Molenzorg
navigatie Putte, Antwerpen
Foto van <p>Oude Molen</p>, Putte, Prentkaart. Edit. J. Schryvers, Putte, afgestempeld 1903 (coll. A. Smeyers, Alsemberg) | Database Belgische molens
© Prentkaart. Edit. J. Schryvers, Putte, afgestempeld 1903 (coll. A. Smeyers, Alsemberg)

Oude Molen

Mechelbaan
2580 Putte

steenweg naar Heist-op-den-Berg
kadasterperceel B659, 660

toon op kaart
voor 1550 / 1612
ca. 1580, oorlog / 1914 - september, oorlog
Staakmolen
Korenmolen

Beschrijving / geschiedenis

De Oude Molen stond aan de grens met Beerzel, aan de Mechelbaan (steenweg naar Heist-op-den-Berg), binnen een schrans met het molenhuis. Hij werd reeds vermeld rond 1550 toen hij in het bezit was van Jacques Van den Eynde.

Vooraf

Aan de Mechelbaan van Putte naar Beerzel, op de grens van beide voormalige gemeenten, bevond zich tot 1914 De Oude Molen. Het was een graanwindmolen op een molenberg met daarbij een pachthoeve. Het geheel was omgracht. De geschiedenis ervan, die opklimt tot het midden van de 16de eeuw, is vrij goed gekend dankzij de bijdragen van Frans Torfs en van Florent Van Vlasselaer (1). Het huidige gebouwencomplex aan de Mechelbaan 284 in Putte en Oude Molen, het straatje aan dezelfde zijde van de Mechelbaan, herinneren aan de plaats waar de pachthoeve en de molen zich bevonden.

Bij het doornemen van de protocollen van de Mechelse notaris Jan Harlinghen, die bewaard worden op het Mechelse stadsarchief, trof ik een akte aan uit 1612, die een nieuw licht werpt op de geschiedenis van deze windmolen. Het gaat om een contract tussen jonkheer Johan Baptist Keermans, de eigenaar van het goed die in Mechelen woonde en de broers Gillis en Jacob van den Eynde, zonen van Gillis, beiden maalders uit Beerzel (2).

Het belangrijke, nieuwe gegeven uit deze akte is dat De Oude Molen vóór 1612 was afgebrand en dat de beide maalders zich engageerden om binnen de twee jaar een nieuwe houten graanwindmolen op te richten op dezelfde molenberg.

Frans Torfs schreef in zijn bijdrage over De Oude Molen in 1965: ... volgens verklaring van Jules Bogaerts, een broer van de laatste molenaar, stond er op de standaard het jaartal 1555 gegrift (3). Blijkbaar werd de standaard gerecupeerd bij de heropbouw van de molen kort na 1612, want het lijkt weinig waarschijnlijk dat bij de nieuwe molen opnieuw het oorspronkelijke jaartal van de bouw was aangebracht.

Van de vorige windmolen, dus deze die dateerde van vóór 1612, is er een vermelding in een Mechelse sche-penakte uit 1571 met een inventaris van een aantal bezittingen, die afkomstig waren uit de nalatenschap van jonkheer Antheunis Keermans (4). Hij was de grootvader van Johan Baptist, die het contract met de broers-maalders in 1612 aanging. Het feit dat De Oude Molen verschillende generaties eigendom is geweest van de Mechelse adelijke familie Keermans, is eveneens een nieuw gegeven voor de geschiedenis van deze molen en van Putte en Beerzel.

In deze bijdrage overloop ik de inhoud van het contract en schets ik de personen die hierbij betrokken waren. Ik maak van de gelegenheid gebruik om de inventaris van de bezittingen van de familie Keermans op te nemen, die o.a. in Putte en Beerzel waren gelegen.

De wederopbouw van De Oude Molen van Putte is illustratief voor de heropbloei van het sociaal-economische leven tijdens het Twaalfjarig Bestand. Hierin past ook het feit dat jonkheer Johan Baptist Keermans kort vóór 1612 een nieuwe windmolen had laten bouwen buiten de Koepoort van Mechelen opte Roijen meulenberch aldaer. Ook dit gegeven is nieuw en voegt een belangrijk element toe aan de geschiedenis van deze molen - De Rode Molen -, één van de zovele windmolens in de onmiddellijke omgeving van de stad Mechelen in de 16de en 17de eeuw (5).

Inderdaad, tijdens de godsdiensttroebelen werden ook heel wat molens vernield. Vooral de periode 1580-1585 was rampzalig, zowel voor Vlaanderen als voor Brabant en de Heerlijkheid Mechelen. Haast alle bestaande molens overkwam iets in die tijd: vernieling, brand, verlating gedurende vele jaren,..(6). Heel waarschijnlijk was dat ook het lot van De Oude Molen uit 1555.

Het contract

Op 14 juni 1612 stelde de Mechelse notaris Jan Harlinghen een contract op tussen jonkheer Adriaen van der Kammen, die handelde in naam van Johan Baptist Keermans en de broers Gillis en Jacob van den Eynde. Zij waren beiden maalders, zonen van Gillis van den Eynde en woonden in Beerzel. Zij kregen van Keermans "zekeren meulenberch" in erfpacht, gelegen in Putte, "genaempt Den Putmeulenberch, samen met zekere hoffstede genaempt Het Mollecot". Deze hofstede lag aan de molenberg. Aan de noord- en westzijde grensde het eigendom van Jan Maes, aan de oostzijde dat van de weduwe en erfgenamen van jonkheer Adolff Cools en aan de zuidzijde liep de Sheerenstrate, d.i. de huidige Mechelbaan. Het perceel was groot ontrent xxx roeijen der maten ombegrepen.

