Molenzorg
Sint-Jans-Molenbeek, Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Collectie
Verdwenen Belgische Molens
Naam

Kleine Molen
Hoeseykemolen
Moulin d'Hoesijke

Ligging
Vermicellifabriekstraat
1080 Sint-Jans-Molenbeek

rue de la Vermicellerie
Sint-Juliaanstraat (rue Saint-Julien)
Piersstraat (rue Piers)
op de Paruck
kadasterperceel B19


toon op kaart
Type
Onderslag watermolen
Functie
Oliemolen, later korenmolen
Gebouwd
1250
Verdwenen
ca. 1847, ontmanteld / 1877, fabriek
Beschrijving / geschiedenis

1981, De Kleine Molen of Hoeseyckemolen was een waterkorenmolen op de Molenbeek of de Paruck, aan de huidige Vermicellifabriekstraat (rue de la Vermicellerie), tussen de Piersstraat (rue Piers) en de Sint-Juliaanstraat (rue Saint-Julien).

Hij werd gebouwd voor 1321: "apud Hoeseycke, sub Molendino".

Op 20 september 1374 werd de molen verpacht voor een jaarlijkse rente van 25 pond. Het was toen een slag- of oliemolen (melding van raapolie).

In 1546 was het een korenmolen, want uit een suppliek aan Keizer  Karel  ver­nemen we: « Kaerle by de gratien Gods... Wij hebben ontfanghen de supplicatie van Henricus De Valck, inhoudende hoe dat hem supplicant uyt Wettighen tytelen van vercopinghe toebehaerende in eenen corenmoelen dwelck eenen slachmoelen te  syne plach metten moelenhuyse... onder het laethoff van Coeckelberghe...".

Het was de banmolen van het kasteel van Koekelberg, onder de parochie Molenbeek.

Dit kasteel dat door de Van Zinnicq's wederopgebouwd werd in de laatste helft van de 16e eeuw werd in een akte van 1573 als volgt beschreven "... huys rontsomme onwaetert metten dammen geheeten 't slot te Hoe­seycke in de prochie van  Molebeke..." Het stond aan de hoek van de Holle Weg en de Kasteeldreef (hoek St.-Annakerkstraat en Schmitzstraat te Koe­kelberg) en verdween rond 1820. Een toren ervan, het «Rode Toren­tje», bleef er staan tot 1845.

De Karthuizers kochten deze molen op 19 mei 1526 van de kinderen van Hugues Berkmans. Was eerst oliemolen, daarna slijpmolen en tenslotte graanmolen. In 1564 werd de molen afgestaan aan priester Johan Verheyleweghen: «... over het steygen van het Water inde Molenbeke voorby d'Erfve Heer fans Verheylewegen Priestere  gelegen tot Molenbeke ter hooghde van entrent acht duymen..

De molen werd verwoest door de Calvinisten rond 1580, maar de Karthuizers bouwden hem weer op in 1587 voor de som van 668 gulden. Zij gebruikten voor de wederopbouw onder andere stenen uit het puin van hun klooster. Bij akte van 1 juli 1589 werd, ten verzoeke van een rentmeester, op last van priester Verheylewegen een plaatsbezoek gebracht aan "de Hoesyck": « ... By acte vanden I. Julii 1589. is visitatie gedaen ten versuecke vanden selven Rentmeester nomine Officii  laste vanden Heere Priestere Verheyle­wegen aen synen Molen geheeten de Hoesyck inde Prochie van Molen­beke...  »

Soms wijkt de benaming van de molen heel wat af: "Den Voyeyckmolen onder Molenbeke, den pegel is hoogh 3. voeten eenen duym van op de Waterplaet, en den val is van achter afgemeten te syn 11 voeten".

In 1618 werden de Kartuizers van Scheut eigenaar van de molen na een «Scattinge van corenmolen te Hoseijck gedaen 28 juni  1618». Hij werd door deze gemeenschap verpacht in 1780 aan Petrus de Potter «meester meulder van stiele». Bij deze verpachting traden op voor de Kartuizers Joonnes-Benedikt Luycks, prior van het «Ciaoster der Carthuysen" en Benedikt  de Biefve, procurator.

