Molenzorg
Oudergem, Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Verzameling Ons Molenheem
Algemeen
Collectie
Verdwenen Belgische Molens
Naam

Kloostermolen
Oude Molen

Ligging
Oude Molenstraat
1160 Oudergem

Auderghem / Rue du Vieux Moulin
op de Woluwe
kadasterperceel B248


toon op kaart
Type
Bovenslag watermolen
Functie
Korenmolen
Gebouwd
voor 1292
Verdwenen
na 1945, ontmanteld / 1967, sloop restant
Beschrijving / geschiedenis

Dichtbij de huidige Waversesteenweg werd op het einde van de 13e eeuw langs de Oude Molenstraat (rue du Vieux Moulin), een watermolen gebouwd, voor de priorij van Hertoginnedal. De huidige straatnaam verwijst naar die oude molen. Ontstaan langs de oostelijke oever van de Woluwebeek, leidde de Oude Molenstraat (rue du Vieux Moulin) de kloosterzusters van Hertoginnedal naar de oude baan naar Brussel Hij is allicht één van de oudste wegen van Oudergem. De Oude Molenstraat is het eerste deel van de weg, beschreven onder het nr. 7 in de Atlas des Communications (1843), dat destijds Puttestraet genoemd werd. Hij is zowel zichtbaar op de kaart van Van Werden (1659) als op deze van de Ferraris (1771) en strekte zich langs de huidige Hertoginnedallaan (Val Duchesse), het St.-Annakruispunt, de Putdaaldreef, nog verder uit tot in St.-Pieters-Woluwe.

Gedurende vijfhonderd jaar exploiteerde het klooster de molen door hem te verhuren aan molenaars die er het graan maalden van de pachters uit de omgeving.

De watermolen werd in 1540 in huur genomen door Jan de neve moldere. De pachter moet het graan van het klooster malen “hoedanich tselve sij, het sij terwen, rogge, gersten, evenen, zwyn aes (Zwijnaarde, afval bekomen bij het kuisen van granen, en voor de varkens bestemd), mout… ende tselve wel loffelyck ende getrouwt te maelen sonder dat in eenighe maniere te valschen met eenighe substantien ofte in eeniger maniere het waer bij zijn kinderen, cnapen oft maerten. Ende gemalen zijnde dmeel van den selven grane dat hem van sgodshuis wegen gelevert sal zijn, zonder dat oeck te wisselen ofte mangelen ofte valschen ofte laten wisselen mangelen ofte valschen met eenighe substantien… weder te leveren met tselven gewichte ende in zelver swaerte als graen oft mout hem ghelevert es geweest ofte met de meelmaete… zonder daer eenig molster af te nemen. Ende en sal tgraen voerschreven oft mout oft oeck meel in den muelen nyet mogen houden vernachten maer ten selven dage alst hijt halen sal wederom int godshuys leveren…” De rentmeester die dit neerschreef zal gedacht hebben dat men met een moldere niet voorzichtig genoeg kan zijn!

De huur van de molen wordt in graan betaald, en voor ’t slijten van de stenen betaalt men apart in geld: 6 carolusgulden per jaar. Verder vermeldt de pachtbrief nog volgende verplichtingen: Wanneer het klooster de vijvers vist moet de mulder het water “steygen ende nyet malen een spatie van ses uren te voren eer men visschen sal” en verder zolang het vissen duurt. Hij is ook verplicht “dwater af te trecken ende nyet mogen steygen also dickmael alst tgodshuys zullen met wagen oft perden met hoy oft toemaet doir die beke varen”. Hij mag ook geen ganzen noch eenden houden, en moet de molen onderhouden het “gaende ende ruerende werck van den muelen boom opwerts alsoe wel buyten als binnen.”

De molen werd in de 17de eeuw omgebouwd tot een papiermolen, maar was in de 19de eeuw een graanmolen.