Het Mollecot was dus de benaming van de pachthoeve. De naam ging later blijkbaar over op een perceel aan de windmolen en werd een toponiem. Dat blijkt uit de akte van notaris Borré van 2 december 1822 over de verdeling van de nalatenschap van Maria Francisca van den Eynde (†Putte 1792) en Andreas van de Wijngaert (†1822). Onder kavel A van de nalatenschap was begrepen: "een wintmolen, huysingen, schrans met zijn water daerom liggende en het stuk land daer neven genaemd het Mollekot, groot 33 roeden gestaen en gelegen onder de gemeynten Putte en Beersel" (7).

De erfpacht voor de molenberg en de hoeve bedroeg jaarlijks 10 veertelen in Mechelse maat goede leverbare rogge en 20 stuiver in geld, met ingang vanaf Bamis 1613. De maalders dienden de pacht naar Mechelen te brengen tot hunnen cost ende pericle op de vervaldag of uiterlijk een maand nadien. Mochten zij in gebreke blijven met de betaling, dan zou de rentmeester van Johan Baptist Keermans of zijn aangestelde, tot in Putte komen en er verblijven op hun kosten, tot de pacht was vereffend.

De eerste comparant verklaarde dat naar verluidt de pastoor van Putte ten behoeve van de armen van Putte meende recht te hebben op een erfpacht op den Putmeulenberch van een half veertel koren. De eigenaar betwistte dit, maar hoe dan ook dienden de maalders deze erfpacht ten laste te nemen. Mocht niettemin blijken dat nog één of andere cijns verschuldigd zou zijn, dan zou deze wel in mindering gebracht worden.

De broers kochten meteen van eerste comparant "zekere twee nieuwe meulesteenen die welcke totten voorschreven meulenberch gedestineert waren". Ze lagen ten huize van Johan Baptist Keermans in Mechelen. De molenstenen moesten "geestimeert worden bij lieden hun dijes verstaende", dus geschat door deskundigen. Dat waren uiteraard maalders. Aan de prijs zou de waarde in mindering gebracht worden van het ijzerwerk, dat afkomstig was van "den affgebranden meulen eertijden opden voorschreven meulenberch gestaen hebbend". Hans Caluwaert, Mechels grofsmid en horlogemaker, zou de waarde schatten van het ijzerwerk dat bij hem ten huize lag.

Het contract bepaalde vervolgens dat de broers ertoe gehouden waren om op de molenberg te stellen "eenen nieuwen wintmeulen ten gerieve van de gemeijnte aldaer zoo haest tzelve doenlijck ende mogelijck is". Uiterlijk binnen de termijn van twee jaar moest deze molen afgewerkt zijn. Hiervoor moesten zij hun persoon en al hun goederen als borg stellen. Aan Michiel Verloock, de "bosschoeder" van Johan Baptist Keermans, dienden de broers een "courtoisie", een gift, aan te bieden. De getuigen bij het verlijden van deze akte waren vermelde Michiel Verloock en Pauwels Wuijts, zoon van Anthonis Wuijts.

De contractanten en de andere personen betrokken bij het contract en de bouw van de Oude Molen

a. Jonkheer Johan Baptist Keermans

Jonkheer Johan Baptist Keermans (°ca 1545– †1625), (ook: Kerman, Kermans, Kerremans, Keereman en andere varianten in de schrijfwijze), was een telg uit een oude adelijke Mechelse familie (8).

Zijn overgrootouders waren Hendrik Kerremans van Bersele (†1486) en Katrien Vincx. Zijn grootouders waren Anthonis Keermans (†1543) en Anna Caluwaert. Anthonis Keermans was o.a. gezworene van het wollewerk van Mechelen in 1537, 1539, 1541 en 1543, overdeken van de Jonge Kruisboog en lid van het broederschap van Sint-Sebastiaan vanaf 1535. Hij was kerkmeester van Sint-Pieter en Paul in 1535. Hij bezat het leen Pelgroems in Heist-op-den-Berg (9).

De ouders van Johan Baptist Keermans waren Jan Baptist, heer van Bersele (†1582) en Catharina Colijns (ook: Colin), de dochter van Jan Colijns, die raadsheer was in de Grote Raad van Mechelen. Vader Jan Baptist was gezworene van de poorterij in Mechelen in 1561, gezworene van het wollewerk in 1562, 1565 en 1566 en schepen van de stad Mechelen in 1563, 1564, 1567, 1568, 1571 en van 1574 tot 1577. Hij was ook deken van het "wollewerk" in 1569-1570 en "thesaurier" in 1578-1580. In 1578 was hij gedeputeerde in de Staten-Generaal. Rumoldus Vergheest, de deken van Sint-Rombout, vermelde in 1566 in zijn advies voor de wetsvernieuwing dat Jan Baptist Keermans een zeer goed katholiek was, die regelmatig de mis bijwoonde. Alles wijst erop dat hij ook tijdens het Calvinistisch Bewind nog katholiek bleef (10).

