Molenzorg
Staden, West-Vlaanderen

Prentkaart 1910 (coll. Donald Vandenbulcke, Staden)
Algemeen
Collectie
Verdwenen Belgische Molens
Naam

Keiaardmolen
Keyaertmolen
Kayaardmolen
Kayaartmolen

Ligging
Kleine Veldstraat 65
8840 Staden

westzijde
dicht bij Westrozebeke
kadasterperceel B nr. 1026


toon op kaart
Type
Staakmolen met gesloten voet
Functie
Korenmolen, oliemolen
Gebouwd
1633-1677 / 1766
Verdwenen
1914 - 29 oktober: zwaar beschadigd / 1916 - juni, omgetrokken
Beschrijving / geschiedenis

De Keiaardmolen of Kayaardmolen was een houten korenwindmolen aan de westzijde van de Kleine Veldstraat (nr. 65) waar nu het bedrijf Agro Debeuckelaere (zaakvoerder: Joost Debeuckelaere-Vandenbulcke) gevestigd is, op de hoek waar de burelen zijn. De staakmolen stond op het hoogste punt van Staden, op 3,5 km ten zuidwesten van de kerk van Staden, dicht bij de grens met Westrozebeke.

Op 7 november 1633 kreeg Charles Vandermeersch de toelating van Jacques de Noyelle, hoofd van de Rekenkamer te Brussel maar ook heer van Staden en Westrozebeke, een nieuwe windmolen op de "Cayersberch" te Staden. De molenaar moest jaarlijks 3 gulden cijns betalen. Het octrooi werd in naam van de vorst gezegeld door Jacques de Noyelles, die behoorde tot dezelfde familie die ook de Loomolen en de Bergmolen van Staden in leen uitgaf.

Door de vrijwel permanente oorlogstoestand gebeurde de effectieve oprichting pas in 1677 (" 't geen om oorlog en slechten tijd maar uitgevoerd en wordt in 1677"). 

De familie Vermeersch huisde en werkte meer dan een eeuw met de molen, tot in 1746. Toen verviel de eigendom aan twee onmondige wezen. De molen had nood aan kostelijke herstellingswerken: onder meer moest een nieuwe staak ingestoken worden. De voogden van de jonge wezen Vermeersch (o.m. van Eliza de Wachter) vonden beter het gedoe aan den man te brengen.

Adriaan De Jonckheere, zoon van Cornelius, kocht het erf met molen, huis en 10 gemeten land, in juni 1746 voor de som van 800 pond groten. Deze som stemde toen overeen met 16.000 goudfranken van voor 1914. Jacob Hyacinth, zoon van Adriaan, volgde zijn vader op. Het nochtans vredesvolle Oostenrijks tijdperk was voor het bedrijf niet gunstig, want de niet geringe schuld die op de molen woog kon zelfs op de tijd van een mensenleven niet afbetaald worden.

Vanwege zijn hoge en strategische ligging, wordt de molen op vele kaarten prominent met zijn benaming weergegeven:
- Fricxkaart (1712): ""Crayartsberg M."
- Nicolaes Visscher, "Flandriae Comitatus Pars Media Comprehendens Castellaniam Yprensem, Cortracensem, Aldenardsem", Amsterdam, Petrus Schenk Junior, (tussen 1715 en 1730): "Krayaertsberg Molen"
- Reinier & Josua Otten, "Comitatus Flandriae Universe in Ditiones Peculiares Distinctae Tabula Nova & Accuratissima", Amsterdam, R & I. Otten, (tussen 1725 en 1750): "Crayaertsberg molen"
- Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden, opgenomen op initiatief van graaf de Ferraris (ca. 1775): "Cayaert bergh Molen", met het bruin symbool van een staakmolen
- Atlas der Buurtwegen, gemeente Staden: "Kaeyaert Molen"
- Philippe Vandermaelen, (Topografische kaart, ca. 1850): "Kayaert Molen"
- P.C. Popp, "Atlas cadastral de la commune de Staden", (ca. 1860): zonder benaming.

Joseph Vanderhaeghen kreeg op 1 februari 1766 de toestemming voor de heropbouw van de graan- en oliewindmolen, op een perceel dat in het westen grensde aan de kleine straat van de plaats van Staden naar de "Caeyaertsbergh".  Tegen de oprichting werd enkel een bezwaarschrift ingediend door 3 molenaars uit Staden: Marinus Vandeputte, Pieter de Witte en Pieter Mestdagh. De Stadense molenmaker Jacobus Cornelius Decadt voerde dat werk uit.

In de tweede helft van de 18de eeuw was een zekere Tommelier, geboren in 1740 in Oostnieuwkerke, er lange tijd huurder-molenaar.

Adriaan De Jonckheere had een zoon Jacobus Hyacintus. Deze had een aantal dochters, gehuwd met onder andere een Grillet, een Bouckaert, en een Vande Putte.

Jacobus had ook vijf zonen. Petrus Jacobus, de jongste, bleef als mulder thuis. Zijn vier broers werden ingelijfd in het leger van Napoleon. Ze trokken heel Europa door, van Parijs naar Spanje, van den Edro tot op de Beresina in Rusland. Drie van hen sneuvelden. Eén overleed in een ziekenhuis in Kristiania of Oslo, hoofdstad van Noorwegen. Hij was ingelijfd in het legerkorps van maarschalk Bernadotte. Deze Franse militair moest de linkerflank van Napoleon beschermen tegen de Zweden en Noren tijdens zijn doortocht naar Moskou. Bernadottes leger werd echter in acht maanden tijd uitgedund van 400.000 naar 80.000 man.

De twee overgebleven zonen waren Karel en Pieter Jacobus.

De oudste overlevende zoon Karel de Jonckheere, huwde in Westrozebeke. Henri de Jonckheere vermeldt over hem: “(...) en bracht voort: De Jonckheere Smeet Joannes, landbouwer; De Jonckheere - De Gandt, Wagenmaker en De Jonckheere - 3 Koopman.”

