Molenzorg
Mariakerke (Oostende), West-Vlaanderen

Schilderij. Repr. Verzameling Ons Molenheem
Algemeen
Collectie
Verdwenen Belgische Molens
Naam

Albertusmolen

Ligging
Duinenweg
8400 Mariakerke (Oostende)

bij Steensedijk
kadasterperceel B 27


toon op kaart
Type
Staakmolen
Functie
Korenmolen en elektriciteitsopwekking
Gebouwd
kort voor 1665
Verdwenen
1887, verplaatst naar De Haan
Beschrijving / geschiedenis

Ter  hoogte van de bocht in Duinenweg, nabij de verbinding met de Steensedijk stond de Albertusmolen. Deze houten korenwindmolen werd kort voor 1665 gebouwd.

In de 19e eeuw telde Mariakerke drie windmolens. In "Les derniers moulins á vent dans l'arrondissement d'Ostende" (1939) herinnert C. Loontiens eraan dat Oostende, in 1850, nog twee windmolens telde en wel op de wallen, nl. één bij het kursaal en één bij de haven. Buiten de wallen, voegt hij erbij, bevond er zich nog één aan de Torhoutsesteenweg, bij de Koninginnelaan. Dat is een onnauwkeurige opmerking van de gewezen Oostendse stadsarchivaris, want op die laatste plaats, toen nog Mariakerke, stonden er in 1850 twee molens. C. Loontiens rept ook met geen woord van de derde Mariakerkse molen, nl. de Albertusmolen (genoemd naar het voormalig Albertusfort vlakbij) die in 1850 nog draaide.

In Oostende komen er windmolens voor in de 15e eeuw. Ed. Vlietinck citeert een "westmeulen" in 1494 (cf. Het oude Oostende, p. 148, noot 4). Op het bekende Oostendse stadsplan van Jac. van Deventer (ca. 1540, afgedrukt bij Vlietinck p. 146) noteren we vier molens, nl. een "oostmeulen", een "zuidmeulen" en twee op de havendijk. Daar moeten er ca. 1560-1565 drie gestaan hebben (cf. Vlietinck, o.c. p. 148 en noot 5 : "den dyck van de caije van Oosthende daer de drije meulens op staen").

Na het catastrofale beleg van onze stad (1601-1604) werden de onmisbare molens gauw weer opgericht. Al in 1605 rezen er drie op : de "oostmeulen" midden op het huidig Vissersplein, de "westmeulen" op de wallen bezuiden de Westpoort, en de "noordmeulen" benoorden de Vlaanderenstraat (cf. D. Farasyn, De Oostendse Molens, De Plate, sept 1978).

Op de kaart van Pieter Poubus (1562), waarop de windmolens worden aangeduid, tellen we in Oostende vijf molens, drie in Oudenburg, twee in Gistel en Leffinge en verder in de omgeving:
één enkele molen in Bredene, Snaaskerke, Stene, Raversijde, Wilskerke, Slijpe maar geen enkele in Lombardsijde, Westende, Middelkerke en Mariakerke. Dat laatste schamele dorp, dat iconografisch laat aan bod komt, zal wel geen windmolen gehad hebben vóór 1600.

In het begin van de 17e eeuw kreeg Mariakerke levendige belangstelling wegens het spectaculair beleg van Oostende. De Spaanse belegeraars, geleid door aartshertog Albrecht, hadden hun hoofdkwartier in het Albertusfort alhier (in de Mariakerkse duinen gebouwd in 1600). Op tientallen plannen van de belegerde stad, met de talrijke versterkingen in de omgeving, verscheen ook de naam van het dorp, maar geen molen (cf. A. Verbouwe, Iconografie van het arrondissement Oostende. Brussel, ca. 1956, o.a. nr. 197: plaat 7 en nr. 213: plaat 8).

Op een kadastrale kaart (waarschijnlijk een tiendenkaart) van Mariakerke, uit ca. 1650, wordt het Albertusfort aangeduid, maar geen molen.

Het uitpluizen van het tijdschrift "Molenecho's" beloonde mij onverwacht en rijkelijk. Op p. 99 van jaargang 1994 trof ik een artikel aan van Patrick Florizoone (uit Nieuwpoort) "J. Ensor en de Molens". Tot mijn grote verrassing stonden van de Albertusmolen (door Ensor geëtst) het bouwjaar ("kort vóór 1665") en het slopingsjaar ("1887") aangegeven. Op mijn vraag om verantwoording van die datums antwoordde P. Florizoone dat ze hem bezorgd waren door de redactie van "Molenecho's". Ze waren gehaald uit een voor 1995 voorziene publicatie van H. Holemans en L. Denewet, nl. "Kadastergegevens Westvlaamse Molens". Daarna stuurde P. Florizoone - bijzonder gedienstig en hier van harte bedankt - een fotocopie van die inventaris betreffende Mariakerke, met schaarse maar interessante informatie over drie molens, nl. twee(kad. nrs. A 19 en A 22b) in de (vroegere) Sinte Catharinapolder (die tot Petit Paris had gereikt) en de Albertusmolen (kad. B 27).

Voor enkele punten ging ik mijn licht opsteken bij D. Farasyn met zijn encyclopedische kennis van het oudere Oostende. Voor zijn gedetailleerde mededelingen, waaronder bijkomende kadastrale notities, dank ik hem hier oprecht.

Sta me nu een korte uitweiding toe over die twee aparte molens (in de gewezen Catharinapolder) op Mariakerks grondgebied dat pas op 1 juli 1899 met de rest van het oude dorp door Oostende genaast werd.

De percelen A 19 en A 22b waren gelegen aan de noordwestkant van de Torhoutse Steenweg, bij een bocht van de Catharinakreek, ter hoogte van de Molenstraat. Op A 19 had er van 1834 tot 1896 een stenen graan- en oliewindmolen gestaan. Dat was de oudste van de twee molens. Die was eigendom geweest van de gebroeders Jan Hendrik Jozef Staesens (Mariakerke 1810 - Oostende 1886) en Alexander Frans Staessens (Mariakerke 1813 - Oostende 1874) ondernemende kooplieden en de zoons van Jan Frans Staessens uit Oudenburg (geb. ca . 1770-1835) die zich als koopman ging vestigen eerst in Mariakerke (waar zijn twee zoons geboren werden) en daarna in Stene waar hij als "wijn- en drankhandelaar" gestorven is, zeven jaar na zijn vrouw Noëmi Dugardein (Oudenburg ca. 1782-1828). Die Jan Frans Staessens moet een verstandig en bedrijvig zakenman geweest zijn. En vooral succesvol in zijn nakomelingen die een rol speelden in het Oostendse zakenleven.

Zijn oudste zoon Jan Hendrik Jozef huwde een dochter uit een gegoede familie: Euphrasie Louise Carbon (Oostende 1833-1910). De andere zoon Alexander Frans bleef ongehuwd. Onder de zonen van Jan H.J. was er een bankier, een brouwer en een exploitant van een steenbakkerij. En om nog eens te illustreren hoe klein de wereld is: Jan Olsen (1924) ons Platelid, de bekende voorzitter van motortoerisme Oostende en zoon van Elias Olsen, scheepsmakelaar uit het Noorse Drammen (aan een zijtak van de Oslofjord) en van Marie Adrienne Staessens(Oostende 1895 - Gistel 1989) is een kleinzoon van bankier Julien Jan Staessens (Oostende 1856-1938) die zelf een kleinzoon was van de bovenvermelde Jan Frans Staesens uit Oudenburg.

Terug naar de stenen molen op A 19. Op 25.08.1852 brandde die volledig uit en een jaar nadien werd hij met de bijhorende grond en woning (op A 17-20) verkocht aan Jan Augustinus Leleu (Gistel 1797 - Mariakerke 1890) een koopman in granen die zich gevestigd had in Mariakerke. Hij was gehuwd met Catharine Coleta KINT (Koolkerke 1807 - Oostende 1874). Het echtpaar J. Leleu-Kint bouwde in 1870 op A 17-20 een nieuwe woning.

Hun zoon Augustus Leleu (Brugge 1829 - Oostende 1900) gehuwd met Jacoba Prudentia Demuenynck (Oostende 1842-1908) moet daar de (herstelde) molen bediend hebben. De vader Jan A. Leleu, die in Oostende woonde, is tenslotte in Mariakerke overleden in het huis van zijn zoon waar hij tijdelijk verbleef. Volgens zijn overlijdensakte in de Mariakerkse registers stond die woning in de Molenwijk. Ik vermoed dat hiermee dat gedeelte van Mariakerke bedoeld is waarop de twee molens (A 19 en A 22b) stonden. De zoon Augustus wordt bij de aangifte van zijn zeven kinderen (allen geboren in Mariakerke tussen 1870 en 1882) telkens molenaar genoemd. Hij stierf in zijn woning Torhoutse Steenweg 83. Welnu dat is in de buurt van de molens en naar alle waarschijnlijkheid in de genoemde Molenwijk. Dat nr. 83 is nu Taverne Petit Venise (naast de Kredietbank) ongeveer halfweg tussen Petit Paris en de Weeshuisstraat. Het grafmonument van het echtpaar Aug. Leleu-Demuenynck staat op het kerkhof rond O.L.Vr. ter Duinen in Mariakerke. In 1896-1898 werd A 19 met A 20a grondig veranderd: na het slopen van de molen werden er huizen gebouwd.

En nu de tweede molen op A 22b. De kadastergegevens noemen de standplaats van die molen : Galgeveld. Die plaats, in documenten "place patibulaire" geheten (zoals D. Farasyn mij leerde), lag tussen het huidige Mac Leodplein en de Molenstraat. Daar bevond zich inderdaad in de Oostenrijkse tijd eeterechtstellingsplaats onder jurisdictie van het Brugse Vrije. In 1743 was er een houten galg opgetimmerd die in 1776 vervangen werd door een "blauw arduinen stenen galg opgericht door de stad voorbij de eerste brug liggende over de kreek van Sinte Catharina op onze kalsijdeweg" (nl. de Torhoutse Steenweg aangelegd in 1765). (zie ook J. Verhaeghe, "Een nieuw galgeveld voor Oostende 1776" in De Plate jg. 94 blz. 92).

Hier dan - en wel op grond van het armbestuur van Oostende - was begin 1840 een houten graanwindmolen overgebracht van het Hazegras (daar afgebroken wegens uitbreidingswerken) door Pier Jan Declercq (Oostende 1800 - Mariakerke 1850). Die Pieter Jan stamde met zijn oudere broer Frans Leopold (Oostende ca. 1793 - Mariakerke 1872 - we zullen hem straks op de Albertusmolen terugvinden) uit een molenaarsgeslacht. Ze waren zoons van Bartholomeus Declercq, molenaar uit Vladslo (ca. 1752 - Oostende 1800). Pieter J. Declercq was gehuwd (Oostende 11.03.1829) met Adela Francisca Vandewalle (Oostende 1807 - Mariakerke 1888), zijn nicht. Zij was nl. de dochter van Bartholomeus Ludov. Vandewalle molenaar (ca. 1778 - Oostende 1841) en van Catharina Genoveva Declercq (Leffinge ca. 1778 - Oostende 1847). Die Catharina was gesproten uit het eerste huwelijk van Bartholomeus Declercq en dus een halfzuster van Peter Declercq. Voor zijn huwelijk had Peter van koning Willem I "vrijstelling" (verkregen) "van de wettelijke verordeningen waarbij huwelijken tussen oom en nicht zijn verboden". Dat huwelijk met haar oom bracht Adela weinig geluk. Haar man stierf toen hij nauwelijks 50 jaar oud was. Daarna verloor zij drie kinderen waarvan twee vrij jong, nl. Adelaïde (Oostende 1831 - Mariakerke 1852), Maria Catharina (Oostende 1833 - Mariakerke 1876) en Ludovicus Jacobus (Oostende 1838 - Mariakerke 1858). Adela overleefde haar man 38 jaar en beheerde de zaken, wellicht geholpen door haar broer Albert Lud. Vandewalle molenaar (Oostende 1817-1902). In 1853 bouwde zij een huis bij de molen (dus op A 22b). In 1866 kocht ze de grond met de molen erop.