Jan Baptist Keermans had gedurende 14 jaar, sedert Bamis 1557 tot half maart 1570, het beheer waargenomen van het erfgoed, dat zijn vader Antheunis had nagelaten. Het was nog onverdeeld met zijn broer jonkheer Hendrik Keermans. Hun moeder had haar leven lang de helft van de opbrengsten ervan genoten aan pachten, renten, verhuur van o.a. beemden en opbrengsten van bossen. Op 15 november 1571 verklaarde Hendrik Keer-mans voor de schepenen van de stad Mechelen, dat zijn oudste broer met hem volledig had afgerekend. Deze schepenakte geeft een inventaris van al deze bezittingen, die indrukwekkend is en een idee geeft van de uitgestrektheid van de goederen die de familie Keermans in de 16de eeuw bezat.

Zij had de opbrengsten van "de hoeve te Pelgrims, van de hoeve te Beersele, den meulen te Putte, de herberghe te Bersele, van de stede met zijne toebehoirten te Beersele bij de cure (d.i. de woning van de pastoor) gelegen, dwelck altijt bewoont es geweest bij huerlieder boschueders aldaer, van den bempt onder Ballaer gelegen, van tlant op de Zueteweije gelegen, den beempt te Rijmenam aende plaetse gelegen, de rente van twaelf gulden op de Spelberch bosschen, de rente op de Wolbosschen, de rente op tdorp van Beersele, de rente op de goeden van Joos de Keppere te Beersele, de rente op de goeden van Proper onder Heist, den chijs te Liere, van de vijff veertelen corens te Ballaer, de twee veertelen op de goeden van wijlen her Jan de Mulder onder Wavere, de coorenrente opde weduwe Bernaerts. Item vande afgeleijde coorenrente daer af dat huerlieder moeder de hoot-penningen ontfangen heeft,... van de rente van twintich gulden tsiaers op tdorp van Werchtere, van den bempt aldaer gelegen geheeten Sluijsdonck, vanden Kersbeempt op Zellaer onder Boonhoije, van drie bunderen ende een halfve bempts inde Broekstrate gelegen, van tlant te Putte aende plaetse, vande rente op derfgenaemen van de weduwe Gooris, van de houwen ende proffijten van tPelgerims bosch metten Beghijnenbosch ende vorlen (11) daer rontsomme liggende, van de houwen van de Neerbosschen, van een bosch Biermanslant geheeten, van dbosch op de Zuetweije, van drije bunderen bosch tCostersheuvele geheeten, van de vorlen van Pelgrimslant, zoe onder Heijst als onder Beersele gelegen met een stuck bosch aenden misvenen gelegen, geheeten Den Neckershorinck, van den Bercken bossche, van de Aceleijebosschen, Item van den hauwen van omtrent vierthien bunder boscshen geheeten d’ Ouwe Hoeve onder Beersele, van het bosch onder Heffen in de Heijstrate gelegen, van de Cleijn Heijkens, van de Frouze, van den Gheer, van Sleppersbosch, van de vorlen van de Soelhautsche velden, met vorlen van den Mortelterre velden, Item van den heesters in de voirschreven Mortelterre velden vuijtgedaen ende vercocht, vanden vorlen van den Bijnackere boomgaert ende Willems lant, van Thoens Smuelders veldt ende van den jaerlicxschen schaermutsaert op den Beerselberch".

Er zijn geen aanwijzingen dat de familie Keermans nog een andere molen bezat in Putte dan De Oude Molen. Heel waarschijnlijk gaat het in de Mechelse schepenakte van 15 november 1571 dan ook over deze graanwindmolen. Antheunis Keermans overleed in 1543. Hieruit volgt onvermijdelijk dat den meulen te Putte dateert van vóór 1555!

Zoon Johan Baptist Keermans, die het contract aanging in 1612 voor de heropbouw van De Oude Molen in Putte, was heer van Hooghberghe en luitenant van het Feodaal Hof van het Land van Mechelen. Hij huwde eerst Marguerite de Grysperre op 1 januari 1592 in Sint-Rombout. Zij was de dochter van Willem de Grysperre, een raadsheer in de Grote Raad van Mechelen. Zij kregen drie kinderen: Anna (°St.-Rombout 15 oktober 1592), een doodgeboren kind (°St.-Rombout, februari 1595) en Margriet (°St.-Rombout, maart 1597)(12).

Na het overlijden van Marguerite de Grysperre, huwde Johan Baptist Keermans met Maria van der Dilft, de dochter van de Antwerpse burgemeester Eduard van der Dilft.

Johan Baptist Keermans werd dé vertrouweling en eerste raadgever van prins Philips Willem van Nassau, een zoon van Willem van Oranje. Prins Willem van Oranje bezat in Mechelen het Hof van Nassau en verbleef er meermaals. Philips Willem werd er eigenaar van en schonk het goed op 8 februari 1611 aan zijn raadsman om de goede ende getrouwe diensten, die onze seer lieve ende getrouwen Johan Baptist Keerman, ridder, onzen eersten Raidt ons heeft gedaen, ende wij betrouwen hij noch zal continueren te doene. Keermans verkocht het Hof van Nassau in 1613 aan Joos le Mire, de pastoor van het Groot Begijnhof in Mechelen (13) In 1618 verkocht Johan Baptist Keermans de prins het omgracht jachtslot Bouvigne bij Breda, dat hij in 1610 had gekocht (14).