Hij bleef eigendom van het klooster tot 1797, wanneer de bezittingen van de Witte Vrouwen - zo werden de kloosterzusters genoemd, wegens hun witte kledij - openbaar verkocht werden, door de Domaines Nationaux de la République Française.

Eigenaars na 1797

- Zeven gewezen zusters van het klooster kochten bij de openbare verkoop verschillende eigendommen van de priorij terug op, waaronder de molen.
- In 1803 kocht rentenier Jean-Pierre Colin van elke oud-zuster hun zevende deel op van de goederen waarvan zij samen eigenaar waren. Hij betaalt ze met een lijfrente in handen van Pierre-Antoine Van Hove, molenaar te St.-Lambrechts-Woluwe.
- voor 1834, eigenaar: Colin Jan Baptist, rentenier te Oudergem
- 1841, verkoop: Vanhove-Denies Antoon, molenaar te Sint-Pieters-Woluwe
- 14.06.1881, verkoop: Michiels-Halliez Jan Baptist, metser te Oudergem (notaris Scheyven)
- 05.06.1899, erfenis: en kinderen (overlijden)
- 01.07.1905, verkoop: Michiels Jan Baptist en co, metser te Oudergem
- 1910 tot 1924, Jean-Baptiste-Louis Crollen een aannemer uit Bosvoorde.
- 1924 tot 1939: Jozef en Gustave Demey - toen burgemeester van Oudergem
- 1939, verkoop: Henri Bassem, loodgieter te Oudergem.
- Na 1945 zullen de gebouwen nog een paar keer van naam veranderen om uiteindelijk eigendom te worden van beenhouwer Luppens.

In de molen werd nog graan gemalen tot 1918. Vanaf dan werd hij buiten dienst gesteld. Wel probeerde Henri Bassem, een bekende loodgieter uit Oudergem, tussen 1393 en 1945 nog met de kracht van het molenrad elektriciteit voort te brengen. Door het onregelmatig waterdebiet werd hij verplicht zijn pogingen op te geven.

Wat nog van de oude molen overbleef werd rond 1967 afgebroken om plaats te maken voor flatgebouwen.

In de nabijheid van de priorij en de oude molen heeft zich in de loop der eeuwen, langs de weg, een gemeenschap gevormd van hard werkende dorpelingen. Het werd de belangrijkste dorpsweg wegens de concentratie van de huisjes langs de Woluwebeek, met aan één einde van de straat het klooster en de kapel, en aan het andere einde van de straat uiteraard de watermolen en het vertrekpunt van de wegen naar Brussel, Tervuren, Jezus-Eik en Bosvoorde. Gedurende al die tijd heeft daar, in de dorpskern, het hart van Oudergem geklopt. Toen de gemeente in 1863 een autonome entiteit werd, telde de straat alleen - zonder de zijstraten - ongeveer 490 inwoners (30 % van de totale bevolking!) en 78 huizen.

Kort na de Tweede Wereldoorlog inspireerde de oude molen de benaming van een zeer populaire volksgroep "Les Meuniers d'Auderghem", bij het volk ook bekend als "de Boerkens van Oudergem". De meeste families uit de straat waren er lid van. Deze groepering had haar lokaal op nr. 90 in de Oude Molenstraat (rue du Vieux Moulin), in het café Chez Penne. Jammer genoeg werd de groep ontbonden in 1956, als gevolg van het moderne opkomende stadsleven.

---------------------

Vieux Moulin (rue du). Oude Molenstraat. +/- 460 m.

Né sur la rive droite de la Woluwe, ce chemin menait du couvent de Valduchesse à l’ancienne route de Bruxelles. Il est certainement l’un des plus anciens d’Auderghem.

La rue du Vieux Moulin constitue le premier tronçon d’un chemin décrit sous le n° 7 dans l’Atlas des Communications (1843) et portant jadis le nom Puttestraet. On le reconnaît, tant sur la carte de Van Werden (1659) que sur celle de de Ferraris (1771), et passait par l’avenue Valduchesse, le rond-point Sainte-Anne, la drève de Putdael actuels et, plus loin, arrivait à Woluwe-Saint-Pierre.

