Molenzorg
navigatie Brugge, West-Vlaanderen
Foto van <p>Wulfhagemolen<br />Wulfhaegemolen<br />Kattemolen<br />De Katte</p>, Brugge, Reconstructietekening met potlood door Rik Gerard op basis van tekeningen in het Stadsarchief Brugge, 1997 (Voor de molen vond hij inspiratie in een foto van de nabije oliemolen De Engel) | Database Belgische molens
© Reconstructietekening met potlood door Rik Gerard op basis van tekeningen in het Stadsarchief Brugge, 1997 (Voor de molen vond hij inspiratie in een foto van de nabije oliemolen De Engel)

Wulfhagemolen
Wulfhaegemolen
Kattemolen
De Katte

Gulden-Vlieslaan
8000 Brugge

links v.h. einde v.d. Beenhouwersstraat
vroegere Smedenvest
kadasterperceel D104

toon op kaart
1298, hout /voor 1805, steen
voor 1775 / 1859, huis / 1873, sloop / 1884, afvoeren wal
Staakmolen, later stenen bergmolen
Korenmolen, oliemolen, snuifmolen

Beschrijving / geschiedenis

De Wulfhage- of Kattemolen was oorspronkelijk een houten, en later een stenen graanwindmolen op de vroegere Smedenvest, thans Gulden-Vlieslaan, links op het einde van de Beenhouwersstraat.

Net zoals "de Dreete" en "de Mortier" werd ook de "Wulfhagemolen" opgetrokken op één van de drie molenmoten naast het raamland Cattevorde.

We zien hem aangeduid als een staakmolen op de plannen van Marcus Gerards (1562) en van Jacob van Deventer (1558-1575), als de derde molen tussen de Ezelpoort en de Smedenpoort.

In het Sint-Jacobszestendeel van 1580 wordt hij vermeld als "Een muelene daer neffens ghenaemt de Wulfhaegermuelene", in het bezit van Cornelis van Noorweghe en Jan Camerlynck, "elc d'heltscede" (elk de helft).

Het molenaarsambacht kocht in 1700 de Kattemolen, op de Smedenvest, om ermee alleen boekweit te malen (men spreekt niet van gerst). Het ambacht beschikte toen in totaal over achttien draaiende korenmolens, terwijl de behoeften van de bevolking konden verholpen worden door tien tot twaalf windmolens. Het college verbood echter dat de molen zou gebruikt worden om boekweit te malen ‘op dat sulcx alleene soude geploghen worden door het cleen gemeente metter hant’.
Liever dan de Kattemolen stil te laten staan of de nering van ieder korenmolen nog te verminderen, vroeg het ambacht dan de molen te mogen overbrengen naar Sijsele, waar de Allenkerkemolen 6 of 7 jaar voordien door de ‘vijand’ was verbrand, en waar reeds octrooi en consent van het college van Sijsele was bekomen om een molen op te richten.

Enkel de molenwal bleef over. We zien die mooi afgebeeld op de Ferrariskaart (ca. 1775).

Voor 1805 werd de staakmolen herbouwd in steen, type stenen bergmolen, en werd hij ingericht als een olie- en snuifmolen. De naam veranderde in "De Katte". Ondanks de gewijzigde molennaam werd de oude naam ook nog gebruikt. We zien beide namen verkomen in de verkoopsadvertentie, verschenen in de  Gazette van Brugge van 11 prairial XIII (31 mei 1805): "Absoluyten overslag van een nieuwen steenen olie windmolen dat men op Vrijdag 7 Juni 1805 18 Prairial jaar 13 's namiddags ter twee ueren in het Stadhuys binnen Brugge zal doen den definitieven en absoluyten overslag van eenen nieuwen steenen olie windmolen staende binnen de stad op den barm van de veste bij den Bloedput genaemd den Wulfhaege of Kattemolen tusschen de Ezelpoorte en Smedepoorte, dit met alle draeiende werken, molensteenen en ander toebehoorten, benevens een zeer gerievig magazijn van zuyden jegens den wal van zelve molen om met het tellen der koopsomme aan het gebruyk te komen. En staat met zijne verhoogen... op 17.70 fr. (notaris Bernard Verhulst, Oudenburg).

In een advertentie in de "Gazette van Brugge" nr. 62 van 1832 "Standaerd van Vlaenderen" van 17 juni 1832 lezen we dat de "Wulfhage- of Katte-Molen" openbaar verkocht wordt. Daarin staat dat de oliewindmolen, in steen gebouwd met de molenwal en een daarnaast staand magazijn, alsook het materiaal van een snuifmolen te koop wordt aangeboden. Onderaan staat nog vermeld dat de molen gebruikt is geweest door J. Glorieux. De tweede koop betreft een woning gelegen tegenover "De Katte" die de naam "den Schaepsklauw" draagt en waarbij de naam van Joanna Wielmaecker opduikt, wellicht familie van de eerste vrouw van Glorieux.