Johan Baptist Keermans maakte op 2 oktober 1615 zijn testament op voor de Mechelse notaris Adolff van de Venne (15) en overleed op 3 oktober 1625. Hij werd begraven in Mechelen in de Sint-Janskerk (16).

De gedetailleerde inventaris van wat zich in zijn huis in Mechelen bevond, werd opgesteld op 1 december 1615. De lijst aan juwelen, goud- en zilverwerk, schilderijen, meubilair e.d.m, is ronduit indrukwekkend. Johan Baptist Keermans moet een héél begoed man zijn geweest (17).

a. De maalders Gielis en Jacob van den Eynde

Gielis en Jacob van den Eynde waren zonen van Gielis en woonden in Beerzel. Zij waren telgen uit de bekende maaldersfamilie Van den Eynde, de vroegst gekende molenaars op de Heimolen of Heestenheidemolen van Beerzel. Zeer waarschijnlijk is Gielis te vereenzelvigen met Egidius van den Eynde, zoon van Egied en Catharina Torffs, die in 1606 huwde met Maria van Rompay, de dochter van Petrus en Petronella Wagemans (18).

b. Jonkheer Adriaen van der Kammen

Jonkheer Adriaen van der Kammen (°ca. 1553), trad op als tussenpersoon bij het contract van 1612 voor Johan Baptist Keermans. Hij was een zoon van Johan van der Kammen († vóór 1587), voormalig eerste pensionaris van de stad Mechelen, die na het Wonderjaar een tijdlang was vastgehouden in opdracht van de Raad van Beroerten (19).

Adriaen had twee broers: Adolff en Adam van der Kammen. Hij had ook drie zusters. Marie van der Kammen was de echtgenote van Philips De Briquegnij, advocaat in de Grote Raad van Mechelen. Margriete was gehuwd met Francois Van Axele en Katerine was de echtgenote van jonkheer Liebert De Fraisne, die heer van Coolput was en baljuw van Vlissingen (20).

Adriaen van der Kammen was gehuwd met een De Fraisne (21)

Hij was wethouder van de poorterij van Mechelen, schepen in 1581, 1582 en 1583 en communiemeester in 1584. Hij was lid van de fortificatiekamer in 1583 en commis ende admodiateur (klerk en pachter van) mijns heeren de prince van Orangnen over zijne goederen ende innecommen des landts ende baenderije van Grimberghen (22). Hij bezat o.a. samen met zijn zuster Marie de hoeve Schoonenberge gelegen onder Haacht.

Op 31 augustus 1612 liet hij voor notaris Jan Harlinghen zijn testament verlijden (23). Op dat ogenblik lag Adriaen van der Kammen ziek te bed in zijn woning aan de Koestraat in Mechelen. Hij wou begraven worden bij zijn ouders in de Ridders-kapel van Sint-Rombout. Ook zijn broer Adolff en zijn zuster Marie hadden dit uitdrukkelijk in hun testament bepaald. Hij voorzag o.a. een legaat aan de kerk van Sint-Rombout, aan de Minderbroeders en aan de Vrouwenbroeders tot opbouwinge van hunne begonste kercken en aan de goodshuijsken van der fondaties van die Van der Kammen aan de Koepoort in Mechelen. Vier schamele vrouwkens waren gehouden om ieder jaar in Sint-Rombout oft daer thaer best zal geleghen zijn op des testateurs dach sijnder geboorte ende van sijnder vuijtvaert misse te hooren. Zijn testamentuitvoerders waren zijn zuster Marie en raadsheer Van Caestre, latende den zelven voor gedenckenisse alle sijns testateurs antique ende moderne medaillen ende conchilien (schelpen) diemen bringht vuijtte nieuwe Indien (i.e. Amerika) ende een schilderijken van keijser Maximiliaen. Jonkheer Adriaen van der Kammen behoorde ongetwijfeld tot de gegoede Mechelse burgerij van zijn tijd.

b. Hans Caluwaert

Hans Caluwaert (ook: Caluardt, Calewaerts, ...), °ca. 1579, was een Mechels grofsmid. Hij was een zoon van Hendrick Caluwaerts en Anna van Steijnemeulen (24) Hij werd in 1605 (stads)horlogemaker in opvolging van Jan Inghels. In deze functie onderhield hij de horloges van de Sint-Romboutstoren en van het Mechelse stadhuis. Bij zijn opdracht behoorde het luiden van de werckclocke, poertclocke en de diefclocke. In 1606 ontving hij 100 pond voer het volmaken van het nieuw werk aende horologie op St. Romboutsthoren dwelck bij Jan Inghels sa(liger) begonst was (25).

Hans Caluwaert huwde met Susanneken Attevoerts op 2 juni 1602 in de Sint-Romboutkerk (ondertrouw in de kerk van O.L.Vrouw-over-de-Dijle op 18 mei 1602). Hun zeven kinderen werden gedoopt in Sint-Rombout: Philippus (°12 december 1603), Anna (°31 juli 1606), Gielis (°16 december 1608), Joannes (°19 april 1614), Rumoldus (°10 september 1617) en Maria (°21 juli 1619) (26).

