en de molenaarsfamilie Vaes", Heidebloemke, jg. 57, 1998, 1, p. 18-23.

Mailberichten
Elien Neyens, 3de jaarsstudente architectuur aan de Provinciale Hogeschool Limburg, 26.03.2010.
Frank Andrzejewski, 07.12.2014.


Laatst bijgewerkt: dinsdag 30 augustus 2016
Stuur uw teksten over deze molen Stuur een (nieuwe) foto van deze molen  

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in databasezoek op provincieStuur een e-mail over molen <?=$naam?>, <?=$plaats?>homevorige paginaNaar Verdwenen Molens