Het is niet duidelijk wat Henri hier bedoelde. Een mogelijkheid is dat Joannes, landbouwer, zoon van Karel, trouwde met een Smeets. Een andere zoon, zonder naam, had als beroep wagenmaker en trouwde met ene De Gandt. De derde zoon, ook zonder naam, trouwde met een vrouw met de naam Koopman, ofwel was zijn beroep koopman. De “3” is ongetwijfeld een tikfout (Henri de Jonckheere stelde het document op toen hij 84 was!).

Zoals vaak had Pieter Jacobus de Jonckheere een gewone roepnaam, alsook een officiële naam: Petrus. Pieter was geboren in 1782 en bleef op de molen wonen die 35 jaar eerder in het bezit van zijn grootvader gekomen was. Hij huwde met Barbara Cecillia Bogaert bij wie hij 3 zonen kreeg en 5 dochters. In 1834 was hij nog steeds de eigenaar-molenaar.

Zijn zonen waren Clement, Amand (°1818) en Louis (°2 mei 1827), vader van o.a. Elise. Amand was eerst getrouwd met Louise Decock, bij wie hij twee zonen kreeg: Jules en Cyrille. Bij zijn tweede vrouw Rosalie Octavie Bondue (°1836) uit Zonnebeke, krijg hij nog vier kinderen: Henri (29 februari 1876), Camiel, Marie en Amandie. Henri is 40 jaar dienstdoend burgemeester geweest van Staden.

Deze Amand De Jonckheere-Bondue kocht de molen in 1867 (acte notaris Verlez, 11.02.1867). Bij zijn overlijden op 18.04.1891 erfden zijn weduwe en kinderen. Op 10 maart 1892 kwam de molen toe aan molenaar Cyriel Clement De Jonckheere, zoon van de eerste vrouw van Amandus De Jonckheere (acte notaris Lauwers). 
Op 9 juni 1892 werd de molen opnieuw verkocht aan zijn stiefmoeder, Rosalie Octavie Bondue, weduwe van Amandus De Jonckheere, landbouwster (notaris Parret).

Amandus Petrus' zoon volgde zijn vader op en hij zelf liet zijn bedrijf na aan zijn zonen Henri en Kamiel die in 1891 als zelfstandige mulders samen de molen uitbaatten.

Bij de doortocht van de Duitsers werd de molen beschoten op 19 oktober 1914, maar de beschadigde kast bleef nog overeind staan. Nog in 1914 werden de De Jonckheeres door het Frans legerbeheer gedwongen huis en erf te verlaten om op vreemde bodem een onderkomen te zoeken. Ze zijn gedurende den oorlog gebleven in Saint-Béhaire-lez-Blos in Loire et Cher.

Tot in 1916 diende de molen als uitkijkpost voor de Duitsers.  Ze hadden diep onder de dam een "Zentrale" ingericht. In het ondergronds bouwwerk kwamen de telefoonleidingen samen en er waren 17 verschillende batterijen opgesteld. Onder de molenwal en het hof was op 12 meter diepte een gang gehouwen. Deze gang was 135 meter lang, 1,80 m. hoog en 1,20 m. breed.
Hij bezat 4 uitgangen met elk 32 treden.
Aan de ene zijde van die gang waren 8 kamers en langs de andere 7. Ze maten elk ongeveer 4 op 5 meter en hadden dezelfde gewelfhoogte als de gang. Die kamers waren als slaapgelegenheid ingericht. Drinkwater was er ook voorhanden. Hier ligt de grondwaterlaag - kwelm - op 14 meter, dus in de 12 meter diepe oorlogskrocht was het water op 2 meter te bereiken. De plaats was goed gekozen om als uitkostpost te dienen. Van op de molen die boven alles uitstak kon men alles overzien: van de zee in het noorden, de heuvels in het Heuvelland en Frans-Vlaanderen in het westen, de heuvels aan de Schelde in het zuiden en ten oosten het platteland.

De Duitsers aanzagen de molen echter als een mikpunt van de geallieerde artillerie. De gehavende molenkast werd in juni 1916 omgetrokken. Dan werd een dertigtal Russische krijgsgevangenen naar de Keiaart gestuurd om er de windmolen omver te trekken. Een zwaar lang touw werd aan de molen geboden, maar hoe de mannen ook uit alle macht trokken, de molen wilde niet omvallen. Eindelijk kwamen zij op de gedachte een kruisplaat  door te zagen en de molen kantelde dan bijna vanzelf om. 

De windmolen werd niet herbouwd. Wel werd in de jaren 1920 een mechanische maalderij met gasmotor opgetrokken die Henri De Jonckheere (zoon van Amandus en Rosalie Bondue) tot kort na de tweede wereldoorlog in werking hield.

Er bestaan een aantal Duitse oorlogsfoto's die het geraamte van de molenkast tonen, soms met het onderschrift "Mühle Tindenberg (Mai 1915)". In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, hebben deze foto's geen betrekking op de Tiendenbergmolen, maar wel op de naburige Kayaardmolen te Staden

Lieven DENEWET, Donald VANDENBULCKE & Vincent VANBIERVLIET

Bijlagen

D.T.I., "Familie Dejonckheere kwam bijeen", Het Volk (regio Roeselare-Izegem-Tielt), 09.02.1990, p. 22.
Staden (Westrozebeke) - In de jaren 1550 woonde aan de Kayaertmolen het echtpaar Passchier-Dejonckheere. Daaruit sproten twee takken Judocus Dejonckheere gehuwd met Maria Vandenbussche voor de streek van Beveren-Roeselare. En Cornelis Dejonckheere-Martine Tijtgat wonende in de streek van Staden-Westrozebeke. Zij kwamen nu onlangs met 91 in het Gildhof, Westrozebeke aan de familietafel voor een meer dan gezellig feest.

---------------------------------

Duitse oorlogsfoto
- Jaar: ca. 1915
- Uitgever: Stichting Levende Molens
- Serie: "Molens van den Grooten Oorlog" (in het kader van de herdenking 100 jaar Eerste Wereldoorlog)
- Nummer: 8
- Formaat: 9x14 cm. - gedrukt op extra stevig glanskarton
- Gelimiteerde oplage: slechts 100 exemplaren

-------------------------

Torie Mulders, "De Kaaiaardmolen te Staden", Handelingen van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van Kortrijk, XXIV, 1950-1951, p. 161-166.