Het jaar van haar dood, 1888, werd de molen verkocht aan Jozef Gabriël Sanders (Mariakerke 1860 - Oostende 1935). Drie jaar later volgde de afbraak van de molen. Zo waren nog vóór het einde van de eeuw die twee molens van het Mariakerkse grondgebied verdwenen.

Daarmee is het raadsel van die dubbele Molenstraat opgelost. Met anderen heb ik vroeger bij die straatnaam gewoon aan één enkele molen gedacht. Maar die kadastergegevens betreffende A 19 en A 22b heffen elke twijfel op. Er hebben daar werkelijk twee molens gestaan en daaraan herinneren dan ook de Molenstraat en de Oude Molenstraat. Het was trouwens niet logisch aan één molen twee straatnamen te wijden.

Toch intrigeert het mij dat ik nog geen kaart gevonden heb waarop die twee molens aangeduid worden. Zelfs het kadasterplan van Mariakerke (1844) (ook genoemd Atlas der Buurtspoorwegen), van POPP (ca. 1850) en onze oudste stafkaarten nl. die van Ph. Vandermaelen (1846-1854) en die van het Dépót de la Guerre (1876) (allebei op schaal 1:20.000) kennen slechts de eerste molen (die op A 19).

We keren terug naar de Albertusmolen (kad. B 27). De "Kadastergegevens Westvlaamse Molens" van Holemans en Denewet geven dus als bouwdatum van de molen op : "kort vóór 1665". Dat wordt onrechtstreeks bevestigd door een kadastraal document (uit het Rijksarchief Brugge betreffende B 27 mij meegedeeld door D. Farasyn). Op dat stuk uit 1667 wordt de molen vermeld met als molenaar Petrus vanden Bussche en met de bepaling, in 1674, dat de molen belast wordt op 8 gemeten.

De Albertusmolen kan dus werkelijk kort vóór 1665 opgericht zijn en die Petrus vanden Bussche was bijna zeker de eerste mulder. Uit de parochieregisters van Mariakerke weten we dat hij in 1665 trouwde allicht met het vooruitzicht op de pas gebouwde molen zijn brood te verdienen. Bij zijn vrouw, Maria Duyfkens, kreeg hij zeven kinderen. Hij stierf in Mariakerke op 1 april 1696. Zijn dochter Barbara (1669-1725) huwde met Korneel van Remoortele (1662-1719) die van 1700 tot 1709 hoofdman was van Mariakerke (cf. ook : J. Beyen, Oud-Mariakerke, p. 87 en 97).

In dezelfde parochieregisters wordt de Albertusmolen tweemaal vermeld, de eerste keer op het einde van de 17e, de tweede keer op het einde van de 18e eeuw. In zijn lijst van overledenen noteert pastoor J.B. Kykempost (pastoor 1687-1705) dat ene Petrus Vanhautem uit Gent op 31 augustus 1692 in zee verdronken was "prope molendinum", d.w.z. ter hoogte van de Molen. De ongelukkige werd 's anderendaags op het Mariakerkse kerkhof begraven. En bijna honderd jaar later schrijft pastoor J. De Cuyper (pastoor 1762-1805) het overlijden in van Jan Baptist Coenije (Zande 1716 - Mariakerke 1780) en stipt naast diens naam aan: molitor. De enige keer dat we beroep van molenaar in de registers aantreffen.

In de loop van de 18e eeuw begint onze Albertusmolen te prijken op tal van militaire en andere kaarten. Opnieuw haalt Mariakerke bekendheid uit oorlogsgeweld nl. de kortstondige belegering van Oostende door Engelsen en Hollanders van 17 juni tot 8 juli 1706. De opperbevelhebber, maarschalk van Ouderkerk, had toen ook zijn hoofdkwartier in Mariakerke. Die aanval op Oostende was een episode uit de ingewikkelde Spaanse Successieoorlog (1701-1714) ontstaan na de dood van Karel II van Habsburg, koning van Spanje, die het in zijn hoofd kreeg, na twee huwelijken, kinderloos te sterven. Een kluif voor Europese erfenisjagers. Na een driedaags vernietigend bombardement gaf onze stad, verdedigd door een Frans en een Spaans garnizoen, zich over.

Van de talrijke stadsplannen toen opgemaakt citeert A. Verbouwe er 13, nl. nrs. 299 tot 311. Nr. 304 ("Plan van de gelegentheydt der stad Oostende...") staat ook afgedrukt in R. Laurent, De havens aan de kust en aan het Zwin, (Alg. R. Arch. Brussel, 1986, illustr. nr . 28, p. 57). De gegevens van die kaart komen in essentie overeen met die van de nrs. 304 b en 305 bij Verbouwe. Vooral nr. 305, getekend door ir. C. Hoppach, is leerrijk. Daarop zien we de opstelling van de belegerende regimenten gelegerd tussen de Steense Dijk (hier genoemd: "Digue d'Albert") en Raversijde. En daar staat ook de Albertusmolen, iets oostelijk van het Albertusfort en bij de verbinding van de eeuwenoude Duinenweg en de Steense Dijk.

De 18e eeuw levert nog meer kaarten op waarop de Albertusmolen is aangeduid. Op een prent van Eug. Henry Fricx (geëtst door Harrewijn, Brussel 1712), staat de molen wat schriel naast het Albertusfort. Heel wat fleuriger vertoont hij zich op de frisse kaart van graaf de Ferraris (1771-1778) (cf. ook Verbouwe, nr. 1227). Bij het kruispunt daarop van Duinenweg en Steense Dijk lezen we : Fort en oude molen Albertus.

De 19e eeuw, de eeuw van de fotografie en het ontwakend toerisme, maken Mariakerke en zijn molen wijd bekend. Gevoelige zielen ontdekken de rustieke charme van het dorp. Van uit Oostende komen ze gewandeld of gereden naar de nog brede en dichtbegroeide duinen. Een zwerm artiesten uit binnen- en buitenland tekenen, etsen en schilderen er pittoreske hoekjes. Niet alleen Ensor en Musin van bij ons (Ensor vooral met zijn "Klein" en zijn "Groot Gezicht op Mariakerke" - etsen uit 1887 - waaruit zijn diepe genegenheid voor het dorp spreekt), maar ook Gudin, Cannelle, Binje, Elwel, Finch, Heins, Cassiers, Auguin, Baertsoen, Van Leemputten, de Burggraff, Sirtaine, Dardenne (cf. Verbouwe, nrs. 660 e.v.).

Ook onze molen deelt in de glorie. Aan de hand van al vermelde topografische kaarten van België van Ph. Vandermaelen (1846-1854) en van het Dépót de la Guerre (ca. 1876) en vooral van kadastrale gegevens (uit 1844, 1858, 1866) kunnen we hem nauwkeuriger lokaliseren.

De Albertusmolen wordt er neergezet dicht bij de samenloop van wat op de Atlas der Buurtspoorwegen (1844) heet

Iconografie
"De Albertusmolen in Mariakerke". Litho van C. Motte (ca. 1850)
"De Albertusmolen in Mariakerke". Foto ca. 1875
"Chemin no. 1" m.a.w. de Duinenweg, en "Chemin no. 4" of Steense Dijk. De molen staat noordoostelijk van die dijk en zuidelijk van de Duinenweg die wat verder naar het westen een bocht maakt (nu gevormd door de huidige Raversijdestraat). De Duinenweg doorsnijdt de Albertuswijk die ca. 1860 een dozijn woningen telde, de meeste aan de zuidkant van de Duinenweg. Hoewel de wereld daar, na meer dan een eeuw, grondig van aanschijn veranderd is, kunnen we de Albertusmolen situeren aan het noordelijk uiteinde van de Leopold Van Tyghemlaan. Daar, tussen Troon- en Wielingenstraat, bij dat lelijk parkeerpleintje aan de westkant van het Mediacenter, waarachter de Duinenweg uit Oostende toekwam, daar moet de Albertusmolen gestaan hebben. Meer dan honderd jaar verdwenen leeft hij schimmig voort in de naam van de villa "Le Moulin" vlakbij, Aartshertogstraat 88 (cf. ook J. Beven, Oud-Mariakerke, p. 16).

Het overvloedig en prachtig geïllustreerd "Zee en Duinen" van Georges Devent (Van de Wiele, Brugge, 1991) wijdt twee treffende afbeeldingen aan onze Albertusmolen : een litho (p. 63) en een foto (p.65).
De litho uit ca. 1850 is van C. Motte naar een schilderij van de Parijzenaar Jean Gudin(1802-1880). De voorstelling is uitgesproken romantisch. Vooraan rechts de rijzige molen eenzaam op een duin bij de bochtige zandweg (ongetwijfeld de Duinenweg). Compositorisch een uiterst zwakke afstraling van het grandioze meesterstuk van Jacob Ruysdael: de Molen van Wijk. Ook hier, bij Motte-Gudin, domineert de molen. Op de voorgrond links op de weg, een man en een vrouw die achter een koe aanstappen. Bij het lage huis in de bocht links, een drietal personen, rechts een paar dieren en een viertal menselijke figuren. Centraal op de prent een gefantaseerde hoeve dicht bij de zee, buiten de bescherming van de duinen. In de achtergrond rechts: de zee, waarop een boot te zien is. Links het dorp met de kerk beschut door hoge duinen. Van de Albertuswijk is weinig te bekennen. Die is blijkbaar opgeofferd voor het pittoreske effect.

De molen zelf is met enkele details uitgevoerd. Het is een staak- of standaardmolen met open voet, een kapelledak en twee zoldervloeren. We zien duidelijk de staart die door de trap steekt. Onder de molen : de staak en ertegen de zes steekbanden of schoren. Boven op de trap stapt de molenaar naar binnen. De wieken zijn W.N.W. georiënteerd.

Realistisch natuurlijk is de foto die dateert van omstreeks 1875, d.w.z. ca. 25 jaar na de litho. Ze werd vermoedelijk genomen in de buurt van het (huidige) Mediacenter en is niet nauwkeurig te interpreteren, vooral wegens de bedriegelijke perspectief. Ze maakt ook duidelijk dat in de litho de fantasie een grote rol speelt. De duinen, nog dicht begroeid, vullen bijna de hele foto. Boven links, de molen en achteraan de dorpskerk met de piramidale torenspits van vóór 1914. De molen maakt hier een massievere indruk dan op de litho maar de details van de constructie zijn niet te onderscheiden. De wieken zijn georiënteerd naar het westen. Rechts, als verloren in de duinen, de huizen van de Albertuswijk. We onderscheiden nederige maar ook en paar degelijke woningen met een verdieping. Tussen die gebouwen loopt, onzichtbaar, de Duinenweg.

Uit de ets van Ensor getiteld "Le Moulin de Mariakerke" (1889), ook uit het oosten gezien en heel losjes-impressionistisch uitgevoerd, is weinig op te maken. De staakmolen beheerst de duinen waarin links en rechts enkele huizen van de Albertuswijk.

De datering - na de verplaatsing - doet vermoeden dat Ensor de molen etste uit het geheugen of aan de hand van een foto.

Om te weten te komen wie de opeenvolgende eigenaars en molenaars waren, laten de parochieregisters met hun schaarse informatie (b.v. over het beroep  van de overledene) laten ons in de steek.

Een belangrijke bron van informatie over die materie nl. het werk van Julien VERHAEGHE: "Oostende en Randparochies deel 2 : de wettelijke Passeringen 1547-1796 onder het westkwartier van het Brugsche Vrije" V.V.F. Oostende, 1989. Dat zijn m.a.w. notariële akten verleden voor de schepenbank van het "Brugsche Vrije" - westkwartier. Daarin geeft hij de korte samenvatting van 1811 akten, de zgn. "registers notariaal" (koop, verkoop, lening, enz.). Een jarenlange benedictijnerjob die hem liters transpiratie heeft gekost.

Hoofdzakelijk aan de hand van dat corpus probeer ik hier een beetje waarheid te achterhalen en verwijs daarbij, waar het past, naar de nummers (met datum) uit die wettelijke passeringen ( = W.P.). Op te merken valt dat sommige transacties betreffende onze Albertusmolen voor andere autoriteiten werden verricht en in Verhaeghes W.P. niet voorkomen. Er blijven dus vele hiaten. Die eigenaars identificeren is geen eenvoudige klus. De erfeniskwesties maken er een puzzel van. Wie steigert niet als hij leest dat N... "de 2/3 in 1/2 van een korenwindmolen verkoopt"? Om de warrige situatie te illustreren, copieer ik hier het essentiële uit de eerste vijf nrs. van de W.P. waarin er spraak is van de Albertusmolen. Ik tracht bondig en duidelijk te blijven en geef beknopte commentaar.