Na ontbinding van de orde van de Kartuizers door de Oostenrijkse keizer Jozef II (edict van 17 maart 1783) werd de molen op 25 april 1789 verkocht ten bate van de "Religiekas" (door hetzelfde edict opgericht) voor 7000 gulden.

Koper was Charles-Joseph De  Middeleer. Hij verklaarde dat hij door de bevolking van Molenbeek en Koekelberg  aangezocht was om een windmolen op  te richten, omdat de twee bestaande watermolens vooral bij droogte zelfs niet voor de helft van de bevolking volstonden. Bij de koopsom diende hij eveneens de gedane herstellingskosten van de laatste tijd te vereffenen en de bepalingen van het huurcontract van molenaar Petrus de Potter na te komen.

Door het Kadaster was de molen geklasseerd in eerste categorie. Hij  had een verval van ongeveer 12 voet, een molenrad en twee stenen. Hij werd aangedreven door het water van de Molenbeek en de Paruck.

Van de bouw van een windmolen in de nabijheid van de Hoeseyckemolen door De Middeleer kwam niets in huis, wel werd door de  molenaar Petrus de  Potter een windmolen opgericht op het Begijnenveld (zie Molennbeek, Drabsmolen).

De molen, die op de kaart van Vander Maelen (1840) nog voorkomt, kwam in 1836 in de fabriek De Schampeleer te liggen, die in het begin van de 20ste eeuw werd afgebroken. Op het kadasterplan van P.C. Popp (1866) werd hij trouwens aangeduid als "moulin Schampheleer".

Ook de watermolen van het Groot-Begijnhof is eveneens nog voor Molen­beek te vermelden. In 1271 kregen de Begijntjes van de hertog van Brabant de toelating een molen te  bouwen op de Molenbeek mits het betalen van een rente. Deze molen verdween vóór 1599 want in het cijnsboek van datzelfde jaar leest men: «... daer de begijnenhove mole placht te staene... ».

Eigenaars na 1830:
- voor 1834, eigenaar: Demiddeleer Karel Jozef en compagnie, blauwverver te Brussel
- 20.06.1834, verkoop: Vanhoegaarden Carolus Jan, fabrikant te Koekelberg (notaris Barbé)
- 11.11.1839, verkoop: a) De Schampeleer Julianus Franciscus; b) Deschampheleer Alfons ANtonius, c) Verbruggen Emmanuel, handelaar te Brussel (notaris Verhaegen)
- 16.05.1842, verkoop: a) De Schampeleer  Julianus Franciscus; b) Deschampheleer Alfons ANtonius, fabrikant te Sint-Jansmolenbeek (onderhandse akte)
- 13.02.1877, deling: De Schampeleer Alfons Antonius, handelaar te Sint-Jans-Molenbeek (notaris Jacobs)

De watermolen werd rond 1847 opgeheven, bij het aanleggen van de Tazieauxwijk, gelegen tussen de steenweg naar gent en de steenweg naar Merchtem. In de akte van 1877 werd het gebouw omschreven als een "fabrique".  Het gebouw werd gebruikt dvoor de productie van vermicelli. Het fabrieksgebouw werd in het begin van de 20ste eeuw afgebroken.

Antoon-Willem MAURISSEN & Herman HOLEMANS

---------------------

La première mention du moulin d’Hoesijke tombe en 1300. A cette date, pardevant la cour féodale de l’abbaye de Jette, Elisabeth de Koekelberg, veuve du chevalier Guillaume de Koekelberg, et son fils Gérard, constituent auprès de l’hôpital Saint-Jean une rente obituaire (pro memorie dicti domini Wilhelmi) de cinq sous. Cette rente est assignée sur le moulin d’Hoesijke, qu’ils tiennent en fief de l’abbaye de Jette ("…quod de nobis iure feodali tenetur, de nostro consensu et voluntate pro monitorem nostram et debitam sententiam hominorum nostrorum feodalius")(1). Cet élément est intéressant parce qu’il permet de supposer, selon toute vraisemblance, qu’en 1264, lorsque Gérard de Koekelberg inféoda une partie de son domaine à l’abbaye de Jette, le moulin d’Hoesijke était déjà sur pied et fut donc inféodé avec le reste du domaine (2).