LE MOULIN À EAU

A la fin du XIIIème siècle, près de l’actuelle chaussée de Wavre, un moulin à eau fut construit pour le prieuré de Valduchesse (voir rubriques n° 164 et 203). Le nom actuel de la rue rappelle cet ancien moulin. Durant cinq cents ans, le couvent l’a exploité en le louant aux meuniers qui venaient y moudre le grain des fermiers des alentours. Le couvent en resta propriétaire jusqu’en 1797, lorsque les biens des Dames Blanches – ainsi nommaient-on les sœurs conventuelles à cause de leur habit – furent mis en vente publique par les Domaines Nationaux de la République française et le moulin connut, par la suite, plusieurs propriétaires.

Lors de cette vente publique, sept ex-sœurs du couvent achetèrent diverses parties du prieuré, dont le moulin. En 1803, le rentier Jean-Pierre Colin racheta à chacune des ex-sœurs le septième des parts du bien qu’elles détenaient. Il les paya en leur versant une rente à vie. A sa mort, le moulin est à nouveau vendu. Il tombe, de 1841 à 1881, entre les mains de Pierre-Antoine Van Hove, meunier à Woluwe-Saint-Lambert. Jean-Baptiste Michiels fut propriétaire du moulin de 1881 à 1910. Jean-Baptiste Louis Crollen, un entrepreneur de Boitsfort, lui fait suite. On moudra du grain au moulin jusqu’en 1918. Depuis lors, il est définitivement hors service. Joseph et Gustave Demey – ce dernier était alors bourgmestre d’Auderghem – en deviennent les nouveaux propriétaires de 1924 à 1939. Henri Bassem, un plombier bien connu à Auderghem, acquit le moulin. Il essaya d’en utiliser la force motrice pour produire de l’électricité mais l’irrégularité du débit fit échec à cette tentative. Après 1945, les bâtiments changèrent encore quelquefois de mains pour devenir enfin la propriété du boucher Luppens.

Ce qui en restait fut démoli aux environs de 1967 pour faire place à des immeubles à appartements. Tout au long des siècles, à proximité du prieuré et du vieux moulin, le long du chemin s’était formée une communauté de villageois travaillant dur. Ce fut le chemin villageois le plus important eu égard à la concentration des maisonnettes le long du ruisseau de la Woluwe avec, en bout de rue, d’une part, le couvent et la chapelle et, d’autre part, évidemment le moulin à eau et le point de départ des routes vers Bruxelles, Tervuren, Jesus-Eik (Notre-Dame-au-Bois) et Boitsfort. C’est là que durant des siècles a battu le cœur d’Auderghem. Lorsque la commune devint autonome, en 1863, la rue comptait – sans les rues latérales – environ 490 habitants (30% de la population totale !) et 78 immeubles.

Photo. Le groupe "De Boerkes", anno 1949. Sur la photo de droite, la rue du Vieux Moulin est à l'arrière-plan.

Peu de temps après la Seconde Guerre mondiale, le vieux moulin inspira le nom d’un groupe folklorique très populaire «Les Meuniers d’Auderghem», aussi appelé dans le parler du peuple «De Boerkens van Oudergem». La plupart des familles de la rue en faisaient partie. Ce groupement avait son local au n° 90 de la rue, au café Chez Penne. Hélas, le groupe fut dissous en 1956, victime de la vie citadine moderne.

Bijlagen

Paul Lindemans, "De watermolen van Oudergem toebehorende aan het klooster van Hertoginnedal 1540", Bijdragen tot de Geschiedenis der Brabantsche Molens, in: Eigen Schoon en De Brabander, jaargang XXI 2-3, 1938, p. 106.