1. W.P. 728 - 20.04.1665
"Sr Jan STEVENS leent 48 lb op een nieuwe korenwindmolen te Albertus, aan de dijk, west van Oostende aan : 1 Anthoine MONTEVILLE - 2. Antheunis VANDEN BUSSCHE. Commentaar : a. "Albertus" betekent hier de Mariakerkse wijk, ontstaan bij het Albertusfort, het gewezen Spaans hoofdkwartier tijdens het beleg en genoemd naar aartshertog Albrecht. b. De Albertusmolen is dus nieuw in april 1665. c. De lening van 48 pond dient waarschijnlijk om met de exploitatie van de molen te starten. d. Van die MONTEVILLE vinden we verder in de W.P. geen spoor.

2. W.P. 729 - 18.06.1665
"Jan STEVENS, korporaal op 't fort Albertus bij Oostende koopt 1/3 van een korenwindmolen te Mariakerke bij Albertus, van Anthone VANDEN BUSSCHE...". Commentaar : a. Die Anthone is dezelfde als bovenvermelde Antheunis. b. Jan STEVENS en Antheunis VANDEN BUSSCHE zijn dus gedeeltelijk eigenaar van de Albertusmolen. Allicht ieder voor 1/3. c. In 1665, 60 jaar na 't beleg, is het Albertusfort nog bezet of bewoond.

3. W.P. 741 - 16.06.1668
"Sr Jacobus VAN HOUTTE, koopman te Oostende, laat wegens achterstallige betaling, beslag leggen op de herberg "De drie Koningen" te Albertus, bewoond door Antheunis en op 1/3 van een korenwindmolen te Mariakerke, gebruikt door Pieter DE BOSSELE ten laste van Juan ESTENAU te Oostende". Commentaar : a. Kort na het beleg ontwikkelde de Albertuswijk zich met enkele huizen en de onmisbare herbergen, o.a. Sint Joris (al vermeld in 1615 - cf. W.P. 166). Andere herbergen aldaar waren : "Het Bourgoens Cruce" (W.P. 784 - 1675), "De Croone" (W.P. 804 - 1678) en "Den rooden Leeuw" (W.P. 834 - 1680). b. Met Antheunis is weer Antheunis VANDEN BUSSCHE bedoeld en met Pieter DE BOSSELE (foutief gespeld) zijn zoon Pieter VANDEN BUSSCHE. De vader woont dus in "De drie Koningen", huis en herberg bij de Albertusmolen. Zijn zoon gebruikt de molen. c. Wat Juan ESTENAU betreft, die naam kunnen we lezen als Juan ESTEVAN wat waarschijnlijk de hispanisering is van Jan STEVENS (cf. supra W.P. 729). Deze heeft zich hier in de schulden gestoken maar we weten niet precies hoe. Hij verschijnt verder niet meer in de W.P.

4. W.P. 944 - 21.07.1693
"Joanne WINANTS, weduwxe Jacques VAN HOUTTE, poorteresse van Oostende, verkoopt 1/9 in een korenwindmolen bij het fort Albert te Mariakerke aan Pieter VANDEN BUSSCHE". Commentaar: a J. VAN HOUTTE (cf. supra W.P. 741) was dus eigenaar geweest van 1/9 molen. Hoe en wanneer hij dat verworven had, zeggen de W.P. ons niet. b Over de eerste een apart woordje. Pieter VANDEN BUSSCHE was een vrijlaat uit Ichtegem. Hij had zich gevestigd in Mariakerke waar hij op 01.10.1665 getrouwd was met Maria DUYFKENS bij wie hij zeven kinderen kreeg, allen geboren in Mariakerke tussen 1666 en 1676. Die Pieter was een ondernemend man en moet goede zaken gedaan hebben. Tussen 1680 en 1695 kocht hij land en hofsteden in Wilskerke, Ichtegem, Koekelare, St.-Catharina en Moere (cf. W.P. 831, 833, 859, 867, 886, 904, 956). Hij sterft op 01.04.1696 en de nu volgende koopakte W.P. 961 - het laatste nummer dat ik in extenso citeer - noemt een vroegere gedeeltelijke eigenaar van de Albertusmolen, nl. Steven VAN HOORNE.

5. W.P. 961 - 28.04.1696
"Pieter VANDEN BUSSCHE, fs Anthone, vrijlaat in Ichtegem (deerfgenamen van) kopen 1/3 in een korenwindmolen genaamd Sint Albertus te Sint Catharina onder 's Heerwoutermans van: 1. Steven VAN HOORNE, fs Steven x Willeminken VAN MIDDELEM 2. Pieter MERGAERT x Catheline VAN HOORNE 3. Adriaen CUYLE x Josyne VAN HOORNE, fa Steven D'OUDE 4. Jan Baptist DE ROY x Pieternelle VAN HOORNE, fa Steven D'OUDE 5. Marie VAN HOORNE, fa Steven D'OUDE, jonge dochter". Commentaar : a. De kinderen van Steven VAN HOORNE, nl. een zoon en vier dochters, waren dus eigenaars geweest van 1/3 van de Albertusmolen. Mogelijk sinds de oprichting van de molen. b. Dat is hier de eerste en enige vermelding van die Van Hoornes die ook geen Mariakerkenaars waren maar - zoals de Vanden Bussches - waarschijnlijk afkomstig uit Ichtegem waar in de 17e en 18e eeuw honderden naamgenoten gedoopt werden. c. De Albertusmolen wordt hier gesltueerd op St.-Catharina, de aanpalende parochie. Dat is heel waarschijnlijk te verklaren doordat de molen bij de grens stond van Mariakerke en St.- Catharina. Die onnauwkeurige localisering komt verder in de W.P. nog meer voor. d. Tot de eerste (gedeeltelijke) eigenaars van de Albertusmolen behoorden dus de families VAN HOORNE en VANDEN BUSSCHE. Na de dood van Pieter VANDEN BUSSCHE (1696) blijft de molen nog een tijdje in het bezit van de kinderen VANDEN BUSSCHE en wel van de vier overlevende dochters : Barbara, Agatha, Joanna en Catharina. Nu komt Korneel VAN REMOORTEL (1662-1719) ten tonele. Hij was in 1685 gehuwd met Barbara VANDEN BUSSCHE (1669-1725), de tweede dochter van Pieter. Zij kregen dertien kinderen van wie er zes heel jong stierven. Korneel was hoofdman van Mariakerke in een dramatische tijd (1700-1709) geteisterd o.m. door militaire troebelen. Opgelucht gaf hij zijn functie over aan Jan MUS in 1709 (cf. J. BEYEN, Oud-Mariakerke. Ontwerp klapper parochieregisters 1625-1796 - p. 96-99).

Zoals zijn schoonvader was Korneel VAN REMOORTEL een ondernemend man. Met zijn vrouw bouwde hij in Mariakere een brouwerij. Hij kocht land in Zandvoorde van zijn schoonzuster Agatha VANDEN BUSSCHE (° 1672), gehuwd met Pieter DE MOL, en met dezelfden ruilde hij gronden in Koekelare en Mariakerke (W.P. 1005 en 1011 - 1701). Van zijn tweede schoonzustter Joanna (° 1674) gehuwd met Hendrik TYSSEN, koopt hij 1/4 van de Albertusmolen (W.P. 1053 - 1709). Van zijn derde schoonzuster Catharina (1676-1731) (in 1710 weduwe geworden van Reynier HENDRICX) koopt hij 1/8 en 1/5 in een hofstede in Mariakerke en in St.-Catharina. Hij ontvangt van haar ook een schuldbrief van ruim 58 pond op 1/4 van de Albertusmolen, haar erfdeel (W.P. 1150 en 1151 - 1717).

Korneel VAN REMOORTEL sterft in 1719 en de situatie blijft ingewikkeld. Op 13.11.1728 gaat bovenvermelde Catharina VANDEN BUSSCHE twee leningen aan. Van Karel MATTHIJS leent ze ruim 105 pond op 1/2 van een door haar gebruikt huis en op de Albertusmolen ("die ze gemeen heeft met de kinderen Korneel VAN REMOORTEL). Van de "disch" van Oudenburg leent ze nog eens 50 pond op de Albertusmolen (W.P. 1212 en 1213).

Blijkbaar is er bij de Vanden Bussches en bij de Van Remoortels geen solide opvolger voor het molenaarschap. De molen gaat dus over in andere handen.

De daareven genoemde Karel MATTHIJS verwerft een gedeelte van de Albertusmolen. Dan treedt een zekere Jan VAN DOESSELARE (1698) naar voren, getrouwd met Anna MISSELIS (Zande 1682) weduwe van Joos COIGNE (ook gespeld COEGNE, CONJE, COENIJE) (+ 1730). Jan is poorter van Torhout, woont in Mariakerke en gebruikt al een tijdje de molen. De helft daarvan koopt hij in mei 1735 van de kinderen Korneel VAN REMOORTEL, nl. Catharina (1686), Franchois (1704), Barbara (1689), Adriana (1697), Ignatius (1706) en Pieter-Jacob (1709) (W.P. 1250). Een goeie maand later koopt Jan VAN DOESSELAERE van Karel MATTHIJS 7/8 in 1/2 van de Albertusmolen (het resterende 1/8 behoort aan Anthone HENDRICX, zoon van Reynier en Catharina VANDEN BUSSCHE). Op dezelfde dag leent VAN DOESSELAERE 120 pond van Karel MATTHIJS op de molen (W.P. 1251 en 1252 - 18.06.1735).

Jan VAN DOESSELAERE sterft al in 1736. Maar de molen blijft in de familie al ziet het er behoorlijk ingewikkeld uit. Bezitter is nu Jacobus VAN MALDEGHEM uit Gistel. Hij is gehuwd met Genoveva VAN DOESSELAERE, dochter van Jan V.D. Die Jacobus verkoopt in 1750 7/8 in 1/2 van de Albertusmolen (1/8 is nog steeds van Anthone HENDRICX) aan Melchior DE MUYTER uit Oostkamp (° 1714) die de molen al een tijdje gebruikt en ondertussen gehuwd is met de trouwlustige Anna MESSELIS (hij is haar derde man) (W.P. 1356). De volkstelling van Mariakerke 1748 noemt ze als volgt: "Melsior Demutter Baes meullenaere van synen style, Anna Misselus syne huysvrouwe". Een half jaar later koopt dezelfde Melchior van de erfgenamen van Reynier HENDRICX bijna het hele restant van de molenerfenis (W.P. 1360 - 17.04.1751).

De W.P. laten ons nu 37 jaar wachten op verdere informatie over de Albertusmolen. De moleneigenaars zijn (voorlopig) in de familie gebleven.

Jan Baptist COIGNE uit Leke, oudste zoon van Joos COIGNE en Anna MISSELIS, en gehuwd met Isabella VANDEN BUSSCHE uit Keiem, was in 't bezit gekomen van de molen. Op 24 september 1780 stierf hij in Mariakerke, 66 jaar oud. Hij is de eerste en enige molitor of molenaar die in de parochieregisters vermeld wordt.

Zijn opvolger was Karel Jozef LONCKE uit Diksmuide die met J.B. Coignes weduwe getrouwd was. Die K.J. LONCKE leende in 1788 800 pond, op de Albertusmolen, van Frans Jozef, graaf van Carnin en Staden (W.P. 1720 - 25.10.1788). Het volgend jaar al verkocht K.J. LONCKE de molen aan een Joannes HENDERYCKX (W.P. 1729 - 18.07.1789).