In 1613 werd Hans Caluwaert samen met Hans Gommaerts, de testamentaire voogd over de zes kinderen van zijn wijlen zijn broer Philips Caluwaert en Catelijne Mollemans (27) Bij de verdeling van de nalatenschap van zijn ouders in 1623 met zijn zuster Elizabeth, die gehuwd was met Hendrick van den Bossche en zijn schoonzuster Catelijne Mollemans, erfde hij het huis Het Vercken op de Korenmarkt in Mechelen (28). Hans Caluwaert bezat zelf een huis Onder den Toren (29).

Hij leverde ca. 1610 al het ijzerwerk voor de bouw van De Rode Molen buiten de Koepoort van Mechelen. Het ijzerwerk van de verbrande Oude Molen van Putte had hij gerecupereerd (30).

Nawoord

Het contract van 1612, dat ongekend was, heeft de vroegste geschiedenis van De Oude Molen van Putte grondig bijgesteld. Nieuwe gegevens kwamen aan het licht. Er was in Putte vrij zeker op dezelfde plaats van De Oude Molen, een molen die dateerde van vóór 1555. De molen werd heropgebouwd kort na 1612, nadat de bestaande door brand was vernield. We vernemen wie de eigenaar was, die de opdracht gaf voor de nieuwbouw en dat zijn voorouders, heren van Beerzel, er ook eigenaar van waren geweest. We vernemen voor het eerst dat Johan Bap-tist Keermans, dezelfde eigenaar, in Mechelen een nieuwe molen had laten bouwen.

Tenslotte zagen we dat de heropbouw van De Oude Molen in Putte en de (herop?)bouw van De Rode Molen in Mechelen, het langzame herstel illustreren van het sociaal-economisch leven tijdens het Twaalfjarig Bestand.

Over onze water-, wind- en rosmolens is doorheen de jaren reeds heel veel gepubliceerd. Wat de molens in Putte en Beerzel betreft, is dat eigenlijk ook het geval. De toevalsvondst van het bouwcontract uit 1612 toont aan, dat de geschiedenis van onze molens nog lang niet voltooid is.

François VAN DER JEUGHT, Mechelen

We zien de molen afgebeeld op de Ferrariskaart (ca. 1775) met het bruin symbool van een staakmolen.

Kadastrale beschrijving uit ca. 1830:
"molen B659 is in het jaar 1820 door de heer Van de Wijngaert Andreas, toen deszelfs eigenaar, van zijn kinderen verhuurt geworden en het netto beloop verhuur na aftrek van een derde deel, volgens de wet voor verval, kosten van onderhoud en herstellingen is f. 201. Het netto beloop bedraagt f. 220".

Eigenaars na 1820:
- 1820, eigenaar: Van de Wijngaert Andreas
- voor 1834, eigenaar: Van de Weygaert-Van de Putte Pieter, molenaar te Putte
- 28.06.1851, erfenis: de kinderen (overlijden van Pieter Van de Weygaert)
- 16.12.1852, verkoop: Nijs-Mariën Jan-Baptist, molenaar te Putte (notaris Ceulemans)
- 10.09.1880, verkoop: a) Op de Beeck-Van Velthoven Julius Dominicus, handelaar te Mechelen en b) Op de Beeck-Schaique Alexander, handelaar te Mechelen (notaris Borré)
- 18.03.1902, verkoop: Bogaerts-Van der Auwera Petrus Josephus, landbouwer te Putte (notaris Van de Walle)

In september 1914 werd de standaardmolen door de Duitse soldaten in brand gestoken. De laatste molenaar was Leopold (Jozef) Bogaerts - Hoefkens.  Na de oorlog werden de molenresten verwijderd en in 1920-'21 werd de ringgracht geleidelijke dichtgemaakt. Toen op 11 februari 1921 de gebroeders Van Roye van de Zoetewei de molenberg begonnen af te graven troffen ze in de molenberg een vierkante ijzeren koffer aan met 730 zilverstukken met een globaal gewicht van 12,5 kg. Het oudste geld dateerde van 1726 en het jongste van 1792. Het is niet geweten hoe deze schat in de molenberg terechtgekomen is. Vermoed wordt dat de schat in de molenberg werd begraven tijdens de Franse tijd. Misschien was het molenaar zelf die de schat in de molenberg verborg zonder dat er iemand van zijn kinderen er iets van afwist en ging ze bij zijn plots overlijden verloren.

Gelukkig had de familie Bogaerts al voor 1914 een "vuurmolen" gebouwd zodat het malen kon verder gezet worden. Molenaar Jozef ("Jef") Bogaerts was net voor de oorlog (op 22 februari 1913) overleden. Zoon Leopold Bogaerts maalde nog tot na de tweede wereldoorlog.

De huidige straatnaam "Oude Molen" verwijst naar uiteraard naar deze vroegere molen.

Florent VAN VLASSELAER & Herman HOLEMANS

AFBEELDINGEN

Prentkaart van de Oude Molen te Putte, www. beeldbankputte. be
Detail uit de Ferrariskaart van ca. 1775 van de omgrachte pachthoeve met De Oude Molen.
Handtekeningen van Adriaen van der Kammen, Gillis en Jacob van den Eynde en van notaris Jan Harlinghen onder de akte van 14 juni 1612.
Uit: P. Génard, Verzameling der graf- en gedenkschriften, (1905), p. 437.
Handtekening van Hans Caluwaerts onder zijn attestatie van 12 juni 1612 voor notaris Jan Harlinghen.