De Kaaiaardmolen te Staden

Ik was toevallig te gast bij den Heer Depoorter in Staden. Hij is in Tiegem geboren en blijft nog immer belang stellen in ons dorp en zijne vroegere dorpsgenoten.
Hij was aan het uithooren hoe het nog ging met Pieter, Jan en Klaas, en wie nog leefde en al oud was, en er werd van alles en nog wat gesproken toen hij opeens zei:
- Ik ben hier bevriend met eenen ouden mulder die mij onlangs vertelde dat hij omstreeks 1900 op de molen te Tiegem geweest is en met den mulder gesproken heeft.
- En is dien ouden mulder nog hier en te spreken?
- Ja zeker.
- En te spreken?
- Ik denk toch wel van ja, maar?...- Ik ga er naartoe.
- Jamaar...
- Wijs mij als 't u belieft den weg?
- Als gij het alzoo wilt, ziehier: Den overgang van den ijzerweg voorbij, de eerste straat rechts en het tweede huis over den ijzerwinkel, daar wonen de twee oudersche jongmans, gewezen mulders, in de Houthulststraat.
- Ik ga er naartoe, den ijzerweg over, de eerste straat rechts: Raymond Detollenaerestraat?
- Ben ik hier nog ver af van de Houthulststraat, wendde ik mij beleefd tot een jonge man die tegen zijnen deurpost geleund van de deugddoende herfstnoenzonne genoot.
- 't Is hier...
Mijn oogen richtten zich vragend naar den aanwijs op den huisgevel.
- Ja maar, ja maar, 't is veranderd: er zijn veel dingen anders, nu met den oorlog.
- Dank u vriend.
Ik was aan 't gaan, nog geen ijzerwinkel, nog niet... nu... en twintig stappen verder:
- Is het hier dat de gewezen mulders wonen?
Ik had die vraag nog niet ten einde gericht als ze was tot een flinke man van 't halven de zestig, die ook in zijn hoveke zat te genieten van 't zonneke dat lekker zijn warmte goot tusschen de huizen van de Houthulststraat.
- 't Is hier, ja ja, 't is hier, kom binnen.
Hij was rechte geveerd en noodde mij in huis, hij zelve nam zijn zitting mede binnen.
- Ik ben de gewezen mulder van Tieghem, en hoorde hier bij den Heer Depoorter over u spreken: dat ge nog in Tieghem geweest zijt.
- En dat ik bij uw vader in de molen geweest ben, en met hem in zijn huis... Ja, ja, 't is veertig jaar leên, maar 'k zie hem nog dààr... Aangezien gij het zegt, ja, ja, ge gelijkt hem, en bovendien wel!
- Ik ben liefhebber van molens en heb mijnen vrijen tijd nogal veel doorgebracht met het opzoeken van de wetenswaardigheden over de windmolens in Vlaanderen: Eerst heb ik het land "tusschen Schelde en Leie" afgeketst, oude mulders opgezocht, gezien en gesproken, op de oude molendammen gestaan, en in de nog bestaande windmolens wel eens door de kijkgaten naar de windgewesten uitgekeken; van al mijn gevaarten heb ik een woordje neergepend en heb ik eenen dikken schrijfboek van "tusschen Schelde en Leie".
- Dat is niet slecht bedacht; alzoo zullen sommige dingen, die het onthouden weerd zijn, toch niet in den vergetelhoek geraken.
- Op Overschelde en Overleie stonden, en staan nog windmolens, en gezien mijn liefhebberij ben ik zoo vrij u te vragen of gij mij niet d'een of d'andere van uw bevindingen wilt te weten brengen; dat zou in mijn boekje "Molens van Overlei" wel te passe komen.
- Wat kan ik zooal bijbrengen, dat de moeite weerd is?
- Gij zijt van voor 14-18, dus gij hebt de molens van Staêne toen weten staan, en weten verdwijnen.
- Dat, dat heb ik; en niet alleen de molens van Staêne, maar ook die van omliggende gemeenten... We stonden hoog en schoon te winde en hadden vrijen kijk uren in het ronde, en konden in ons jongde van op onze molen tot 89 windmolens wijzen.
En dan heeft Heer Henri Dejonckheere mij in zijn pittig vlaamsch dàt verteld, 't welk hem als mulder 't meest ter  herte ligt: wat hij van zijn molen te vertellen weet.