Die J. HENDERYCKX was (1728) geboren in Roggel, nu in Nederlands Limburg, maar tot 1789 gelegen in de enclave Horn die tot het prinsbisdom Luik behoorde. Hij was in zijn eerste huwelijk getrouwd met Maria DYSERINCK (1741-1786), dochter van Jan en Jacoba MAES en staat vermeld (ve.Or zijn tweede huwelijk met Joanna Catharina GALLE 30.01.1787) op de grote grafsteen van de familie Jan DYSERINCK-MAES, in de devotiekapel van het Duinenkerkje, Mariakerke (tweede van links). (cf. G. BILLIET, O.L.V. ter Duinen, Oostende, 1981, p. 50-52 en J. BEYEN, Oud-Mariakerke, p. 46).

Vijf maanden later leent die J. HENDERYCKX 400 pond op de Albertusmolen, op de herberg "Den Coninck van Spaignien" in Stene en op nog een ander huis aldaar. Hij leent dat "van het gemene sterfhuis van jo Godelieve DE VYNCK, weduwe van Sr Ferdinand MARYSSAEL te Leffinge" (W.P. 1737 - 16.01.1790).

Hiermee eindigen de inlichtingen in de W.P. omtrent onze Albertusmolen.

In het laatste decennium van de 18e eeuw duikt voor korte tijd een nieuwe molenaar op, nl. Tilleman BOEYDEN (of BOUDENS, BOYDENS).

Een duister geval. Hij is geboortig van Oostende (13.10.1769) en trouwt in Mariakerke op 6 juli 1790 met Anna Theresia MENY uit Oudenburg (° 17.04.1764), weduwe van Lodewijk CAERE. Tilleman en Anna Theresia krijgen twee zoons : Laurens (16.08.1791) en Jacob (05.11.1792). Maar dan verdwijnt Tilleman uit Mariakerke. Hij is al twee jaar weg als Anna Theresia op 20.07.1795 van een filia spuria (buitenechtelijk) bevalt. In 1796 betaalt de "disch" (van Mariakerke) een rekening voor Anna "huisvrouw van Tilleman BOUDENS, molenaere". Maar van onze Tilleman geen spoor meer (cf. J. BEYEN, Oud-Mariakerke, p. 8).

Nu verschijnt het laatste molenaarsgeslacht dat over de Albertusmolen (en over de houten graanmolen bij Petit Paris) geheerst heeft, nl. de familie DECLERCK (ook gespeld : DECLERCQ) uit Vladslo. Daarmee sluit ik aan bij mijn bovenvermeld molenopstel waarnaar ik verwijs en waarin ik die familie geïntroduceerd heb.

De volkstelling van Mariakerke in 1814 vermeld als molenaar op de Albertusmolen Philippus Jacobus DE CLERCK (Vladslo 27.09.1765). Hij is getrouwd met Joanna Clara VANHEE uit Eernegem (° 02.05.1770). Het gezin telt zes kinderen : Catharina, Petrus, Maria, Carolus, Hendricus en Joannes, allen geboren in Eernegem tussen 1789 en 1809. Allicht hebben ze zich ca. 1810 in Mariakerke gevestigd.

Die Philippus is de jongere broer van Batholomeus Jacobus DECLERCK (Vladslo 1753 - Oostende 1800). Die Batholomeus kennen we al. Hij is de vader van Catharina Genoveva DECLERCK (Leffinge 1788 - Oostende 1847) uit zijn eerste huwelijk, en van Frans Leopold (Oostende ca. 1793 - Mariakerke 1872) en van Pieter Jan (Oostende 1800 - Mariakerke 1850) uit zijn tweede huwelijk.

Mulder Philippus werd heel waarschijnlijk opgevolgd door zijn neef Frans Leopold van wie wij weten dat hij in 1849 de Albertusmolen kocht. Die Frans Leopold was getrouwd met Regina ROUSSEAU (1805- 1889 uit Oudezele bij Cassel, Fr.-V1). bij wie hij twee zoons had.

De jongste, Karel Lodelijk (Mariakerke 1849-1869) is vroeg gestorven. De oudste, genoemd naar zijn vader Frans Leopold (Mariakerke 1845 - Oostende 1919), nam het vaderlijk bedrijf over en is de laatste molenaar geweest op Albertus hier in Mariakerke.

Wat Pieter Jan betreft, de tweede zoon van Bartholomeus DECLERCK, die exploiteerde sinds 1840 een houten graanmolen (kad. A. 22b) bij het gewezen Galgeveld, molen die van het eerste Leopoldpark op het Hazegras naar Petit Paris werd gehaald. Hij was getrouwd met zijn nicht Adela Francisca VANDE WALLE (Oostende 1807 -Mariakerke 1888), een dochter van zijn halfzuster Catharina Genoveva DECLERCK (cf. mijn molenopstel : De Plate, januari 1995).

Drie jaar na de dood van Adela werd die molen afgebroken.

Over de Albertusmolen nog een laatste notariële inlichting onlangs verkregen. Onze molen werd openbaar verkocht op 1 juli 1886 (cf. L'Echo d'Ostende, 27 juni 1886) door deurwaarder Karel DECLERQ, Rogierlaan 7, Oostende. Dat klopt met de kadastergegevens van HOLEMANS en DENEWET volgens welke de molen in 1887 afgebroken werd. De koper was Pieter MAELFEYT uit De Haan die de molen in de jonge badplaats monteerde. In 1913 volgde zijn zoon August hem op en in oktober 1925 werd Cyriel DELEERSNIJDER de nieuwe eigenaar.

De molen, Krinkelmolen genoemd, bleef in dienst tot 1934 en werd dat jaar afgebroken. Volgens hetzelfde notariële bericht verraadde een inschrift op de middelbalk dat de molen van Franse oorsprong was.

Daarmee is de lijst van die molenaars af. Wegens onvoldoende informatie sluit ze niet als een bus. Ter afronding laat ik ze nog eens de revue passeren (met afkomst en benaderende datums, zonder strikte nauwkeurigheid).

Steven VAN HOORNE Ichtegem - wrsch. v. af de oprichting 1665-1696 Pieter VANDEN BUSSCHE Ichtegem - id. tot 1696 Korneel VAN REMOORTEL Mariakerke - tot 1719 Jan VAN DOESSELAERE Torhout - ca. 1730 Jacob VAN MALDEGHEM Gistel - ca. 1736 Melchior DE MUYTER Oostkamp - ca. 1750 Jan Baptist COIGNE Leke - tot 1780 Karel Jozef LONCKE Diksmuide - tot 1789 Jan HENDERYCKS Roggel - ca. 1790 Tilleman BOYDENS Oostende - ca. 1792 Philippus Jacobus DECLERCK Vladslo - ca. 1814 Frans Leopold DECLERCK (vader) Oostende 1849-1872 Frans Leopold DECLERCk (zoon) Mariakerke - tot 1886

Opvallend in die lijst is dat de molenaars bijna allen uit het binnenland komen.

Uit een kadastraal document weten we dat Frans Declercq, de oudere broer van Pieter Jan, de Albertusmolen kocht in 1849. Frans was getrouwd met Regina Rousseau (Oudezele in Fr.-Vlaanderen, bij Cassel 1805-1889). Hun jongste kind, Carolus Ludovicus (Mariakerke 1848-1869) stierf goed twintig jaar oud, als molenaarsknecht, in zijn vaders woning Albertuswijk. Heel waarschijnlijk is de oudste zoon Frans Leopold Declercq (Mariakerke 1845 - Oostende 1919) zijn vader opgevolgd.

En die F.L. Declercq zal wel de laatste mulder geweest zijn op de Albertusmolen alhier.

Volgens G. Devent werd onze molen overgebracht naar De Haan in 1880 (cf. G. Devent, De Oostkunst van toen... - Van de Wiele, Brugge, 1982, p. 146 en "Zee en Duinen" ib. 1991, p. 64).

Waarschijnlijk gebeurde die verplanting (naar Vlissegem, Krinkelmolen) enkele jaren later. De kadastergegevens van Holemans en Denewet leren ons dat de molen afgebroken werd in 1887. Wegens het officiële karakter van die informatie hou ik het bij die laatste datum.

In zijn eerste werk (p. 146) vermeldt G. Devent nog volgende bijzonderheden over de Albertusmolen op zijn nieuwe standplaats in De Haan. In 1912 was de molen eigendom van Maelfeyt en in 1925 van Deleersnijder. De laatste jaren draaide hij nog met twee wieken tot 1933. Het jaar daarop werd hij gesloopt. Op p. 145 drukt Devent een indrukwekkende foto af van de molen uit ca. 1908. De gewezen staakmolen van Mariakerke staat er gemonteerd op teerlingen, met een dubbele zoldervloer. Of hij in die gedaante, vóór zijn verplaatsing naar De Haan, de Mariakerkse duinen heeft versierd weet ik niet. Volgens die foto moet hij in elk geval een prestigieuze verschijning geweest zijn en als een machtige reus de Albertuswijk gedomineerd hebben. Die laatste foto betekent voor de Albertusmolen een apotheose.

Zie verder: De Haan

Germain BILLIET

Bijlagen

Germain Billiet, "Omtrent de Albertusmolen in Mariakerke", in De Plate, jg. 24, 1995, 1 (januari), p. 10-16.

De Albertusmolen in Mariakerke. Litho van C. Motte (ca. 1850)

De Albertusmolen in Mariakerke. Foto ca. 1875

"Chemin no. 1" m.a.w. de Duinenweg, en "Chemin no. 4" of Steense Dijk. De molen staat noordoostelijk van die dijk en zuidelijk van fe Duinenweg die wat verder naar het westen een bocht maakt (nu gevormd door de huidige Raversijdestraat). De Duinenweg doorsnijdt de Albertuswijk die ca. 1860 een dozijn woningen telde, de meeste aan de zuidkant van de Duinenweg. Hoewel de wereld daar, na meer dan een eeuw, grondig van aanschijn veranderd is, kunnen we de Albertusmolen situeren aan het noordelijk uiteinde van de Leopold Van Tyghemlaan. Daar, tussen Troon- en Wielingenstraat, bij dat lelijk parkeerpleintje aan de westkant van het Mediacenter, waarachter de Duinenweg uit Oostende toekwam, daar moet de Albertusmolen gestaan hebben. Meer dan honderd jaar verdwenen leeft hij schimmig voort in de naam van de villa "Le Moulin" vlakbij, Aartshertogstraat 88 (cf. ook J. BEVEN, Oud-Mariakerke, p. 16).

Het overvloedig en prachtig geïllustreerd "Zee en Duinen" van Georges DEVENT (Van de Wiele, Brugge, 1991) wijdt twee treffende afbeeldingen aan onze Albertusmolen : een litho (p. 63) en een foto (p.65). De litho uit ca. 1850 is van C. MOTTE naar een schilderij van de Parijzenaar Jean GUDIN (1802-1880). De voorstelling is uitgesproken romantisch. Vooraan rechts de rijzige molen eenzaam op een duin bij de bochtige zandweg (ongetwijfeld de Duinenweg). Compositorisch een uiterst zwakke afstraling van het grandioze meesterstuk van Jacob RUYSDAEL: de Molen van Wijk. Ook hier, bij MOTTE-GUDIN, domineert de molen. Op de voorgrond links op de weg, een man en een vrouw die achter een koe aanstappen. Bij het lage huis in de bocht links, een drietal personen, rechts een paar dieren en een viertal menselijke figuren. Centraal op de prent een gefantaseerde hoeve dicht bij de zee, buiten de bescherming van de duinen. In de achtergrond rechts : de zee, waarop een boot te zien is. Links het dorp met de kerk beschut door hoge duinen. Van de Albertuswijk is weinig te bekennen. Die is blijkbaar opgeofferd voor het pittoreske effect. De molen zelf is met enkele details uitgevoerd. Het is een staak- of standaardmolen met open voet, een kapelledak en twee zoldervloeren. We zien duidelijk de staart die door de trap steekt. Onder de molen : de staak en ertegen de zes steekbanden of schoren. Boven op de trap stapt de molenaar naar binnen. De wieken zijn W.N.W. georiënteerd.