Si l’on se souvient du fait que l’ensemble Koekelberg-Laekenveld fut probablement l’un des terroirs les plus anciennement cultivés à Molenbeek, il est tout à fait plausible d’admettre que le moulin d’Hoesijke fut l’infrastructure meunière qui, au XIIe siècle, donna son nom au village. Tout ceci demeure évidemment hypothétique en l’absence de sources explicites, mais je pense qu’il s’agit là d’un indice sérieux. Seule ombre au tableau, le moulin d’Hoesijke est situé sur le Paruck et non le Molenbeek.  En 1307, on trouve une nouvelle mention du moulin d’Hoesijke, lorsque Guillaume Bossuit, tenancier de celui-ci, cède en aumône aux tables des pauvres de Molenbeek, Berchem et Laeken ainsi qu’à la fondation Ter Kisten quatre setiers de seigle assignés sur ce moulin (3). Le moulin semble avoir évolué à partir de la moitié du XIVe siècle.

On le retrouve alors entre les mains de l’hôpital Saint-Jean, probablement tenu à cens des seigneurs de Koekelberg. Tant en 1356 qu’en 1406-1409, le moulin est alors baillé par l’hôpital contre une rente de cinq sous payments (4): "Item de molen te Hoeseyke die van Jan Haneloes es die Claes van Rode houdende es jaerlex erflec te Kersavond V s. pay." (1356); "Item op de molen te Hoeseycke die de vrouwe Lambrechts hout jairscaren erfelec te Kersavond V s. payments." (1406-1409).

On le retrouve dans deux actes de 1545, toujours entre les mains du seigneur de Koekelberg (5). L’acte le plus intéressant pour notre propos se situe en 1564, devant la cour foncière de Jean de Locquenghien (6), alors seigneur de Koekelberg. L’acte constate la passation du bail du moulin par le tenancier Georges van Opalphen, sacristain en l’église Saint-Jean-Baptiste de Molenbeek, à Jean Verheyleweghen (7): "…Joris van Opalphen, costere der prochie kercken van Saint Jans Baptisten te Molenbeke…heeft opgedraghen in handen voorgeschreven meyers van weghen als voers. tot behoeft heeren Jans Verheyleweghen eenen corenmolen dwelck voermaels eenen slachmolen te zijne plach gheheeten de molen te Hozeyche metten molenhuysen, coestallen ende voideryen daer aenstaende metten coelhove ende hueren anderen toebehoirten." L’acte ne précise pas si le moulin constitue toujours un fief de l’abbaye de Jette. Néanmoins, un acte d’arbitrage du 25 novembre 1596 opposant le meunier Jean Verheyleweghen à l’abbé de Jette, Henri de Coudenberg, laisse entrevoir des droits de perception de l’abbé sur le moulin, ce qui laisse penser que la situation n’a pas changé depuis l’inféodation de 1264.

La description du moulin et de ses dépendances est des plus intéressantes. L’acte apprend ainsi que le moulin, anciennement à huile, est affecté en 1564 à la mouture du grain ("eenen corenmolen dwelck voermaels eenen slachmolen") (8).

En outre, les dépendances du moulin comprennent une maison destinée au meunier (molenhuys), une étable (coestal), une grange servant à entreposer le fourrage du bétail ("voiderie") et un jardin où l’on cultive des choux ("coelhove") (9). On voit donc, au XVIe siècle, une certaine diversité des activités qui se déroulent aux travers des dépendances du moulin d’Hoesijke. Ceci démontre que le meunier, en plus de la mouture du grain, s’adonnait également à l’élevage de bétail et à la culture du chou. Le moulin en moins, et nous sommes en présence d’un courtil.

Paulo CHARRUADAS

(1) Archives du Centre public d’aide sociale (ACPASB), Saint-Jean 2, f° 29ter, n° 204 (29 septembre 1300).

(2) C’est également l’avis d’A. Wauters "Histoire des environs de Bruxelles…", 3A, Bruxelles, 1855, p. 49. Et ce dernier fait même remonter le moulin d’Hoesijke en l’an 1250, malheureusement sans mentionner la moindre référence ! 

(3) ACPASB, B 1460, n° 21 (1e semaine de juin 1307). 