De Kaaiaard

De staakmolen "De Kaaiaard" stond op het gehucht Kaaiaard. De grond is er kei-aarde en waarschijnlijk komt de naam van daaruit, en hij was gebouwd in 1634 met de toelating van den Graaf Jean de Carnin, Heere van Staden.
De molenaar, Karel Vermeersch, betaalde uit dien hoofde dertig gulden aan den Graaf.
De molen stond op een natuurlijken dam, op 150 stappen van de grensscheiding West-Roozebeke-Staden, op tien stappen van den weg Staden-West-Roozebeke en op omstreeks 45 meters boven de zeespiegel, schoon te winde.
De familie Vermeersch huisde en wrocht daar meer dan eene eeuw tot in 1746: toen verviel den eigendom aan twee onmondige weezen. De molen had nood aan kostelijke herstellingswerken: onder meer moest een nieuwe staak ingesteken worden en de voogden van de jonge weezen Vermeersch vonden beter het gedoe aan den man te brengen.
Adriaan De Jonckeere, zoon van Karel, kocht de doening, molen, huis en 10 gemete land, voor de som van 800 pond grooten; die som stemde toentertijd overeen met 16.000 vooroorlogsche franks 14-18, goudfranks.
Jacob Hyacinth, zoon van Adriaan, volgde zijn vader op. Het Oostenrijksch tijdperk was voor het bedrijf niet gunstig want de niet geringe schuld die op het gedoe woog kon zelfs op den tijd van een menschenleven niet afbetaald worden.
Met de Fransche omwenteling waren op Kaaiaard-molen vijf volgroeide zonen.
Petrus Jacobus, de jongste, bleef als mulder te  huis, terwijl zijn vier broeders gansch Europa door met Napoleon meetrokken, van hier naar daar, van Parijs naar Spanje, van den Edro tot op de Beresina in Rusland. Ze bleven allen op de slagvelden, een ervan ligt begraven in Kristiania, de hoofdstad van Noorwegen.
Amandus Petrus' zoon volgde zijn vader op en hij zelf liet zijn bedrijf na aan zijn zonen Henri en Kamiel die in 't jaar 1891 als zelfstandige mulders tezamen het gedoe uitbaatten.
In 1914 werden zij door het Fransch legerbeheer gedwongen huis en erve te verlaten om op vreemden bodem een onderkomen te zoeken. Ze zijn gedurende den oorlog gebleven in Saint-Béhaire-lez-Blos in Loire et Cher.
Hoe dikwijls hebben zij bij dage uitgezien Vlaanderen weerd; hoe menigmaal bij nachte liggen luisteren naar het kanongedommel dat uit de noordelijke richting tot hen kwam gebonsd.
Aan alles komt op dees aarde een einde, zoowel aan het slechtste als aan het beste, en toen zij in 1919 weer naar huis kwamen, vonden zij niets, niets meer van hun huis noch molen; de plaats was er nog, maar totaal onkennelijk.
Wat was hier wel gebeurd gedurende hun bannelingschap? Ooggetuigen, er waren lieden van Staden te huis gebleven, en door oorlog en al aan de dood ontsnapt, beweren dat de Kaaiaard in 1916 werd omvergetrokken.
Dertig Russische krijgsgevangenen hebben er dagen aan bezig geweest. Ze wilden de molen zoo maar botsbollig omverre trekken; de molen wilde niet vallen, niettegenstaande het taai volhouden van de Russen.
De koorde brak; ze werd aaneengeknoopt en verdubbeld. De rrepen braken alle twee. Nog verdubbeld en met nog meer geweld getrokken... Dat heeft dagen geduurd.
Laat ons aannemen dat de Russen geen veertien uren per dag wrochten, en dat het ook in geen akkoord was dat ze werkten.
Eindelijk hebben zij eene kruisplaat doorgezaagd, en de molen - 't geraamte - want hij was deerlijk door de bombardementen gehavend - viel, en wat er verder van geworden is, dat weet "der Liebe Gott!"
Dat de molen tot in 1916 tot uitkijkpost gediend heeft, staat vast, want diep onder den dam hadden de Duitschers een "Centrale" ingericht.
Van God weet waar kwamen hier de telefoonleidingen samen; 17 verschillende batterijen waren in het ondergrondsch bouwwerk opgesteld.
Het ondergrondsch bouwwerk:
Onder den molenwal en het hofgedoe was op 12 meter diepte eenen gang gehouwen; die gang was 135 meter lang, 1,80 m. hoog en 1,20 m. breed.
Hij bezat 4 uitgangen met elk 32 treden.
Aan de eene zijde van dien gang waren 8 kamers en langs de andere zeven, metende elk omstreeks 4 meters op 5 en dezelfde gewelfhoogte als de gang. Die kamers waren als slaapgelegenheid ingericht. Drinkwater was er ook voorhanden. Hier ligt de grondwaterlaag - kwelm - op 14 meters, dus in de 12 meters diepe oorlogskrochte was het water op 2 meters te bereiken.
Voorzeker was de plaats goed gekozen om als uitkijkpost te dienen. Van op de molen die boven alles  uitstak en vanwaar men de vlakte van aan de zee in 't Noorden, de bergen van Fransch-Vlaanderen ten Westen, de heuvels die den Scheldevloed zoomen in 't Zuiden, en ten Oosten het platte land einde en verre met het bloote oog kan overzien, was het een welgeschikte plaats voor de loerders die de bewegingen van de legers moesten in het oog houden; zooveel te meer nog dat de diepte van de kwelmlaag het hier mogelijk miek een zoogezegde bomvrije krocht te maken - tien meters onder de grond - waar watersnood, 't zij te veel of te weinig uitgesloten was.
Wat hier, op, rond en onder dien molendam gebeurd is, geleden en gehoopt, gewenscht en verwenscht, zou stof genoeg geven om boekdeelen te schrijven.
Het wil er bij mij moeilijk in dat de les van toen nog niet deugdelijk genoeg is geweest om die menschen te leeren wat vrede betteekent, aangezien zij zoo gemakkelijk te vinden waren om denzelfden ongeluksweg op te gaan.
Mundus vult decipit.
Oorlogen is van oudsher in de mode. Vlaanderen vooral heeft er altijd aan meedgedaan, 't zij goedmoeds of kwaadschiks.
't Is in den leegen weg die van Kaaiaard naar West-Roozebeke loopt, dat op ongeveer 500 voeten van de molen, de Ruwaard van Vlaanderen, Filips Van Artevelde sneuvelde.
De oorlogsgesel ontziet niemand noch iets, zoo ook de Tijd.
De Tijd vreet aan het oude, ondermijnt het en sleept het ten gronde of in den vergetelhoek.
Toen Henri De Jonckheere in zijn prille jeugd vanuit de kijkgaten van de Kaaiaardmolen rondomrond den einder peilde en 89 windmolens kon tellen waren er voor den oorlog 14-18 slechts 35 overgebleven.
Van hier op de molen waren gemakkelijk te onderscheiden met het bloote oog de torens van Poperinghe, Yper, Dixmude, Torhout, Brugge, Roeselare, Iseghem, Dadizeele en de ndere spitsen die daartusschen de lucht inpriemden. De pylonen van Ruisselede stonden gereekt aan den einder.
Bloot in 't Oosten stond op Oost-Nieuwkerke Basyns molen; meldensweerdig vooral, daar zij, hooge steenen molen, een houten molen steunde, die werkte met geboorde staak. Die molen was lastig om bewerken en is verdwenen.
De oorlog en de tijd hebben de torens en de pylonen al of bijna allen doen verdwijnen.
Van de 45 kerktorens die van op de Kaaiaardmolen te onderscheiden waren zij er in den ooorlog 14-18 veel, heel veel verwoest geworden doch al of meestal in hunnen oorspronkelijken vorm vanher opgebouwd.
"Tu es Petrus." - Het geloof vergaat niet.
Waar de Kaaiaardmolen eertijds in alle weer zijn rood gewiekte armen door de winden zwaaide, en het Vlaamsche koorn tot beste bakmeel miek, daar paft nu dag aan dag de zuiggasmotor en beweegt de maalsteenen die nu bezorgen het meel ten gerieve van de klanten.
Tenzij de afbeelding van de molen die bewaard werd door de mulders van de Kaaiaard te Staêne blijft niets meer dat doet denken aan de windmolen die bijna drie eeuwen lang daar stond en draaide en als een noodig onderdeel bleek van de omliggende landstreek: Kaaiaard.