Realistisch natuurlijk is de foto die dateert van omstreeks 1875, d.w.z. ca. 25 jaar na de litho. Ze werd vermoedelijk genomen in de buurt van het (huidige) Mediacenter en is niet nauwkeurig te interpreteren, vooral wegens de bedriegelijke perspectief. Ze maakt ook duidelijk dat in de litho de fantasie een grote rol speelt. De duinen, nog dicht begroeid, vullen bijna de hele foto. Boven links, de molen en achteraan de dorpskerk met de piramidale torenspits van vóór 1914. De molen maakt hier een massievere indruk dan op de litho maar de details van de constructie zijn niet te onderscheiden. De wieken zijn georiënteerd naar het westen. Rechts, als verloren in de duinen, de huizen van de Albertuswijk. We onderscheiden nederige maar ook een paar degelijke woningen met een verdieping. Tussen die gebouwen loopt, onzichtbaar, de Duinenweg.

Uit de ets van ENSOR getiteld "Le Moulin de Mariakerke" (1889), ook uit het oosten gezien en heel losjes-impressionistisch uitgevoerd, is weinig op te maken. De staakmolen beheerst de duinen waarin links en rechts enkele huizen van de Albertuswijk.

De datering - na de verplaatsing - doet vermoeden dat ENSOR de molen etste uit het geheugen of aan de hand van een foto.

Ter hoogte van de bocht in Duinenweg, nabij de verbinding met de Steensedijk stond de Albertusmolen. Deze houten korenwindmolen werd kort voor 1665 gebouwd.

In de 19e eeuw telde Mariakerke drie windmolens. In "Les derniers moulins á vent dans l'arrondissement d'Ostende" (1939) herinnert C. Loontiens eraan dat Oostende, in 1850, nog twee windmolens telde en wel op de wallen, nl. één bij het kursaal en één bij de haven. Buiten de wallen, voegt hij erbij, bevond er zich nog één aan de Torhoutsesteenweg, bij de Koninginnelaan. Dat is een onnauwkeurige opmerking van de gewezen Oostendse stadsarchivaris, want op die laatste plaats, toen nog Mariakerke, stonden er in 1850 twee molens. C. Loontiens rept ook met geen woord van de derde Mariakerkse molen, nl. de Albertusmolen (genoemd naar het voormalig Albertusfort vlakbij) die in 1850 nog draaide.

In Oostende komen er windmolens voor in de 15e eeuw. Ed. Vlietinck citeert een "westmeulen" in 1494 (cf. Het oude Oostende, p. 148, noot 4). Op het bekende Oostendse stadsplan van Jac. van Deventer (ca. 1540, afgedrukt bij Vlietinck p. 146) noteren we vier molens, nl. een "oostmeulen", een "zuidmeulen" en twee op de havendijk. Daar moeten er ca. 1560-1565 drie gestaan hebben (cf. Vlietinck, o.c. p. 148 en noot 5 : "den dyck van de caije van Oosthende daer de drije meulens op staen").

Na het catastrofale beleg van onze stad (1601-1604) werden de onmisbare molens gauw weer opgericht. Al in 1605 rezen er drie op : de "oostmeulen" midden op het huidig Vissersplein, de "westmeulen" op de wallen bezuiden de Westpoort, en de "noordmeulen" benoorden de Vlaanderenstraat (cf. D. Farasyn, De Oostendse Molens, De Plate, sept 1978).

Op de kaart van Pieter Poubus (1562), waarop de windmolens worden aangeduid, tellen we in Oostende vijf molens, drie in Oudenburg, twee in Gistel en Leffinge en verder in de omgeving: één enkele molen in Bredene, Snaaskerke, Stene, Raversijde, Wilskerke, Slijpe maar geen enkele in Lombardsijde, Westende, Middelkerke en Mariakerke. Dat laatste schamele dorp, dat iconografisch laat aan bod komt, zal wel geen windmolen gehad hebben vóór 1600.

In het begin van de 17e eeuw kreeg Mariakerke levendige belangstelling wegens het spectaculair beleg van Oostende. De Spaanse belegeraars, geleid door aartshertog Albrecht, hadden hun hoofdkwartier in het Albertusfort alhier (in de Mariakerkse duinen gebouwd in 1600). Op tientallen plannen van de belegerde stad, met de talrijke versterkingen in de omgeving, verscheen ook de naam van het dorp, maar geen molen (cf. A. Verbouwe, Iconografie van het arrondissement Oostende. Brussel, ca. 1956, o.a. nr. 197: plaat 7 en nr. 213: plaat 8).

Op een kadastrale kaart (waarschijnlijk een tiendenkaart) van Mariakerke, uit ca. 1650, wordt het Albertusfort aangeduid, maar geen molen.

Het uitpluizen van het tijdschrift "Molenecho's" beloonde mij onverwacht en rijkelijk. Op p. 99 van jaargang 1994 trof ik een artikel aan van Patrick Florizoone (uit Nieuwpoort) "J. Ensor en de Molens". Tot mijn grote verrassing stonden van de Albertusmolen (door Ensor geëtst) het bouwjaar ("kort vóór 1665") en het slopingsjaar ("1887") aangegeven. Op mijn vraag om verantwoording van die datums antwoordde P. Florizoone dat ze hem bezorgd waren door de redactie van "Molenecho's". Ze waren gehaald uit een voor 1995 voorziene publicatie van H. Holemans en L. Denewet, nl. "Kadastergegevens Westvlaamse Molens". Daarna stuurde P. Florizoone - bijzonder gedienstig en hier van harte bedankt - een fotocopie van die inventaris betreffende Mariakerke, met schaarse maar interessante informatie over drie molens, nl. twee(kad. nrs. A 19 en A 22b) in de (vroegere) Sinte Catharinapolder (die tot Petit Paris had gereikt) en de Albertusmolen (kad. B 27).

Voor enkele punten ging ik mijn licht opsteken bij D. Farasyn met zijn encyclopedische kennis van het oudere Oostende. Voor zijn gedetailleerde mededelingen, waaronder bijkomende kadastrale notities, dank ik hem hier oprecht.

Sta me nu een korte uitweiding toe over die twee aparte molens (in de gewezen Catharinapolder) op Mariakerks grondgebied dat pas op 1 juli 1899 met de rest van het oude dorp door Oostende genaast werd.

De percelen A 19 en A 22b waren gelegen aan de noordwestkant van de Torhoutse Steenweg, bij een bocht van de Catharinakreek, ter hoogte van de Molenstraat. Op A 19 had er van 1834 tot 1896 een stenen graan- en oliewindmolen gestaan. Dat was de oudste van de twee molens. Die was eigendom geweest van de gebroeders Jan Hendrik Jozef Staesens (Mariakerke 1810 - Oostende 1886) en Alexander Frans Staessens (Mariakerke 1813 - Oostende 1874) ondernemende kooplieden en de zoons van Jan Frans Staessens uit Oudenburg (geb. ca . 1770-1835) die zich als koopman ging vestigen eerst in Mariakerke (waar zijn twee zoons geboren werden) en daarna in Stene waar hij als "wijn- en drankhandelaar" gestorven is, zeven jaar na zijn vrouw Noëmi Dugardein (Oudenburg ca. 1782-1828). Die Jan Frans Staessens moet een verstandig en bedrijvig zakenman geweest zijn. En vooral succesvol in zijn nakomelingen die een rol speelden in het Oostendse zakenleven.

Zijn oudste zoon Jan Hendrik Jozef huwde een dochter uit een gegoede familie: Euphrasie Louise Carbon (Oostende 1833-1910). De andere zoon Alexander Frans bleef ongehuwd. Onder de zonen van Jan H.J. was er een bankier, een brouwer en een exploitant van een steenbakkerij. En om nog eens te illustreren hoe klein de wereld is: Jan Olsen (1924) ons Platelid, de bekende voorzitter van motortoerisme Oostende en zoon van Elias Olsen, scheepsmakelaar uit het Noorse Drammen (aan een zijtak van de Oslofjord) en van Marie Adrienne Staessens(Oostende 1895 - Gistel 1989) is een kleinzoon van bankier Julien Jan Staessens (Oostende 1856-1938) die zelf een kleinzoon was van de bovenvermelde Jan Frans Staesens uit Oudenburg.

Terug naar de stenen molen op A 19. Op 25.08.1852 brandde die volledig uit en een jaar nadien werd hij met de bijhorende grond en woning (op A 17-20) verkocht aan Jan Augustinus Leleu (Gistel 1797 - Mariakerke 1890) een koopman in granen die zich gevestigd had in Mariakerke. Hij was gehuwd met Catharine Coleta KINT (Koolkerke 1807 - Oostende 1874). Het echtpaar J. Leleu-Kint bouwde in 1870 op A 17-20 een nieuwe woning.

Hun zoon Augustus Leleu (Brugge 1829 - Oostende 1900) gehuwd met Jacoba Prudentia Demuenynck (Oostende 1842-1908) moet daar de (herstelde) molen bediend hebben. De vader Jan A. Leleu, die in Oostende woonde, is tenslotte in Mariakerke overleden in het huis van zijn zoon waar hij tijdelijk verbleef. Volgens zijn overlijdensakte in de Mariakerkse registers stond die woning in de Molenwijk. Ik vermoed dat hiermee dat gedeelte van Mariakerke bedoeld is waarop de twee molens (A 19 en A 22b) stonden. De zoon Augustus wordt bij de aangifte van zijn zeven kinderen (allen geboren in Mariakerke tussen 1870 en 1882) telkens molenaar genoemd. Hij stierf in zijn woning Torhoutse Steenweg 83. Welnu dat is in de buurt van de molens en naar alle waarschijnlijkheid in de genoemde Molenwijk. Dat nr. 83 is nu Taverne Petit Venise (naast de Kredietbank) ongeveer halfweg tussen Petit Paris en de Weeshuisstraat. Het grafmonument van het echtpaar Aug. Leleu-Demuenynck staat op het kerkhof rond O.L.Vr. ter Duinen in Mariakerke. In 1896-1898 werd A 19 met A 20a grondig veranderd: na het slopen van de molen werden er huizen gebouwd.

En nu de tweede molen op A 22b. De kadastergegevens noemen de standplaats van die molen : Galgeveld. Die plaats, in documenten "place patibulaire" geheten (zoals D. Farasyn mij leerde), lag tussen het huidige Mac Leodplein en de Molenstraat. Daar bevond zich inderdaad in de Oostenrijkse tijd een terechtstelling plaats onder jurisdictie van het Brugse Vrije. In 1743 was er een houten galg opgetimmerd die in 1776 vervangen werd door een "blauw arduinen stenen galg opgericht door de stad voorbij de eerste brug liggende over de kreek van Sinte Catharina op onze kalsijdeweg" (nl. de Torhoutse Steenweg aangelegd in 1765). (zie ook J. Verhaeghe, "Een nieuw galgeveld voor Oostende 1776" in De Plate jg. 94 blz. 92).

Hier dan - en wel op grond van het armbestuur van Oostende - was begin 1840 een houten graanwindmolen overgebracht van het Hazegras (daar afgebroken wegens uitbreidingswerken) door Pier Jan Declercq (Oostende 1800 - Mariakerke 1850). Die Pieter Jan stamde met zijn oudere broer Frans Leopold (Oostende ca. 1793 - Mariakerke 1872 - we zullen hem straks op de Albertusmolen terugvinden) uit een molenaarsgeslacht. Ze waren zoons van Bartholomeus Declercq, molenaar uit Vladslo (ca. 1752 - Oostende 1800). Pieter J. Declercq was gehuwd (Oostende 11.03.1829) met Adela Francisca Vandewalle (Oostende 1807 - Mariakerke 1888), zijn nicht. Zij was nl. de dochter van Bartholomeus Ludov. Vandewalle molenaar (ca. 1778 - Oostende 1841) en van Catharina Genoveva Declercq (Leffinge ca. 1778 - Oostende 1847). Die Catharina was gesproten uit het eerste huwelijk van Bartholomeus Declercq en dus een halfzuster van Peter Declercq. Voor zijn huwelijk had Peter van koning Willem I "vrijstelling" (verkregen) "van de wettelijke verordeningen waarbij huwelijken tussen oom en nicht zijn verboden". Dat huwelijk met haar oom bracht Adela weinig geluk. Haar man stierf toen hij nauwelijks 50 jaar oud was. Daarna verloor zij drie kinderen waarvan twee vrij jong, nl. Adelaïde (Oostende 1831 - Mariakerke 1852), Maria Catharina (Oostende 1833 - Mariakerke 1876) en Ludovicus Jacobus (Oostende 1838 - Mariakerke 1858). Adela overleefde haar man 38 jaar en beheerde de zaken, wellicht geholpen door haar broer Albert Lud. Vandewalle molenaar (Oostende 1817-1902). In 1853 bouwde zij een huis bij de molen (dus op A 22b). In 1866 kocht ze de grond met de molen erop.