VOETNOTEN

(1) F. TORFS, De Oude Molen te Putte en de molenaarsfamilie Van den Eijnde, in “’t Zwaantje”, jaarboek voor het Land van Heist en omliggende, V, 1965, p. 51-57.
F. TORFS, Van Putse mensen en dingen, dl.1, uitgave van de Heemkring “Het Molenijzer”, Putte, 1970, p. 142-144; id. dl. 3, 1979, p. 172.
Fl. VAN VLASSELAER, De graanmolens van Putte - De Oude Molen, jaarboek 2000-2001 van de Heemkring “Het Molenijzer”, Putte, 2001, p. 92-104.
(2) Stadsarchief Mechelen (S.A.M.), notaris J. Harlinghen, nr. 897, f°158r-159v, 14 juni 1612.
(3) F. TORFS, De Oude Molen te Putte,..., o.c., p. 51.
H. HOLEMANS, Provincie Antwerpen - volledig overzicht van bestaande & verdwenen wind-, water- & rosmolens, uitgave van de studiekring “Ons Molenheem”, s.l., 1986, p. 61, vermeldt dat De Oude Molen dateert van vóór 1550-1914.
(4) Met dank aan Christiane Apers die me wees op deze akte uit de schepengriffie, bewaard op het Mechels stadsarchief.
(5) S.A.M., notaris J. Harlinghen, nr. 897, f° 153r, 12 juni 1612. De Rode Molen werd gebouwd door Henrick Van Sint-Truijen, timmerman in Mechelen, dan 29 jaar; id. f°153v, 12 juni 1612: al het ijzerwerk voor de bouw van deze molen werd geleverd door Hans Caluwaerts, horlogemaker en grofsmid in Mechelen, dan 33 jaar; id. f° 154r, 12 juni 1612 en f°154v, s.d. 1612: de verpachting van de molen gebeurde in de herberg De Roose gelegen Op de Dijle in Mechelen.
H. HOLEMANS, a.w., p. 47, vermeldt dat De Rode Molen dateert van vóór 1740 – 1912.
H. HOLEMANS en P. LEMMENS, Molens van Klein-Brabant, Mechelen en de Rupelstreek, uitgave van de Studiekring “Ons Molenheem”, Nieuwkerken, 1987, p. 52 en 53 (foto). Hierin de vermelding van De Rode Molen aan de Liersesteenweg (Mechelen) vanaf 1775 (kaart van Ferraris).
Om een goed idee te krijgen over de aanwezigheid van het aantal windmolens rond de stad, zie: H. INSTALLÉ, "Mechelen in 1576. Beschrijving aan de hand van het plan van Jan van Hanswijck", in Historische stedenatlas van België – Mechelen, Brussel, 1997.
(6) Met dank voor deze informatie aan Lieven Denewet, eindredacteur van “Molenecho’s”, het Vlaams tijdschrift voor molenstudie, in zijn e-mail van 7 juli 2010.
(7) Fl. VAN VLASSELAER, De graanmolens van Putte, a.w., p. 97 en 98.
(8) Voor een duidelijke genealogische schets van de familie Keermans, zie: K. LEMMENS, De geschiedenis van Beerzel. Van laetho-ven, leengoederen, cijnsgoederen, de hoge heerlijkheid, oorlog, pest, wolven en de dorpsbewoners, dl. 1, uitgave in eigen beheer, 2007, p. 27.
(9) M. MAST, Politiek, prestige en vermogen: de Mechelse magistraat, 1520-1577, in: Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen (KKOLKM), dl. 97, Mechelen, 1994, p. 243, 244, nr. 78.
(10) G. MARNEF, Het Calvinistisch Bewind te Mechelen, 1580 -1585, Heule, 1987, p. 364, nr. 50.
M. MAST, a.w., p. 244, nr. 80.
(11) Woordenboek der Nederlandsche Taal, dl.22/1, Leiden, 1986, kol.1689-1691. Vorle, vorrel, veurle: voordeel, landbouwterm in de betekenis van “hoofdeinde van een akker”, strook grond aan het voor- en achtereinde van een akker waar men bij het ploegen of andere grondbewerkingen het gespan keert en die men eertijds onbebouwd liet liggen of ook wel beplantte met tronkhout of fruit-bomen.
P. LINDEMANS, Geschiedenis van de landbouw, anastat. druk, “Genootschap voor Geschiedenis en Volkskunde v.z.w”, Ant-werpen-Borgerhout, dl.I, kanten en voordels, p. 395-397. 
(12) Voor de genealogische gegevens werd dankbaar geput uit de databank van De Ware Vrienden van het Archief. Zie: www.dewarevrienden.net/DWV/
(13) F. VAN DER JEUGHT en P. VANHOUTE, Monumentum Illustrissimi Principes Philippi Guilielmi. De Mechelse steenhouwer Lijbert van Eeghem en de grafzerk van prins Philips Willem van Nassau (1619), in HKKOLKM, dl. 113, Mechelen, 2009, p. 224. Het Hof van Nassau is vandaag (2010) een beschermd monument en is eigendom van de Scholengroep 5. Het bevindt zich op het binnengebied van de basisschool van het Gemeenschapsonderwijs Hof van Nassau, tussen de Zandpoortvest en het Berthouders-plein.
(14) Zie: http://www.absolutefacts.nl/kastelen/data/bouvigne.htm
De stad Breda verkocht het goed in 1972 aan het Hoogheemraadschap voor Noord-Brabant.
(15) S.A.M., notaris A. Van de Venne, nr. 1736, f°281, 2 oktober 1615.
(16) P. GÉNARD, Verzameling der graf- en gedenkschriften van de provincie Antwerpen. Arrondissement Mechelen. Mechelen. Paro-chiekerken, dl. 5, Antwerpen, 1903, p. 437.
R. VAN DEN EYNDE en CUYPERS d’ ALSINGEN, Provincie, stad, ende district van Mechelen opgeheldert in haere kercken, kloosters, kapellen,..., Brussel, 1770, dl. 1, p. 323. Zijn weduwe hertrouwde in Mechelen (Sint-Jan) op 30 juli 1616 met Philippus Snoy, zelf weduwnaar van Eleonore de Brimeu (†8 januari 1616). Maria van der Dilft werd begraven op 20 mei 1618 (St.-Jan).
(17) S.A.M, notaris A. Van de Venne, nr. 1736, f°319 e.v., 1 december 1615.
(18) Fl. VAN VLASSELAER, De graanmolen van Beerzel, jaarboek 1998 van de Heemkring “Het Molenijzer”, Putte, 1998, p. 96 en 97.
(19) S.A.M., notaris P. De Munter, nr. 1301, f°161r, 28 april 1586. Adriaen van der Kammen was dan 33 jaar; id., nr. 1302, f°396v, 21 november 1587.
S.A.M., notaris J. Harlinghen, nr. 897, f°254r, 18 augustus 1612. Vermelding van de afstamming.
G. MARNEF, a.w., p. 363, 364, nr. 49.
M. MAST, a.w., p. 243, nr. 76.
(20) S.A.M. notaris J. Harlinghen, reg. nr. 900, f°602r, 25 november 1615 en f°608r, 27 november 1615: twee testamenten van Marie van der Kammen.
S.A.M., notaris J. Harlinghen, reg. nr. 901, f°282v, 13 januari 1612 en f°283v, 14 januari 1612. Testament en codicille van jonkheer Adolff van der Kammen.
(21) S.A.M., notaris P. De Munter, nr. 1300, f°211v, 18 juli 1585.
(22) S.A.M., notaris J. Harlinghen, nr. 897, f°7v, 9 februari 1612.
(23) S.A.M., notaris J. Harlinghen, nr. 897, f°313r, 31 augustus 1612.
(24) S.A.M., notaris, J. Harlinghen, nr. 909, f°136r, 27 maart 1623.
(25) S.A.M., Stadsrekening, nr. 278 (1604), f°153r, f°154v; id., nr. 279 (1605), f°148v; id. nr. 280 (1606), f°146v.
(26) Ook voor deze genealogische gegevens werd dankbaar geput uit de databank van de Ware Vrienden van het Archief.
(27) S.A.M., notaris J. Harlinghen, nr. 897, f°228, 26 juli 1612, id., nr. 901, f°305v, 26 juli 1612 (testament van Philips Caluwaert),  id., nr. 898, f°510r, 4 oktober 1613, id., nr. 909, f°33r, 18 januari 1623, id. nr. 909, f°87r, 20 februari 1623.
(28) S.A.M., notaris J. Harlinghen, nr. 909, f°113r, 10 maart 1623, id., nr. 909; f°115r, 10 maart 1623.
(29) S.A.M., notaris J. Harlinghen, nr. 912, f°10r, 8 januari 1626.
(30) S.A.M., notaris J. Harlinghen, nr. 897, f°153v, 12 juni 1612.