September 1943.         Torie MULDERS

----------------------------------------------------------------------

Vincent Vanbiervliet, "Iets over de familie De Jonckheere en de Kayaertmolen".

Bronnen en verantwoording

Dit document is gebaseerd op drie, bijna gelijke documenten.

Het eerste exemplaar is een blauw blad, met een tikmachine beschreven, en beslaat 4 éénzijdig beschreven bladen. Er zijn handgeschreven commentaren bijgevoegd in potlood, soms overschreven met balpen (document I).

Het tweede exemplaar is een wit blad, hoogst waarschijnlijk een kopie van document I (document II). Het heeft echter nog een aanhangsel, ook een kopie, geschreven met een andere tikmachine dan de rest. Dit blad is het “Octroy de moulin: “Kayaertmolen”” Onder de laatste lijn van het document staat ook een handgeschreven commentaar, dat helaas onleesbaar is op de kopie.

Het derde exemplaar is een gelijnd blad, beschreven met een tikmachine met blauwe inkt (document III).

Het heeft er alle schijn van dat document I en II een gedeeltelijke kopie van een origineel zijn. Document III heeft één regel meer aan het begin. De tweede regel begint met “Hij”, wat in document I en II vervangen wordt door het onderwerp van de eerste regel van document III (echter, enkel “Kaarel Vermeersch” i.p.v. “Kaarel Vermeersch (Vandermeersch)”)

Document III heeft echter een modernere spelling, zo gebruikt de auteur bijvoorbeeld meestal “werd” ipv “wierd”, “Noren” ipv “Nooren”. “Franse” ipv “Fransche”, maar wel “Fransch”. “Oostenrijkse” en “Oostenrijksche” wordt door elkaar gebruikt. Daarentegen werd wel “waeruit” ipv “waaruit” gebruikt.

Paragrafen die niet in alledrie de exemplaren voorkomen worden via een commentaar zo aangeduid.

De auteur van de tekst is Henri De Jonckheere, zoon van Amandus De Jonckheere (molenaar op de Kayaardmolen) en Rosalie Bondue. Deze Henri was een kozijn van Marie-Elise De Jonckheere, die gehuwd was met mijn overgrootvader Emilie Vanbiervliet. Zo kreeg ik ook de beschikking over een aantal documenten van de familie De Jonckheere. Daarvan is hierna een afschrift te vinden.

1634 [VIV1]

Karel Vermeersch (Vandermeersch) was een landbouwer woonachtig te West-Roosebeke, gehucht de Voorman, plaatste de molen in 1634. [VIV2] 

Karel Vermeersch [VIV3]  wierd opgevolgd door zijnen zoon Antoon Vermeersch, omstreeks 1675. bovengenoemde Antoon, had als opvolgster, eene dochter Christina, welke huwde met Francis De Wachter [VIV4] , omstreeks 1760 [VIV5] . Vermelde De Wachter [VIV6] - Vermeersch Francis, wierd opgevolgd omstreeks 1730, door een zoon, welke na een kortstondig huwelijk, daar beide echtelingen vroeg stierven, eene minderjarige dochter nalieten, Eliza DeWachter [VIV7] wier voogden, in 1746, in de maand Juni, alles verkochten aan DeJonckheere Adriaan [VIV8] - Francois, voor 800 (ponden - grooten)[VIV9] . Bovengemelde Adriaen - Francois [VIV10] , was zoon van Cornelius, en woonde ievers rond de herberg De [VIV11] Wildeman, nu nog bestaande op 2 Klm. afstand van het gekochte goed. Rond 1770 was opvolger Jacobus-Hyacintus[VIV12] [VIV13] , welken verschillende dochters had, namelijk eene gehuwd met eenen zekeren Bouckaert van Beveren, eene tweede en derde, met Grillet, Oost-Nieuwkerke en Vande Putte, ook Oost-Nieuwkerke [VIV14] . Waarschijnlijk hebben 5 zoons geweest, waarvan 3 met de oorlogen van Napoleon verdwenen zijn. Een is gestorven in ’t hospitaal van Christiania (thans Oslo) hoofdstad van Noorwegen. Hij was ingelijfd in het legerkorps van Maarschalk Bernadotte, 30.000 man sterk, welke het doel had, de Zweden en Nooren te beletten, de linker flank van Napoleon aan te vallen bij zijnen optocht naar Moskou. 8 maanden later keerden slechts 80.000 verstrooide soldaten terug van 400.000 man. Bernadotte wierd later tot Koning van Zweden uitgeroepenen en was de oudgrootvader van onze Koningin Astrid.

De 2 overgebleven zoons Karel en Pieter-Jacobus, huwden den eersten te Westroosebeke, en bracht voort: De Jonckheere Smeet [VIV15] Joannes, landbouwer; De Jonckheere – De Gandt[VIV16] , Wagenmaker en De Jonckheere – 3[VIV17]  Koopman, [VIV18]  Pieter – Jacobus geboren 1782[VIV19] , bleef op De Kayaert, huwde met Barbara-Coecillia [VIV20] Bogaert, won 3 zoons, Clement, Amand en Louis [VIV21] , en 5 dochters, Rosalie, Clemence [VIV22], Regina, Antonia en Barbara[VIV23] .