Het jaar van haar dood, 1888, werd de molen verkocht aan Jozef Gabriël Sanders (Mariakerke 1860 - Oostende 1935). Drie jaar later volgde de afbraak van de molen. Zo waren nog vóór het einde van de eeuw die twee molens van het Mariakerkse grondgebied verdwenen.

Daarmee is het raadsel van die dubbele Molenstraat opgelost. Met anderen heb ik vroeger bij die straatnaam gewoon aan één enkele molen gedacht. Maar die kadastergegevens betreffende A 19 en A 22b heffen elke twijfel op. Er hebben daar werkelijk twee molens gestaan en daaraan herinneren dan ook de Molenstraat en de Oude Molenstraat. Het was trouwens niet logisch aan één molen twee straatnamen te wijden.

Toch intrigeert het mij dat ik nog geen kaart gevonden heb waarop die twee molens aangeduid worden. Zelfs het kadasterplan van Mariakerke (1844) (ook genoemd Atlas der Buurtspoorwegen), van POPP (ca. 1850) en onze oudste stafkaarten nl. die van Ph. Vandermaelen (1846-1854) en die van het Dépót de la Guerre (1876) (allebei op schaal 1:20.000) kennen slechts de eerste molen (die op A 19).

We keren terug naar de Albertusmolen (kad. B 27). De "Kadastergegevens Westvlaamse Molens" van Holemans en Denewet geven dus als bouwdatum van de molen op : "kort vóór 1665". Dat wordt onrechtstreeks bevestigd door een kadastraal document (uit het Rijksarchief Brugge betreffende B 27 mij meegedeeld door D. Farasyn). Op dat stuk uit 1667 wordt de molen vermeld met als molenaar Petrus vanden Bussche en met de bepaling, in 1674, dat de molen belast wordt op 8 gemeten.

De Albertusmolen kan dus werkelijk kort vóór 1665 opgericht zijn en die Petrus vanden Bussche was bijna zeker de eerste mulder. Uit de parochieregisters van Mariakerke weten we dat hij in 1665 trouwde allicht met het vooruitzicht op de pas gebouwde molen zijn brood te verdienen. Bij zijn vrouw, Maria Duyfkens, kreeg hij zeven kinderen. Hij stierf in Mariakerke op 1 april 1696. Zijn dochter Barbara (1669-1725) huwde met Korneel van Remoortele (1662-1719) die van 1700 tot 1709 hoofdman was van Mariakerke (cf. ook : J. Beyen, Oud-Mariakerke, p. 87 en 97).

In dezelfde parochieregisters wordt de Albertusmolen tweemaal vermeld, de eerste keer op het einde van de 17e, de tweede keer op het einde van de 18e eeuw. In zijn lijst van overledenen noteert pastoor J.B. Kykempost (pastoor 1687-1705) dat ene Petrus Vanhautem uit Gent op 31 augustus 1692 in zee verdronken was "prope molendinum", d.w.z. ter hoogte van de Molen. De ongelukkige werd 's anderendaags op het Mariakerkse kerkhof begraven. En bijna honderd jaar later schrijft pastoor J. De Cuyper (pastoor 1762-1805) het overlijden in van Jan Baptist Coenije (Zande 1716 - Mariakerke 1780) en stipt naast diens naam aan: molitor. De enige keer dat we beroep van molenaar in de registers aantreffen.

In de loop van de 18e eeuw begint onze Albertusmolen te prijken op tal van militaire en andere kaarten. Opnieuw haalt Mariakerke bekendheid uit oorlogsgeweld nl. de kortstondige belegering van Oostende door Engelsen en Hollanders van 17 juni tot 8 juli 1706. De opperbevelhebber, maarschalk van Ouderkerk, had toen ook zijn hoofdkwartier in Mariakerke. Die aanval op Oostende was een episode uit de ingewikkelde Spaanse Successieoorlog (1701-1714) ontstaan na de dood van Karel II van Habsburg, koning van Spanje, die het in zijn hoofd kreeg, na twee huwelijken, kinderloos te sterven. Een kluif voor Europese erfenisjagers. Na een driedaags vernietigend bombardement gaf onze stad, verdedigd door een Frans en een Spaans garnizoen, zich over.

Van de talrijke stadsplannen toen opgemaakt citeert A. Verbouwe er 13, nl. nrs. 299 tot 311. Nr. 304 ("Plan van de gelegentheydt der stad Oostende...") staat ook afgedrukt in R. Laurent, De havens aan de kust en aan het Zwin, (Alg. R. Arch. Brussel, 1986, illustr. nr . 28, p. 57). De gegevens van die kaart komen in essentie overeen met die van de nrs. 304 b en 305 bij Verbouwe. Vooral nr. 305, getekend door ir. C. Hoppach, is leerrijk. Daarop zien we de opstelling van de belegerende regimenten gelegerd tussen de Steense Dijk (hier genoemd: "Digue d'Albert") en Raversijde. En daar staat ook de Albertusmolen, iets oostelijk van het Albertusfort en bij de verbinding van de eeuwenoude Duinenweg en de Steense Dijk.

De 18e eeuw levert nog meer kaarten op waarop de Albertusmolen is aangeduid. Op een prent van Eug. Henry Fricx (geëtst door Harrewijn, Brussel 1712), staat de molen wat schriel naast het Albertusfort. Heel wat fleuriger vertoont hij zich op de frisse kaart van graaf de Ferraris (1771-1778) (cf. ook Verbouwe, nr. 1227). Bij het kruispunt daarop van Duinenweg en Steense Dijk lezen we : Fort en oude molen Albertus.

De 19e eeuw, de eeuw van de fotografie en het ontwakend toerisme, maken Mariakerke en zijn molen wijd bekend. Gevoelige zielen ontdekken de rustieke charme van het dorp. Van uit Oostende komen ze gewandeld of gereden naar de nog brede en dichtbegroeide duinen. Een zwerm artiesten uit binnen- en buitenland tekenen, etsen en schilderen er pittoreske hoekjes. Niet alleen Ensor en Musin van bij ons (Ensor vooral met zijn "Klein" en zijn "Groot Gezicht op Mariakerke" - etsen uit 1887 - waaruit zijn diepe genegenheid voor het dorp spreekt), maar ook Gudin, Cannelle, Binje, Elwel, Finch, Heins, Cassiers, Auguin, Baertsoen, Van Leemputten, de Burggraff, Sirtaine, Dardenne (cf. Verbouwe, nrs. 660 e.v.).

Ook onze molen deelt in de glorie. Aan de hand van al vermelde topografische kaarten van België van Ph. Vandermaelen (1846-1854) en van het Dépót de la Guerre (ca. 1876) en vooral van kadastrale gegevens (uit 1844, 1858, 1866) kunnen we hem nauwkeuriger lokaliseren.

De Albertusmolen wordt er neergezet dicht bij de samenloop van wat op de Atlas der Buurtspoorwegen (1844) heet

Iconografie "De Albertusmolen in Mariakerke". Litho van C. Motte (ca. 1850) "De Albertusmolen in Mariakerke". Foto ca. 1875 "Chemin no. 1" m.a.w. de Duinenweg, en "Chemin no. 4" of Steense Dijk. De molen staat noordoostelijk van die dijk en zuidelijk van de Duinenweg die wat verder naar het westen een bocht maakt (nu gevormd door de huidige Raversijdestraat). De Duinenweg doorsnijdt de Albertuswijk die ca. 1860 een dozijn woningen telde, de meeste aan de zuidkant van de Duinenweg. Hoewel de wereld daar, na meer dan een eeuw, grondig van aanschijn veranderd is, kunnen we de Albertusmolen situeren aan het noordelijk uiteinde van de Leopold Van Tyghemlaan. Daar, tussen Troon- en Wielingenstraat, bij dat lelijk parkeerpleintje aan de westkant van het Mediacenter, waarachter de Duinenweg uit Oostende toekwam, daar moet de Albertusmolen gestaan hebben. Meer dan honderd jaar verdwenen leeft hij schimmig voort in de naam van de villa "Le Moulin" vlakbij, Aartshertogstraat 88 (cf. ook J. Beven, Oud-Mariakerke, p. 16).

Het overvloedig en prachtig geïllustreerd "Zee en Duinen" van Georges Devent (Van de Wiele, Brugge, 1991) wijdt twee treffende afbeeldingen aan onze Albertusmolen : een litho (p. 63) en een foto (p. 65). De litho uit ca. 1850 is van C. Motte naar een schilderij van de Parijzenaar Jean Gudin(1802-1880). De voorstelling is uitgesproken romantisch. Vooraan rechts de rijzige molen eenzaam op een duin bij de bochtige zandweg (ongetwijfeld de Duinenweg). Compositorisch een uiterst zwakke afstraling van het grandioze meesterstuk van Jacob Ruysdael: de Molen van Wijk. Ook hier, bij Motte-Gudin, domineert de molen. Op de voorgrond links op de weg, een man en een vrouw die achter een koe aanstappen. Bij het lage huis in de bocht links, een drietal personen, rechts een paar dieren en een viertal menselijke figuren. Centraal op de prent een gefantaseerde hoeve dicht bij de zee, buiten de bescherming van de duinen. In de achtergrond rechts: de zee, waarop een boot te zien is. Links het dorp met de kerk beschut door hoge duinen. Van de Albertuswijk is weinig te bekennen. Die is blijkbaar opgeofferd voor het pittoreske effect.

De molen zelf is met enkele details uitgevoerd. Het is een staak- of standaardmolen met open voet, een kapelledak en twee zoldervloeren. We zien duidelijk de staart die door de trap steekt. Onder de molen : de staak en ertegen de zes steekbanden of schoren. Boven op de trap stapt de molenaar naar binnen. De wieken zijn W.N.W. georiënteerd.

Realistisch natuurlijk is de foto die dateert van omstreeks 1875, d.w.z. ca. 25 jaar na de litho. Ze werd vermoedelijk genomen in de buurt van het (huidige) Mediacenter en is niet nauwkeurig te interpreteren, vooral wegens de bedriegelijke perspectief. Ze maakt ook duidelijk dat in de litho de fantasie een grote rol speelt. De duinen, nog dicht begroeid, vullen bijna de hele foto. Boven links, de molen en achteraan de dorpskerk met de piramidale torenspits van vóór 1914. De molen maakt hier een massievere indruk dan op de litho maar de details van de constructie zijn niet te onderscheiden. De wieken zijn georiënteerd naar het westen. Rechts, als verloren in de duinen, de huizen van de Albertuswijk. We onderscheiden nederige maar ook en paar degelijke woningen met een verdieping. Tussen die gebouwen loopt, onzichtbaar, de Duinenweg.

Uit de ets van Ensor getiteld "Le Moulin de Mariakerke" (1889), ook uit het oosten gezien en heel losjes-impressionistisch uitgevoerd, is weinig op te maken. De staakmolen beheerst de duinen waarin links en rechts enkele huizen van de Albertuswijk.

De datering - na de verplaatsing - doet vermoeden dat Ensor de molen etste uit het geheugen of aan de hand van een foto.

Wie de eigenaars of exploitanten van de Albertusmolen allemaal geweest zijn heb ik niet achterhaald. De parochieregisters met hun schaarse informatie (b.v. over het beroep van de overledene) laten ons in de steek. Uit een kadastraal document weten we dat Frans Declercq, de oudere broer van Pieter Jan, de Albertusmolen kocht in 1849. Frans was getrouwd met Regina Rousseau (Oudezele in Fr.-Vlaanderen, bij Cassel 1805-1889). Hun jongste kind, Carolus Ludovicus (Mariakerke 1848-1869) stierf goed twintig jaar oud, als molenaarsknecht, in zijn vaders woning Albertuswijk. Heel waarschijnlijk is de oudste zoon Frans Leopold Declercq (Mariakerke 1845 - Oostende 1919) zijn vader opgevolgd.

En die F.L. Declercq zal wel de laatste mulder geweest zijn op de Albertusmolen alhier.