(4) ACPASB, Saint-Jean 17, f° 57 r° (censier 1356); ACPASB, Saint-Jean 18, f° 52 v° (1406-1409): Item op de molen te Hoeseycke die de vrouwe Lambrechts hout jairscaren erfelec te Kersavond V s. payments.

(5) Archives de la Ville de Bruxelles (AVB), AA M 66 (8 mars 1545) ; AVB, AA M 66 (7 avril 1545). 

(6) La seigneurie de Koekelberg passa à la famille des Locquenghien vers la fin du XVe siècle. Pour les détails de cette généalogie, voir A. Wauters, "Histoire des environs de Bruxelles…", 3A, Bruxelles, 1855, p. 52. 

(7) AVB, AA M 66 (3 novembre 1564)

(8) En 1426, la description du moulin est en tous points similaires, à l’exception du fait que le moulin est encore dit slachmolen (AVB, AA M 66 (3 avril 1426). Ceci indique que le changement d’affectation eut lieu entre 1426 et 1564. 

(9) Notons que voiderie pourrait également signifier un atelier où travaille un pelletier. (J. Verdam (réed.), "Middelnederlansch handwoordenboek", ‘s-Gravenhage, 1981, pp. 723).

Bijlagen

­

Literatuur

Archives - Archieven
Archives du Centre public d’aide sociale de Bruxelles / Archief van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, Saint-Jean / Sint-Jan 2, f° 29ter, n° 204 (29 sept. 1300).
Archives du Centre public d’aide sociale de Bruxelles / Archief van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van Brussel, B 1460, n° 21 (1e semaine de juin 1307 / 1ste week van juni 1307).
Archives du Centre public d’aide sociale de Bruxelles / Archief van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, Saint-Jean / Sint-Jan 17, f° 57 r° (censier 1356).
Archives du Centre public d’aide sociale de Bruxelles / Archief van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, Saint-Jean / Sint-Jan 18, f° 52 v° (1406-1409)
Archives de la Ville de Bruxelles / Stadsarchief Brussel, AA M 66 (8 mars 1545)
Archives de la Ville de Bruxelles / Stadsarchief Brussel, AA M 66 (7 avril 1545).
Archives de la Ville de Bruxelles / Stadsarchief Brussel, AA M 66 (3 novembre 1564)
Archives de la Ville de Bruxelles / Stadsarchief Brussel, AA M 66 (3 avril 1426).  

Ouvrages - Werken
Alphonse Wauters, "Histoire des environs de Bruxelles…", 1855, tome 3A, p. 49, 52.
Antoon-Willem Maurissen, "Bijdrage tot de geschiedenis van Sint-Jans-Molenbeek", Puurs, Baeté, 1980, p. 147-152.
Paulo Charruadas, "Molenbeek-Saint-Jean, un village bruxellois au moyen âge", Bruxelles, 2003 (Prix d'Histoire Dexia 2003), p. 90-92.
M.A. Duwaerts e.a., "De molens in Brabant", Brussel, Dienst voor Geschiedkundige en Folkloristische Opzoekingen van de Provincie Brabant, 1961.
Herman Holemans, "Kadastergegevens: 1835-1980. Brabantse wind- en watermolens. Deel 1: arrondissement Brussel-Hoofdstad", Kinrooi, Studiekring 'Ons Molenheem", 1989.
Paul Bauters & Marc Villeirs, "Les moulins à eau et à vent de Woluwe-Saint-Lambert et de la région bruxelloise. Histoire et technologie / Water- en windmolens van Sint-Lambrechts-Woluwe en van het Brussels gewest. Geschiedenis en techniek", Woluwe-Saint-Lambert/Sint-Lambrechts-Woluwe, 1996 (Musée communal de Woluwe-Saint-Lambert, cahier n° 2 / Gemeentelijk museum van Sint-Lambrechts-Woluwe, tijdingen n° 2). Herders Henri, De windmolen Drabs en het molenbedrijf te Molenbeek. Met foto anno 1900, Eigen Schoon en de Brabander, XXXVI, 1953, p. 33 e.v.


Stuur uw teksten over deze molen  |  Stuur een (nieuwe) foto van deze molen
Laatst bijgewerkt: maandag 3 april 2017

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in database zoek op provincie Stuur een algemene e-mail over molens vorige pagina Home pagina Naar bestaande molens