Amand (geb. 1818) bleef op den ouden post. Hij trouwde met Louise Decock en had 6 kinders,[VIV24]  3 zoons en 3 dochters, waarvan 4 vroegtijdig [VIV25] stierven. Na het overlijden van zijne eerste vrouw hertrouwde hij met Rosalie Bondue (geb. 1836) en had nog 4 kinders, 2 zoons en 2 dochters, thans beiden overleden. De beide oudsten Henri (29-2-1876) en Camiel (10-5-1877), zijn thans rustend [VIV26] te Staden Dorpplaats en zijn opgevolgd geworden door De Jonckheere – Avijssen[VIV27] [VIV28] Camiel, welke 2 zoons en een dochtertje nalaat, en bij zijn overlijden gaat alles nu voort door de kinders Paul (21 j.) – Gerard (20 j.) – Godelieve (17 j.).

Enkele bijzonderheden

De toelating tot bouwen in 1633 wierd gegeven door den Weledelen Heer Heer [VIV29] De Noijelle [VIV30] [VIV31], gedurende het tijdperk van het leenroerig stelsel. Men kan wel eigenaar zijn van land of gebouwen, maar altoos had den Heer op wiens heerlijkheid uwen eigendom lag, nog zekere voorrechten er op. Hij kon toestemmen of weigeren van iets nieuws te bouwen. Het is slechts met de fransche revolutie dat hunne eeuwenoude voorrechten gansch vervielen. De som van 800 pond –Grooten [VIV32] (of 20 goudfranken per pond) was maar eene oude manier van rekenen[VIV33]  meer, op het platteland voorts in gebruik [VIV34]  gehouden. De verkooping geschiedde in 1746, dus onder Oostenrijksche heerschappij en de Oostenrijksche Kroon was dan alleen gangbaar, ik heb nog eene in mijn bezit, met de beeltenis van Maria Theresia gedagteekend van 1753. Bij de nietigverklaring der Oostenrijksche Kronen in 1794, ten gevolge der aanhechting van Belgie met Frankrijk, hebben onze voorouders er eenige bewaard als gedenkenis. Door deze muntvernietiging zonder vergoeding, was elkendeen [VIV35] totaal geruineerd. Ook de 20 jaren fransch beheer, waren noodlottig voor onze voorvaderen. Groote lasten, menigvuldige opeischingen zonder vergoedingen, de conscriptie van bijna al de jonge mannen voor Kanonvleesch op al de slagvelden van Europa, was hun treurig aandeel.

Toen Belgie in 1815 overging naar Holland, waren onze voorouders nog altoos even arm en ellendig. Men herademde bij het nieuws, dat het nu vrede was en dat men bij een zoogezegd broedervolk ging aangesloten zijn en dezelfde lotsbestemming ging deelen. Helaas, nogmaals was men teleurgesteld. Holland aanzag ons als een overwonnen volk, goed om uit te boeten[VIV36] [VIV37]  tot hun profijt. Overal Hollandsche beambten, rechters, gendarmen, commiezen[VIV38] , welke gansche dagen straffen en boeten oplegden. Het verschil van godsdiensten was ook een beletsel tot toenadering, en alzoo kwam de breuk in 1830, welke thans met welslagen bekroond werd. Vrij, men was waarlijk vrij, seffens kwam meer welstand, en de rente van 8.000 frs door Adriaen-Francois aangegaan, bij de aankoop van den molen voor 16.000 fr waarop hij maar de helft kon betalen, wierd in 1837 vereffend door Pieter Jacobus, bijna 90 jaar later, aan de familie Casier van Poperinghe, welke den rentetitel afgeerfd hadden van een afgestorven familielid.

 ---------------------------------------------------------------------

Den oorlog 14-18, heeft gansch mijn materiaal waaruit ik het bovenstaande geput heb, vernietigd; toen ik 15 jaar oud was, en tengevolge mijn vaders overlijden tehuis moest blijven met tegenzin, want ik was weetgierig, heb ik op veel oude oorkonden gekomen, zooals eene latijnsche kaart van het graafschap uit de 16de eeuw, een voldaan lastenbillet gedagteekend uit 1682. Een perkamenten koopbrief met zegel eraan gelascht van 1746. Een rapport over eene meting van land, in roeden en voeten, in gebruik voor de kasselrij van Yper, waartoe de Heerlijkheid van Staden behoorde. Eenen staat om uit onverdeeldheid te treden ten bate van Pieter Jacobus De Jonckheere, toegestaan door zijne zusters reeds vermeld, en zijnen broeder.

Onder onze voorouders moet ook een verzamelaar geweest zijn, welke goed voor dit alles zorgde, bij mij was het ook in goede handen, ik heb het dikwijls overlezen, en na 30 jaar blijft mij nog veel in het geheugen. Ik herinner mij nog, het bezoek ontvangen te hebben van Baron De Maere van Aartrijcke, welke kwam vragen silezen of bewerkte keien te zoeken, uit het steentijdperk, ik heb er hem eene collectie gegeven waarvoor hij uiterst tevreden was. Hij overzag al mijne oude stukken, en drong aan ze ter beschikking van het museum van Brugge te stellen. Ik weigerde, en alzoo zijn ze verloren gegaan.

                                                                                                                        H.D.J.

                                          Octroy de moulin: “Kayaertmolen”
                                          ---------------------------------------

“Nous Messire Jacques de Noyelle, Comte de Croix, Viscomte de Nielles, Baron de Maldeghem, Guyse, Coutry, etc: Chef des domains, et finanses du Roy, Gouverneur Capne et souverain Bailly du Chasstau de la motte au bois de Nieppe, grand ecuyer et veneur de la Challenie de Cassel et commissaire au renouvellement des lois de Flandres etcha.

Aians veu la reqte de Charles van der Meersch tandante aux fins de povoir eriger un nouveau Moulin à vent en nre village de Staden, sur certain place nommee le Cayersberch, abboutant du cette d’oost les terres du Sr Pierre Du Chastel, SR de Triols, du cotte de west celles deleglise dudt Staden, et Jaecques Maes, avons pour bonnes raisons, a nous cognues, permis et accorde audt Vandermeersch, comme luy permettens, et accordions par ceste, ladte erection moiennant nous payer trois florins par an de recognoissance: Faict a Bruxelles VIIe Novembre XVIe trente trois, soubs nre seing manuel, et petit cachet armoie de nes arnes, et était sighes Jacques de Noyelle et cachetté avecq unq cachet:

                                                                                                              Pr Van Vossem.