Volgens G. Devent werd onze molen overgebracht naar De Haan in 1880 (cf. G. Devent, De Oostkunst van toen... - Van de Wiele, Brugge, 1982, p. 146 en "Zee en Duinen" ib. 1991, p. 64).

Waarschijnlijk gebeurde die verplanting (naar Vlissegem, Krinkelmolen) enkele jaren later. De kadastergegevens van Holemans en Denewet leren ons dat de molen afgebroken werd in 1887. Wegens het officiële karakter van die informatie hou ik het bij die laatste datum.

In zijn eerste werk (p. 146) vermeldt G. Devent nog volgende bijzonderheden over de Albertusmolen op zijn nieuwe standplaats in De Haan. In 1912 was de molen eigendom van Maelfeyt en in 1925 van Deleersnijder. De laatste jaren draaide hij nog met twee wieken tot 1933. Het jaar daarop werd hij gesloopt. Op p. 145 drukt Devent een indrukwekkende foto af van de molen uit ca. 1908. De gewezen staakmolen van Mariakerke staat er gemonteerd op teerlingen, met een dubbele zoldervloer. Of hij in die gedaante, vóór zijn verplaatsing naar De Haan, de Mariakerkse duinen heeft versierd weet ik niet. Volgens die foto moet hij in elk geval een prestigieuze verschijning geweest zijn en als een machtige reus de Albertuswijk gedomineerd hebben. Die laatste foto betekent voor de Albertusmolen een apotheose.

Germain Billiet, "Eigenaars en gebruikers van de Albertusmolen in Mariakerke", De Plate, jg. 24, 1995, 11 (nov.), p. 286-291.
In mijn molenopstel (De Plate, januari. 1995, p. 16) bekende ik dat ik de eigenaars en de gebruikers van de Albertusmolen in Mariakerke niet achterhaald had. Toen had ik nog geen kennis genomen van een belangrijke bron van informatie over die materie nl. het werk van Julien VERHAEGHE : "Oostende en Randparochies deel 2 : de wettelijke Passeringen 1547-1796 onder het westkwartier van het Brugsche Vrije" V.V.F. Oostende, 1989. Dat zijn m.a.w. notariële akten verleden voor de schepenbank van het "Brugsche Vrije" - westkwartier. Daarin geeft hij de korte samenvatting van 1811 akten, de zgn. "registers notariaal" (koop, verkoop, lening, enz.). Een jarenlange benedictijnerjob die hem liters transpiratie heeft gekost.

Hoofdzakelijk aan de hand van dat corpus probeer ik hier een beetje waarheid te achterhalen en verwijs daarbij, waar het past, naar de nummers (met datum) uit die wettelijke passeringen ( = W.P.). Op te merken valt dat sommige transacties betreffende onze Albertusmolen voor andere autoriteiten werden verricht en in Verhaeghes W.P. niet voorkomen. Er blijven dus vele hiaten. Die eigenaars identificeren is geen eenvoudige klus. De erfeniskwesties maken er een puzzel van. Wie steigert niet als hij leest dat N... "de 2/3 in 1/2 van een korenwindmolen verkoopt"? Om de warrige situatie te illustreren, copieer ik hier het essentiële uit de eerste vijf nrs. van de W.P. waarin er spraak is van de Albertusmolen. Ik tracht bondig en duidelijk te blijven en geef beknopte commentaar.

1. W.P. 728 - 20.04.1665
"Sr Jan STEVENS leent 48 lb op een nieuwe korenwindmolen te Albertus, aan de dijk, west van Oostende aan : 1 Anthoine MONTEVILLE - 2. Antheunis VANDEN BUSSCHE.
Commentaar :
a. "Albertus" betekent hier de Mariakerkse wijk, ontstaan bij het Albertusfort, het gewezen Spaans hoofdkwartier tijdens het beleg en genoemd naar aartshertog Albrecht.
b. De Albertusmolen is dus nieuw in april 1665.
c. De lening van 48 pond dient waarschijnlijk om met de exploitatie van de molen te starten.
d. Van die MONTEVILLE vinden we verder in de W.P. geen spoor.

2. W.P. 729 - 18.06.1665
"Jan STEVENS, korporaal op 't fort Albertus bij Oostende koopt 1/3 van een korenwindmolen te Mariakerke bij Albertus, van Anthone VANDEN BUSSCHE...".
Commentaar :
a. Die Anthone is dezelfde als bovenvermelde Antheunis.
b. Jan STEVENS en Antheunis VANDEN BUSSCHE zijn dus gedeeltelijk eigenaar van de Albertusmolen. Allicht ieder voor 1/3.
c. In 1665, 60 jaar na 't beleg, is het Albertusfort nog bezet of bewoond.

3. W.P. 741 - 16.06.1668
"Sr Jacobus VAN HOUTTE, koopman te Oostende, laat wegens achterstallige betaling, beslag leggen op de herberg "De drie Koningen" te Albertus, bewoond door Antheunis en op 1/3 van een korenwindmolen te Mariakerke, gebruikt door Pieter DE BOSSELE ten laste van Juan ESTENAU te Oostende".
Commentaar :
a. Kort na het beleg ontwikkelde de Albertuswijk zich met enkele huizen en de onmisbare herbergen, o.a. Sint Joris (al vermeld in 1615 - cf. W.P. 166). Andere herbergen aldaar waren : "Het Bourgoens Cruce" (W.P. 784 - 1675), "De Croone" (W.P. 804 - 1678) en "Den rooden Leeuw" (W.P. 834 - 1680).
b. Met Antheunis is weer Antheunis VANDEN BUSSCHE bedoeld en met Pieter DE BOSSELE (foutief gespeld) zijn zoon Pieter VANDEN BUSSCHE. De vader woont dus in "De drie Koningen", huis en herberg bij de Albertusmolen. Zijn zoon gebruikt de molen.
c. Wat Juan ESTENAU betreft, die naam kunnen we lezen als Juan ESTEVAN wat waarschijnlijk de hispanisering is van Jan STEVENS (cf. supra W.P. 729). Deze heeft zich hier in de schulden gestoken maar we weten niet precies hoe. Hij verschijnt verder niet meer in de W.P.

4. W.P. 944 - 21.07.1693
"Joanne WINANTS, weduwxe Jacques VAN HOUTTE, poorteresse van Oostende, verkoopt 1/9 in een korenwindmolen bij het fort Albert te Mariakerke aan Pieter VANDEN BUSSCHE".
Commentaar:
a J. VAN HOUTTE (cf. supra W.P. 741) was dus eigenaar geweest van 1/9 molen. Hoe en wanneer hij dat verworven had, zeggen de W.P. ons niet.
b Over de eerste een apart woordje. Pieter VANDEN BUSSCHE was een vrijlaat uit Ichtegem. Hij had zich gevestigd in Mariakerke waar hij op 01.10.1665 getrouwd was met Maria DUYFKENS bij wie hij zeven kinderen kreeg, allen geboren in Mariakerke tussen 1666 en 1676.
Die Pieter was een ondernemend man en moet goede zaken gedaan hebben. Tussen 1680 en 1695 kocht hij land en hofsteden in Wilskerke, Ichtegem, Koekelare, St.-Catharina en Moere (cf. W.P. 831, 833, 859, 867, 886, 904, 956). Hij sterft op 01.04.1696 en de nu volgende koopakte W.P. 961 - het laatste nummer dat ik in extenso citeer - noemt een vroegere gedeeltelijke eigenaar van de Albertusmolen, nl. Steven VAN HOORNE.

5. W.P. 961 - 28.04.1696
"Pieter VANDEN BUSSCHE, fs Anthone, vrijlaat in Ichtegem (deerfgenamen van) kopen 1/3 in een korenwindmolen genaamd Sint Albertus te Sint Catharina onder 's Heerwoutermans van:
1. Steven VAN HOORNE, fs Steven x Willeminken VAN MIDDELEM
2. Pieter MERGAERT x Catheline VAN HOORNE
3. Adriaen CUYLE x Josyne VAN HOORNE, fa Steven D'OUDE
4. Jan Baptist DE ROY x Pieternelle VAN HOORNE, fa Steven D'OUDE
5. Marie VAN HOORNE, fa Steven D'OUDE, jonge dochter".
Commentaar :
a. De kinderen van Steven VAN HOORNE, nl. een zoon en vier dochters, waren dus eigenaars geweest van 1/3 van de Albertusmolen. Mogelijk sinds de oprichting van de molen.
b. Dat is hier de eerste en enige vermelding van die Van Hoornes die ook geen Mariakerkenaars waren maar - zoals de Vanden Bussches - waarschijnlijk afkomstig uit Ichtegem waar in de 17e en 18e eeuw honderden naamgenoten gedoopt werden.
c. De Albertusmolen wordt hier gesltueerd op St.-Catharina, de aanpalende parochie. Dat is heel waarschijnlijk te verklaren doordat de molen bij de grens stond van Mariakerke en St.- Catharina. Die onnauwkeurige localisering komt verder in de W.P. nog meer voor.
d. Tot de eerste (gedeeltelijke) eigenaars van de Albertusmolen behoorden dus de families VAN HOORNE en VANDEN BUSSCHE.
Na de dood van Pieter VANDEN BUSSCHE (1696) blijft de molen nog een tijdje in het bezit van de kinderen VANDEN BUSSCHE en wel van de vier overlevende dochters : Barbara, Agatha, Joanna en Catharina.
Nu komt Korneel VAN REMOORTEL (1662-1719) ten tonele. Hij was in 1685 gehuwd met Barbara VANDEN BUSSCHE (1669-1725), de tweede dochter van Pieter. Zij kregen dertien kinderen van wie er zes heel jong stierven. Korneel was hoofdman van Mariakerke in een dramatische tijd (1700-1709) geteisterd o.m. door militaire troebelen. Opgelucht gaf hij zijn functie over aan Jan MUS in 1709 (cf. J. BEYEN, Oud-Mariakerke. Ontwerp klapper parochieregisters 1625-1796 - p. 96-99).

Zoals zijn schoonvader was Korneel VAN REMOORTEL een ondernemend man. Met zijn vrouw bouwde hij in Mariakere een brouwerij. Hij kocht land in Zandvoorde van zijn schoonzuster Agatha VANDEN BUSSCHE (° 1672), gehuwd met Pieter DE MOL, en met dezelfden ruilde hij gronden in Koekelare en Mariakerke (W.P. 1005 en 1011 - 1701). Van zijn tweede schoonzustter Joanna (° 1674) gehuwd met Hendrik TYSSEN, koopt hij 1/4 van de Albertusmolen (W.P. 1053 - 1709). Van zijn derde schoonzuster Catharina (1676-1731) (in 1710 weduwe geworden van Reynier HENDRICX) koopt hij 1/8 en 1/5 in een hofstede in Mariakerke en in St.-Catharina. Hij ontvangt van haar ook een schuldbrief van ruim 58 pond op 1/4 van de Albertusmolen, haar erfdeel (W.P. 1150 en 1151 - 1717).

Korneel VAN REMOORTEL sterft in 1719 en de situatie blijft ingewikkeld. Op 13.11.1728 gaat bovenvermelde Catharina VANDEN BUSSCHE twee leningen aan. Van Karel MATTHIJS leent ze ruim 105 pond op 1/2 van een door haar gebruikt huis en op de Albertusmolen ("die ze gemeen heeft met de kinderen Korneel VAN REMOORTEL). Van de "disch" van Oudenburg leent ze nog eens 50 pond op de Albertusmolen (W.P. 1212 en 1213).

Blijkbaar is er bij de Vanden Bussches en bij de Van Remoortels geen solide opvolger voor het molenaarschap. De molen gaat dus over in andere handen.