Archieven
Stadsarchief Mechelen. Notaris J. Harlinghen, nr. 897, f°158r°-159v°, 14 juni 1612.
Stadarchief Mechelen, Notaris J.  Harlingen, nr. 897, f° 153r, 12 juni 1612.
Stadarchief Mechelen, Notaris J. Harlinghen. f°153v, 12 juni 1612.
Stadsarchief Mechelen, Notaris J. Harlinghen, f° 154r, 12 juni 1612 en f°154v, s.d. 1612.
S.A.M., notaris A. Van de Venne, nr. 1736, f°281, 2 oktober 1615.
S.A.M, notaris A. Van de Venne, nr. 1736, f°319 e.v., 1 december 1615.
S.A.M., notaris P. De Munter, nr. 1301, f°161r, 28 april 1586. Adriaen van der Kammen was dan 33 jaar; id., nr. 1302, f°396v, 21 november 1587.
Stadsarchief Mechelen, notaris J. Harlinghen, nr. 897, f°254r, 18 augustus 1612. Vermelding van de afstamming.
S.A.M. notaris J. Harlinghen, reg. nr. 900, f°602r, 25 november 1615 en f°608r, 27 november 1615: twee testamenten van Marie van der Kammen.
S.A.M., notaris J. Harlinghen, reg. nr. 901, f°282v, 13 januari 1612 en f°283v, 14 januari 1612. Testament en codicille van jonkheer Adolff van der Kammen.
S.A.M., notaris P. De Munter, nr. 1300, f°211v, 18 juli 1585.
S.A.M., notaris J. Harlinghen, nr. 897, f°7v, 9 februari 1612.
S.A.M., notaris J. Harlinghen, nr. 897, f°313r, 31 augustus 1612.
S.A.M., notaris, J. Harlinghen, nr. 909, f°136r, 27 maart 1623.
S.A.M., Stadsrekening, nr. 278 (1604), f°153r, f°154v; id., nr. 279 (1605), f°148v; id. nr. 280 (1606), f°146v.
S.A.M., notaris J. Harlinghen, nr. 897, f°228, 26 juli 1612, id., nr. 901, f°305v, 26 juli 1612 (testament van Philips Caluwaert),  id., nr. 898, f°510r, 4 oktober 1613, id., nr. 909, f°33r, 18 januari 1623, id. nr. 909, f°87r, 20 februari 1623.
S.A.M., notaris J. Harlinghen, nr. 909, f°113r, 10 maart 1623, id., nr. 909; f°115r, 10 maart 1623.
S.A.M., notaris J. Harlinghen, nr. 912, f°10r, 8 januari 1626.
S.A.M., notaris J. Harlinghen, nr. 897, f°153v, 12 juni 1612.