[VIV1] Doc I, Doc II
[VIV2] Doc III
[VIV3] Doc III vermeldt ipv “Karel Vermeersch” gewoon “Hij”
[VIV4] Doc III schrijft dit als “Dewachter”
[VIV5] Doc III vermeldt hier het jaar 1700. Gezien de volgende jaartallen (1730, 1770) is dit aannemelijker.
[VIV6] Doc III schrijft dit als “Dewachter”
[VIV7] Ook hier wordt in Doc III de schrijfwijze “Dewachter” gebruikt.
[VIV8] Doc III blijft consequent in de schrijfwijze, in vermeldt “Adriaen”
[VIV9] Doc III vermeldt, vermoedelijk correct: “ (…) 800 ponden (grooten)”
[VIV10] Hier gebruikt Doc III geen liggend streepje, maar zet gewoon de twee namen na elkaar.[VIV11] In Doc III zonder hoofdletter
[VIV12] Doc I vermeldt volgende handgeschreven commentaar: “overgrootvader v/ xxxxx De Jonckheere”
[VIV13] In Doc III geschreven als “Hyacinthus”
[VIV14]Beide keren geschreven als “Oostnieuwkerke” in Doc III
[VIV15] In Doc III staat “Snaet”
[VIV16] In Doc III staat “Deagndt”, waarschijnlijk wordt bedoeld “Degandt”
[VIV17] Deze fout, het getal “3” staat niet in Doc III
[VIV18] In Doc III staat hier een punt.
[VIV19] Het jaartal in Doc III is “17 7”, of, minder waarschijnlijk, “17 5”. Het ontbrekende getal is waarschijnlijk een “8”.
[VIV20] In Doc III geschreven als “Barbara Cecilia”
[VIV21] Doc I vermeldt volgende handgeschreven commentaar: “grootvader”. Vermoedelijk is dit de grootvader van de schrijver, Henri De Jonckheere
[VIV22] Doc I vermeldt volgende hangeschreven commentaar: “Desmyttere Poperinghe”
[VIV23] Doc I vermeldt een handgeschreven commentaar dat niet helemaal leesbaar is. Vermoedelijk is de naam “Priem”, en de gemeente waar ze naar verhuisd zijn “Zonnebeke” (een dorp waar ook Vanbiervliet’s gewoond hebben).
[VIV24] “6 kinders,” wordt niet vermeld in Doc III.
[VIV25] Doc I vermeldt een handgeschreven commentaar “Oostvleteren”. Het is echter niet geheel duidelijk waarbij dit commentaar staat. Het woord “voortijdig” staat helemaal rechts op het blad, en het commentaar staat er rechts boven van. Misschien duidt dit op de plaats van overlijden van de kinderen – en dus de woonplaats van Amand en Louise.
[VIV26] In Doc III staat hier “beiden” ipv “rustend”
[VIV27] Doc I vermeldt een handgeschreven commentaar: “Ruyssen”.
[VIV28] Ook Doc III vermeldt hier “Ruyssen”, zelfs zonder “Avijsen”. Waarschijnlijk is de naam “Avijsen” verkeerd.
[VIV29] Doc III heeft hier slechts één maal het woord “Heer”.
[VIV30] In Doc I staat de letter “o” in het rood. Misschien stond er oorspronkelijk een “e”, en is die verbeterd in een “o”, misschien moest de “o” geschrapt worden, en is de naam Nijelle.
[VIV31] In Doc III geschreven als “Noyelle”
[VIV32] In Doc III geschreven als “ponden groote”
[VIV33] “van rekenen” komt niet voor in Doc III
[VIV34] In Doc III staat “eere” in plaats van “gebruik”
[VIV35] Doc III: “elkendeel”
[VIV36] In Doc I verbetert naar “buiten”, wat waarschijnlijk correcter is.
VIV37] In Doc III staat “betalen”
[VIV38] Dit woord komt niet voor in Doc III. Betekenis: douaniers   ---------------

X. Les., "De Kayaartmolen (Staden)". Mailbericht aan L. Denewet, 31.12.2014.

Er bestaat  een foto van een molen met het volgende onderschrift in het Duits “Mühle Tindenberg (Mai 1915)”. Op basis van deze foto werd er steeds van uitgegaan dat de Tiendenbergmolen te Westrozebeke nog bestond tijdens WOI. Deze foto met een molen met beschadigde molenromp werd gepubliceerd in een Duits fotoboek. Recentelijk werd nog een andere foto van deze molen als postkaart uitgegeven. De molen werd op deze postkaart uit 2014 dan ook als “Tiendenbergmolen” vermeld. De foto, eigendom van een Nederlandse molenverzamelaar, toont een molen met dezelfde beschadigde molenkast waarbij Duitse officieren te paard poseren.

De foto met Duits onderschrift zowel als de recente postkaart betreffen evenwel niet de Tiendenbergmolen. De foutieve vermelding op de recente postkaart gaat terug op de Duitse publicatie van na de oorlog.

Welke molen staat er dan wel op de foto met Duits onderschrift “Mühle Tindenberg (mai 1915)” en de foto van de Nederlandse molenverzamelaar ? Dit is ongetwijfeld de Kayaartmolen, die stond  nabij Westrozebeke op het grondgebied Staden. Dit blijkt uit het navolgende.

Er bestaan meerdere foto’s, telkens door Duitse militairen genomen, van dezelfde molen die na WOI werden gepubliceerd met het onderschrift “Mühle Tindenberg (Mai 1915)”. Op één foto staat op ommezijde in handschrift vermeld “Mühle bei Westrozebeke”. Deze benaming is zeer algemeen en laat niet toe om de molen precies te vereenzelvigen. Op één foto van dezelfde molen staat op ommezijde de vermelding “Kayrtmolen” (sic). Dit lijkt het bewijs te zijn dat het de Kayaartmolen betreft. Bovendien en vooral stemt het landschap rond de molen, dat goed zichtbaar is op één foto, overeen met de site rond de Kayaartmolen; het landschap stemt absoluut niet overeen met de locatie waar de Tiendbergmolen stond.