De daareven genoemde Karel MATTHIJS verwerft een gedeelte van de Albertusmolen. Dan treedt een zekere Jan VAN DOESSELARE (1698) naar voren, getrouwd met Anna MISSELIS (Zande 1682) weduwe van Joos COIGNE (ook gespeld COEGNE, CONJE, COENIJE) (+ 1730). Jan is poorter van Torhout, woont in Mariakerke en gebruikt al een tijdje de molen. De helft daarvan koopt hij in mei 1735 van de kinderen Korneel VAN REMOORTEL, nl. Catharina (1686), Franchois (1704), Barbara (1689), Adriana (1697), Ignatius (1706) en Pieter-Jacob (1709) (W.P. 1250). Een goeie maand later koopt Jan VAN DOESSELAERE van Karel MATTHIJS 7/8 in 1/2 van de Albertusmolen (het resterende 1/8 behoort aan Anthone HENDRICX, zoon van Reynier en Catharina VANDEN BUSSCHE). Op dezelfde dag leent VAN DOESSELAERE 120 pond van Karel MATTHIJS op de molen (W.P. 1251 en 1252 - 18.06.1735).

Jan VAN DOESSELAERE sterft al in 1736. Maar de molen blijft in de familie al ziet het er behoorlijk ingewikkeld uit. Bezitter is nu Jacobus VAN MALDEGHEM uit Gistel. Hij is gehuwd met Genoveva VAN DOESSELAERE, dochter van Jan V.D. Die Jacobus verkoopt in 1750 7/8 in 1/2 van de Albertusmolen (1/8 is nog steeds van Anthone HENDRICX) aan Melchior DE MUYTER uit Oostkamp (° 1714) die de molen al een tijdje gebruikt en ondertussen gehuwd is met de trouwlustige Anna MESSELIS (hij is haar derde man) (W.P. 1356). De volkstelling van Mariakerke 1748 noemt ze als volgt: "Melsior Demutter Baes meullenaere van synen style, Anna Misselus syne huysvrouwe". Een half jaar later koopt dezelfde Melchior van de erfgenamen van Reynier HENDRICX bijna het hele restant van de molenerfenis (W.P. 1360 - 17.04.1751).

De W.P. laten ons nu 37 jaar wachten op verdere informatie over de Albertusmolen. De moleneigenaars zijn (voorlopig) in de familie gebleven.

Jan Baptist COIGNE uit Leke, oudste zoon van Joos COIGNE en Anna MISSELIS, en gehuwd met Isabella VANDEN BUSSCHE uit Keiem, was in 't bezit gekomen van de molen. Op 24 september 1780 stierf hij in Mariakerke, 66 jaar oud. Hij is de eerste en enige molitor of molenaar die in de parochieregisters vermeld wordt.

Zijn opvolger was Karel Jozef LONCKE uit Diksmuide die met J.B. Coignes weduwe getrouwd was. Die K.J. LONCKE leende in 1788 800 pond, op de Albertusmolen, van Frans Jozef, graaf van Carnin en Staden (W.P. 1720 - 25.10.1788). Het volgend jaar al verkocht K.J. LONCKE de molen aan een Joannes HENDERYCKX (W.P. 1729 - 18.07.1789).

Die J. HENDERYCKX was (1728) geboren in Roggel, nu in Nederlands Limburg, maar tot 1789 gelegen in de enclave Horn die tot het prinsbisdom Luik behoorde. Hij was in zijn eerste huwelijk getrouwd met Maria DYSERINCK (1741-1786), dochter van Jan en Jacoba MAES en staat vermeld (ve.Or zijn tweede huwelijk met Joanna Catharina GALLE 30.01.1787) op de grote grafsteen van de familie Jan DYSERINCK-MAES, in de devotiekapel van het Duinenkerkje, Mariakerke (tweede van links). (cf. G. BILLIET, O.L.V. ter Duinen, Oostende, 1981, p. 50-52 en J. BEYEN, Oud-Mariakerke, p. 46).

Vijf maanden later leent die J. HENDERYCKX 400 pond op de Albertusmolen, op de herberg "Den Coninck van Spaignien" in Stene en op nog een ander huis aldaar. Hij leent dat "van het gemene sterfhuis van jo Godelieve DE VYNCK, weduwe van Sr Ferdinand MARYSSAEL te Leffinge" (W.P. 1737 - 16.01.1790).

Hiermee eindigen de inlichtingen in de W.P. omtrent onze Albertusmolen.

In het laatste decennium van de 18e eeuw duikt voor korte tijd een nieuwe molenaar op, nl. Tilleman BOEYDEN (of BOUDENS, BOYDENS).

Een duister geval. Hij is geboortig van Oostende (13.10.1769) en trouwt in Mariakerke op 6 juli 1790 met Anna Theresia MENY uit Oudenburg (° 17.04.1764), weduwe van Lodewijk CAERE. Tilleman en Anna Theresia krijgen twee zoons : Laurens (16.08.1791) en Jacob (05.11.1792). Maar dan verdwijnt Tilleman uit Mariakerke. Hij is al twee jaar weg als Anna Theresia op 20.07.1795 van een filia spuria (buitenechtelijk) bevalt. In 1796 betaalt de "disch" (van Mariakerke) een rekening voor Anna "huisvrouw van Tilleman BOUDENS, molenaere". Maar van onze Tilleman geen spoor meer (cf. J. BEYEN, Oud-Mariakerke, p. 8).

Nu verschijnt het laatste molenaarsgeslacht dat over de Albertusmolen (en over de houten graanmolen bij Petit Paris) geheerst heeft, nl. de familie DECLERCK (ook gespeld : DECLERCQ) uit Vladslo. Daarmee sluit ik aan bij mijn bovenvermeld molenopstel waarnaar ik verwijs en waarin ik die familie geïntroduceerd heb.

De volkstelling van Mariakerke in 1814 vermeld als molenaar op de Albertusmolen Philippus Jacobus DE CLERCK (Vladslo 27.09.1765). Hij is getrouwd met Joanna Clara VANHEE uit Eernegem (° 02.05.1770). Het gezin telt zes kinderen : Catharina, Petrus, Maria, Carolus, Hendricus en Joannes, allen geboren in Eernegem tussen 1789 en 1809. Allicht hebben ze zich ca. 1810 in Mariakerke gevestigd.

Die Philippus is de jongere broer van Batholomeus Jacobus DECLERCK (Vladslo 1753 - Oostende 1800). Die Batholomeus kennen we al. Hij is de vader van Catharina Genoveva DECLERCK (Leffinge 1788 - Oostende 1847) uit zijn eerste huwelijk, en van Frans Leopold (Oostende ca. 1793 - Mariakerke 1872) en van Pieter Jan (Oostende 1800 - Mariakerke 1850) uit zijn tweede huwelijk.

Mulder Philippus werd heel waarschijnlijk opgevolgd door zijn neef Frans Leopold van wie wij weten dat hij in 1849 de Albertusmolen kocht. Die Frans Leopold was getrouwd met Regina ROUSSEAU (1805- 1889 uit Oudezele bij Cassel, Fr.-V1). bij wie hij twee zoons had.

De jongste, Karel Lodelijk (Mariakerke 1849-1869) is vroeg gestorven. De oudste, genoemd naar zijn vader Frans Leopold (Mariakerke 1845 - Oostende 1919), nam het vaderlijk bedrijf over en is de laatste molenaar geweest op Albertus hier in Mariakerke.

Wat Pieter Jan betreft, de tweede zoon van Bartholomeus DECLERCK, die exploiteerde sinds 1840 een houten graanmolen (kad. A. 22b) bij het gewezen Galgeveld, molen die van het eerste Leopoldpark op het Hazegras naar Petit Paris werd gehaald. Hij was getrouwd met zijn nicht Adela Francisca VANDE WALLE (Oostende 1807 -Mariakerke 1888), een dochter van zijn halfzuster Catharina Genoveva DECLERCK (cf. mijn molenopstel : De Plate, januari 1995).

Drie jaar na de dood van Adela werd die molen afgebroken.

Over de Albertusmolen nog een laatste notariële inlichting onlangs verkregen. Onze molen werd openbaar verkocht op 1 juli 1886 (cf. L'Echo d'Ostende, 27 juni 1886) door deurwaarder Karel DECLERQ, Rogierlaan 7, Oostende. Dat klopt met de kadastergegevens van HOLEMANS en DENEWET volgens welke de molen in 1887 afgebroken werd. De koper was Pieter MAELFEYT uit De Haan die de molen in de jonge badplaats monteerde. In 1913 volgde zijn zoon August hem op en in oktober 1925 werd Cyriel DELEERSNIJDER de nieuwe eigenaar.

De molen, Krinkelmolen genoemd, bleef in dienst tot 1934 en werd dat jaar afgebroken. Volgens hetzelfde notariële bericht verraadde een inschrift op de middelbalk dat de molen van Franse oorsprong was.

Daarmee is de lijst van die molenaars af. Wegens onvoldoende informatie sluit ze niet als een bus. Ter afronding laat ik ze nog eens de revue passeren (met afkomst en benaderende datums, zonder strikte nauwkeurigheid).

Steven VAN HOORNE Ichtegem - wrsch. v. af de oprichting 1665-1696
Pieter VANDEN BUSSCHE Ichtegem - id. tot 1696
Korneel VAN REMOORTEL Mariakerke - tot 1719
Jan VAN DOESSELAERE Torhout - ca. 1730
Jacob VAN MALDEGHEM Gistel - ca. 1736
Melchior DE MUYTER Oostkamp - ca. 1750
Jan Baptist COIGNE Leke - tot 1780
Karel Jozef LONCKE Diksmuide - tot 1789
Jan HENDERYCKS Roggel - ca. 1790
Tilleman BOYDENS Oostende - ca. 1792
Philippus Jacobus DECLERCK Vladslo - ca. 1814
Frans Leopold DECLERCK (vader) Oostende 1849-1872
Frans Leopold DECLERCk (zoon) Mariakerke - tot 1886

Opvallend in die lijst is dat de molenaars bijna allen uit het binnenland komen. Hier was weinig of geen molenervaring.

Literatuur

Archieven
Rijksarchief Brugge, Schepenbank van het Westkwartier van het Brugse Vrije. Wettelijke passeringen 1547-1796.

Gedrukte bronnen
L'Echo d'Ostende, 27 juni 1886 (openbare verkoop)

Werken
J. Beyen, "Oud-Mariakerke".
Julien Verhaeghe, ""Oostende en Randparochies deel 2 : de wettelijke Passeringen 1547-1796 onder het westkwartier van het Brugsche Vrije" V.V.F. Oostende, 1989.
G. Devent, De Oostkunst van toen...", Brugge, Van de Wiele, 1982, p. 146.
G. Devent, "Zee en Duinen", Brugge, Van de Wiele, 1991, p. 64.
Patrick Florizoone, "J. Ensor en de Molens", in: Molenecho's, XXII, 1994, p.99.
C. Loontiens, "Les derniers moulins á vent dans l'arrondissement d'Ostende" (1939)
Ed. Vlietinck, "Het oude Oostende", p. 146, 148..
Germain Billiet, "Omtrent de Albertusmolen in Mariakerke", in De Plate, jg. 24, 1995, 1 (januari), p. 10-16.
Germain Billiet, "Eigenaars en gebruikers van de Albertusmolen in Mariakerke", De Plate, jg. 24, 1995, 11 (nov.), p. 286-291.
Deschacht D., "Straatnamen van Oostende van A tot Z", Oostende, 1998, p. 43.
Verbanck R.,"De duinenweg van de Geule tot het Spanjaardsduin", in: Jaarboek 1977 van heemkring Ter Cuere Bredene.
Callaert G., Delepiere A.-M., Hooft E., Kerrinckx H. & Vanneste P. m.m.v. Santy P. & Snauwaert L., "Inventaris van het bouwkundig erfgoed, Provincie West-Vlaanderen, Gemeente Oostende, Deel IA: Stad Oostende, Straten A-M, Deel IB: Stad Oostende, Straten N-Z en wijken Haven, Hazegras, Opex, Deel II: Deelgemeenten Mariakerke, Raversijde, Stene en Zandvoorde, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen WVL6", 2005.
Herman Holemans, West-Vlaamse wind- en watermolens. Kadastergegevens 1835-1990. Deel 5. Gemeenten M-O, Rotem, Ons Molenheem, 1999.

<p>Albertusmolen</p>

Verzameling Ons Molenheem


Stuur uw teksten over deze molen  |  Stuur een (nieuwe) foto van deze molen
Laatst bijgewerkt: dinsdag 21 maart 2017

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in database zoek op provincie Stuur een algemene e-mail over molens vorige pagina Home pagina Naar bestaande molens