Wordt in 1540 in huur genomen door Jan de neve moldere. De pachter moet het graan van het klooster malen “hoedanich tselve sij, het sij terwen, rogge, gersten, evenen, zwyn aes (Zwijnaarde, afval bekomen bij het kuisen van granen, en voor de varkens bestemd), mout… ende tselve wel loffelyck ende getrouwt te maelen sonder dat in eenighe maniere te valschen met eenighe substantien ofte in eeniger maniere het waer bij zijn kinderen, cnapen oft maerten. Ende gemalen zijnde dmeel van den selven grane dat hem van sgodshuis wegen gelevert sal zijn, zonder dat oeck te wisselen ofte mangelen ofte valschen ofte laten wisselen mangelen ofte valschen met eenighe substantien… weder te leveren met tselven gewichte ende in zelver swaerte als graen oft mout hem ghelevert es geweest ofte met de meelmaete… zonder daer eenig molster af te nemen. Ende en sal tgraen voerschreven oft mout oft oeck meel in den muelen nyet mogen houden vernachten maer ten selven dage alst hijt halen sal wederom int godshuys leveren…”
De rentmeester die dit neerschreef zal gedacht hebben dat men met een moldere niet voorzichtig genoeg kan zijn!

De huur van de molen wordt in graan betaald, en voor ’t slijten van de stenen betaalt men apart in geld: 6 carolusgulden per jaar. Verder vermeldt de pachtbrief nog volgende verplichtingen:
Wanneer het klooster de vijvers vist moet de mulder het water “steygen ende nyet malen een spatie van ses uren te voren eer men visschen sal” en verder zolang het vissen duurt.
Hij is ook verplicht “dwater af te trecken ende nyet mogen steygen also dickmael alst tgodshuys zullen met wagen oft perden met hoy oft toemaet doir die beke varen”.
Hij mag ook geen ganzen noch eenden houden, en moet de molen onderhouden het “gaende ende ruerende werck van den muelen boom opwerts alsoe wel buyten als binnen.”

(Rijksarchief Brussel; Kerkelijk archief, nr. 11.464)  

Literatuur

Algemeen Rijksarchief Brussel, Kerkelijk archief, nr. 11.464
Alphonse Wauters, "Histoire des environs de Bruxelles", Brussel, III
Paul Lindemans, "De watermolen van Oudergem toebehorende aan het klooster van Hertoginnedal 1540", Bijdragen tot de Geschiedenis der Brabantsche Molens, in: Eigen Schoon en De Brabander, jaargang XXI 2-3, 1938, p. 106.
M.A. Duwaerts e.a., "De molens in Brabant", Brussel, Dienst voor Geschiedkundige en Folkloristische Opzoekingen van de Provincie Brabant, 1961.
Herman Holemans, "Kadastergegevens: 1835-1980. Brabantse wind- en watermolens. Deel 1: arrondissement Brussel-Hoofdstad", Kinrooi, Studiekring 'Ons Molenheem", 1989.
Paul Bauters & Marc Villeirs, "Les moulins à eau et à vent de Woluwe-Saint-Lambert et de la région bruxelloise. Histoire et technologie / Water- en windmolens van Sint-Lambrechts-Woluwe en van het Brussels gewest. Geschiedenis en techniek", Woluwe-Saint-Lambert/Sint-Lambrechts-Woluwe, 1996 (Musée communal de Woluwe-Saint-Lambert, cahier n° 2 / Gemeentelijk museum van Sint-Lambrechts-Woluwe, tijdingen n° 2).

<p>Kloostermolen<br>Oude Molen</p>

Prentkaart Nels. Verzameling Ons Molenheem


Stuur uw teksten over deze molen  |  Stuur een (nieuwe) foto van deze molen
Laatst bijgewerkt: dinsdag 27 januari 2015

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in database zoek op provincie Stuur een algemene e-mail over molens vorige pagina Home pagina Naar bestaande molens