Tot slot en vooral, werd deze foto afgedrukt in het werk van Paul Billiet, "Staden 1914-18. De frontstreek in West-Vlaanderen" (1978) met als onderschrift "De Keiaartmolen te Staden - 1916". De auteur, Paul Billiet (Staden 1903 - Dilbeek 1985), heeft de molen nog met eigen ogen kunnen aanschouwen.

De foto met Duits onderschrift "Mühle Tindenberg (Mai 1915)" betreft bijgevolg de Kayaartmolen die stond  nabij Westrozebeke, op het grondgebied Staden.

Literatuur

Archieven
Algemeen Rijksarchief Gent, Financiële Raad, nr. 1875 (heroprichting, 01.02.1766)

Uitgegeven bronnen & kaarten
- Fricxkaart (1712)
- Nicolaes Visscher, "Flandriae Comitatus Pars Media Comprehendens Castellaniam Yprensem, Cortracensem, Aldenardsem", Amsterdam, Petrus Schenk Junior, (tussen 1715 en 1730)
- Reinier & Josua Otten, "Comitatus Flandriae Universe in Ditiones Peculiares Distinctae Tabula Nova & Accuratissima", Amsterdam, R & I. Otten, (tussen 1725 en 1750)
- Kabinetskaart van de Oostenrijkse Nederlanden, opgenomen op initiatief van graaf de Ferraris (ca. 1775)
- Atlas der Buurtwegen, gemeente Staden
- Philippe Vandermaelen, (Topografische kaart, ca. 1850)
- P.C. Popp, "Atlas cadastral de la commune de Staden",

Werken
K. De Ceuninck, "Staden, Eertijds en Hedendaags", 1872 (met weergave van een Nederlandstalig afschrift uit 1677 van het octrooi uit 1633 op p. 260).
A. Van Gheluwe, "Staden door de Eeuwen heen", 1945.
D. Vandecandelaere, "Staden. Beelden uit het Verleden", 1987.
Paul Billiet, "Staden 1914-1918. De frontstreek Poelkapelle-Langemark-Houthulst", Langemark, 1963.
Paul Billiet, "Staden, het hart van West-Vlaanderen. Bloemlezing van de geschiedenis van Vlaanderen", s.l., 1974;
Jozef Cornette, "Onze oudste windmolens", in: Het Gebied van Staden, 1992, p. 74-88.
Herman Holemans, "West-Vlaamse wind- en watermolens. Kadastergegevens 1835-1990. Deel 7. Gemeenten S-U", Opwijk, Studiekring Ons Molenheem, 2003.
Jozef Maes, "Verdwenen molens te Staden", in: De Belgische Molenaar, 22.07.1974.
Jozef Maes, "De Kayaaart te Staden en 't Molenmakersgesalcht Decadt", De Belgische Molenaar, 07.03.1961, 07.06.1961.
Jef Ameeuw, "Daar bij die molen.. Verdwenen molens te Staden. Joyes molen / Keiaardemolen", in: Gidsenkring, Mandeldalnummer, dec. 1979.
Donald Vandecandelaere,
Donald Vandenbulcke, "De Verdwenen Molens van Staden", Staden, 2010 (onuitgegeven)
Alidor Vangheluwe, "Staden door de Eeuwen Heen", (1945).
Torie Mulders, "De Kaaiaardmolen te Staden", Handelingen van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van Kortrijk, XXIV, 19550-1951, p. 161-166.
D. Vandecandelaere, "Staden. Beelden uit het Verleden", 1987.

Iconografie
Prentkaart uit 1914 (coll. D. Vandenbulcke, Staden)
Schilderij van de Keiaardmolen door Alidor Lamote (Staden, Heemkundig museum)
Natuurgetrouwe pentekening door Jules Leroy (coll. Donald Vandenbulcke, Staden)

Mailberichten
X. Les., "De Kayaartmolen (Staden)", aan L. Denewet, 31.12.2014.
Vincent Vanbiervliet, 02.11.2016.

Persberichten

D.T.I., "Famiie Dejonckheere kwam bijeen", Het Volk (regio Roeselare-Izegem-Tielt), 09.02.1990, p. 22.

Websites

http:// www. beeldbankstaden.be (auteur: Donald Vandenbulcke)
http:// www. vandenbulcke-stamboom.be (auteur: Donald Vandenbulcke)
http:// www. vanbiervliet.org (auteur: Vincent Vanbiervliet)

<p>Keiaardmolen<br>Keyaertmolen<br>Kayaardmolen<br>Kayaartmolen</p>

Als grote fotokaart bij de molenaarsfamilie (coll. Debeuckelaere, Staden)

<p>Keiaardmolen<br>Keyaertmolen<br>Kayaardmolen<br>Kayaartmolen</p>

Duitse oorlogsfoto, 1915 (coll. Donald Vandenbulcke, Staden)

<p>Keiaardmolen<br>Keyaertmolen<br>Kayaardmolen<br>Kayaartmolen</p>

M?hle Tindenberg (Mai 1915), in Duits geillustreerd oorlogsboek, jaren 1920 (coll. André Beeckaert)

<p>Keiaardmolen<br>Keyaertmolen<br>Kayaardmolen<br>Kayaartmolen</p>

Dutise oorlogsfoto, 1915 (coll. Ton Meesters, Breda - uitg. als prentkaart in 2014 door Stichting Levende Molens, Roosendaal)

<p>Keiaardmolen<br>Keyaertmolen<br>Kayaardmolen<br>Kayaartmolen</p>

Duitse oorlogsfoto, 1915, met op keerzijde: M?hle bei Westroosebeke


Stuur uw teksten over deze molen  |  Stuur een (nieuwe) foto van deze molen
Laatst bijgewerkt: maandag 29 januari 2018

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in database zoek op provincie Stuur een algemene e-mail over molens vorige pagina Home pagina Naar bestaande molens