Werken
François Van der Jeught, "De heroprichting van de verwoeste Oude Molen te Putte (1612)", Molenecho's, 38 (2010), 3, p. 142-148.
H. Installé, "Mechelen in 1576. Beschrijving aan de hand van het plan van Jan van Hanswijck", in Historische stedenatlas van België - Mechelen", Brussel, 1997.
P. Génard, "Verzameling der graf- en gedenkschriften van de provincie Antwerpen. Arrondissement Mechelen. Mechelen. Parochiekerken", dl. 5, Antwerpen, 1903, p. 437.
R. Van den Eynde & Cuypers d'Alsingen, "Provincie, stad, ende district van Mechelen opgeheldert in haere kercken, kloosters, kapellen,..., Brussel, 1770, dl. 1, p. 323.
K. Lemmens, De geschiedenis van Beerzel. Van laethoven, leengoederen, cijnsgoederen, de hoge heerlijkheid, oorlog, pest, wolven en de dorpsbewoners, dl. 1, uitgave in eigen beheer, 2007, p. 27.
H. Holemans & P.J. Lemmens, Molens der Zuiderkempen, Nieuwkerken, 1978, p. 52-53, 91-94.
H. Holemans & P.J. Lemmens, "Molens van Klein-Brabant, Mechelen en de Rupelstreek", uitgave van de Studiekring “Ons Molenheem”, Nieuwkerken, 1987, p. 52 en 53 (foto).
H. Holemans, "Provincie Antwerpen - volledigoverzicht van bestaande & verdwenen wind-, water- & rosmolens", uitgave van de studiekring "Ons Molenheem", s.l., 1986, p. 47, 61.
G.K. Kockelberg, "De molens van Putte", in: Ons Molenheem, Opwijk, jg. 31, 2006, nr. 3, juli-september, p. 65-68, ill.
M. Mast, "Politiek, prestige en vermogen: de Mechelse magistraat, 1520-1577", in: Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen (KKOLKM), dl. 97, Mechelen, 1994, p. 243, nr. 76; 244, nr. 78.
G. Marnef, Het Calvinistisch Bewind te Mechelen, 1580 -1585, Heule, 1987, p. 244, nr. 80; 364, nr. 50; p. 363, 364, nr. 49.
"Zo was Putte", p. 48.
F. Van der Jeught & P. Vanhoute, "Monumentum Illustrissimi Principes Philippi Guilielmi. De Mechelse steenhouwer Lijbert van Eeghem en de grafzerk van prins Philips Willem van Nassau (1619)", in HKKOLKM, dl. 113, Mechelen, 2009, p. 224.
Frans Torfs, "De Oude Molen te Putte en de molenaarsfamilie Van den Eynde", in: 't Zwaantje (Jaarboek voor het Land van Heist en omliggende), V, 1965, p. 51-57.
Frans Torfs, "Van Putse mensen en dengen", dl. 1, uitgave van de Heemkring "Het Molenijzer", Putte, 1970, p. 142-144; id. dl. 3, 1979, p. 172.
Florent van Vlasselaer, "De graanmolens van Putte - De Oude Molen, Jaarboek van Heemkring Het Molenijzer-Putte, IX, 2000-2001, p. 92-104.
Fl. Van VLasselaer, "De graanmolen van Beerzel", jaarboek 1998 van de Heemkring “Het Molenijzer”, Putte, 1998, p. 96 en 97.
F. Torfs, Het vroegere Putte met Grasheide en Peulis, Nieuwkerken,  1984.
W. Van Mensel, "Molenaars Biermans", Ons Molenheem (Kinrooi, Studiekring Ons Molenheem), jg. 1996,  nr. 4, p. 9-13.
Hugo Lambrechts-Augustijns, "De handgraanmolen in Putte", Het Molenijzer (Heemkring Het Molenijzer Putte), jg. 2004, nr. 2.
Hugo Lambrechts-Augustijns, "Molenaar Cornelis Van den Eynde", Het Molenijzer (Heemkring Het Molenijzer Putte), jg. 2006, 3.

Website
Databank van de Ware Vrienden van het Mechels Archief.

Overige foto's

transparant

<p>Oude Molen</p>

Prentkaart voor 1914. Verzameling Ons Molenheem

<p>Oude Molen</p>

Prentkaart voor 1914. Verzameling Ons Molenheem


Laatst bijgewerkt: vrijdag 28 april 2017
Stuur uw teksten over deze molen
Stuur uw foto's van deze molen
  

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in databasezoek op provincieStuur een e-mail over molen <p>Oude Molen</p>, Puttehomevorige paginaNaar Verdwenen Molens