Eigenaars na 1830:
- juni 1832, verkoop: Glorieux-Rolin Jacques, olieslager en zeepzieder te Brugge.
- 1835, deling: Glorieux-Wielmaecker Jacques, de kinderen, eigenaars te Brugge.
- 07.05.1851, verkoop: Glorieux Henri, handelaar te Brugge (notaris Vanderhofstadt)
- 1872, verkoop: Legein-Denys Eduard, bakker te Brugge, afkomstig uit Roeselare

In een verkoopsadvertentie, verschenen in de "Gazette van Brugge en der provincie West-Vlaenderen van 21 september 1867 vinden we interessante nfo terug over de uitrusting van de molen, die al voorzien was van een stoomtuig met een kracht van 8 pk:
"Kantoor van den Notaris FRAEYS, te Brugge.
Instel Zaterdag 5 October 1867 en Overslag Zaterdag 19 derzelfde maend, telkens om 4 ure des namiddags, in de "Paryssche Halle", in de Kleine Sint Amandstraet, te Brugge, van:
Eenen grooten steenen OLIE-MOLEN genaemd "de Katte", met STOOMTUIG van de kracht van 8 peerden, Magazynen, Molenwal, roerende en draeiende werken, yzeren Citerne voor 400 hectoliters olie, enz., staende te Brugge, t'einden den Bloedput, op Stadsvestingen; kadaster sectie D N° 101 B, groot onder molenwal en erve 5 aren 70 centiaren. - By plakschriften verdeeld in 2 koopen, onder reserve van accumulatie.Laetst gebruikt geweest door M. Henri Glorieux en om door den kooper dadelyk het gebruik er van te nemen." Deze verkoop ging evenwel niet door.

Jacques Glorieux was afkomstig uit Kortrijk, waar hij op 11 oktober 1792 geboren was, als zoon van Joannes Glorieux en Joanna Gillon. Hij huwde een eerste keer met Anna-Marie Wielmaecker (°Brugge, 29.01.1781), dochter van handelaar Joannes en Anna de Brauwere. Er werden drie kinderen geboren: Jan (°1819), Eduard (°1820) en Thérèse (°1821). Op 3 december 1821 overleed Anna in het huis dat het gezin Glorieux sinds 1818 bewoonde aan de Academieplaats, nu Jan van Eyckplein. In 1823 trouwde Jacques Glorieux een tweede keer. Zijn bruid Emilie Rolin was afkomstig uit Nederland en werd op 14 januari 1795 in Borne geboren. Het nieuwe gezin bleef wonen op het nr. F2/41 dat toen nog het tweede huis rechts van de Spanjaardstraat was. Uit dit tweede huwelijk werden nog geboren: Henri (°1824), Renilde (1826-1836) en Emilie (°1829). Jacques Glorieux overleed op 2 september 1858.

Als olieslager werd hij opgevolgd door zijn zoon Henri Glorieux. Hij werd geboren te Brugge op 7 oktober 1824 uit het huwelijk van Jacques Glorieux en zijn tweede vrouw Emilie Rolin. Hij trouwde met de in Brugge geboren Marie Vossen, die hem twee kinderen zou schenken: Marie (°1857) en Henri jr. (°1861). Vader Henri had de molen "De Katte" al verworven in op 7 mei 1851. Ook hij bleef aan de Academieplaats (het huidige Jan Van Eyckplein) wonen. Het huis strekte zich via bijgebouwen uit tot in de Spanjaardstraat.

In de kelder van het perceel ex.491bis was een zeepziederij ondergebracht. De afgewerkte producten werden ondergebracht in twee van de drie Spaanse stapelhuizen die toen nog aan de Spanjaardstraat stonden, links van het Rode-Haanstraatje. Deze gebouwen werden pas in 1900 gesloopt. De zaken floreerden blijkbaar goed voor Henri, want in 1855 liet hij het huis aan de Beenhouwersstraat D9/18 tot stapelplaats verbouwen. In 1857 liet hij het aanpalende huis links slopen en vervangen door een herenhuis met vijf traveeën. Beide huizen lagen dus op een boogscheut van zijn molen aan de toenmalige Smedenvest. Zijn huis aan het Jan van Eyckplein (ex. 491) paalde rechts aan het Pijndershuisje. Vroeger had het huis een puntgevel en droeg het de naam "'t Heilig Graf". Op 21 maart 1836 had Jacques Glorieux een bouwaanvraag ingediend (nr. 23) om de puntgevel te verbouwen tot lijstgevel naar de mode van die tijd. Deze gevel zou rond 1930 opnieuw een trapgevel krijgen.

 

Links naast het huis Glorieux stond een huis op de hoek van de Spanjaardstraat (ex. 492) dat het nr. F2/40 droeg. Het was eigendom van de weduwe Jacobus Denet, die het doorverkocht aan zilversmid François Dehondt. In 1892 werd het huis gesloopt om de toegang tot de Spanjaardstraat te verbreden. Daarmee werd het huis Glorrieux een hoekhuis. Na de familie Glorieux kwam er nog de meubelzaak van Van Mullem en een verkoopzaal "Van Eyck", en tot 1928 een fietsenhandel. Na de verbouwing tot trapgevel werd de leeszaal van de Stadsbibliotheek er in ondergebracht.

Kort nadat Jacques Glorieux de molen in bezit genomen had (juni 1832), liet hij op de mote een klein bijgebouw oprichten dat  een breedte had van amper 3,20 meter. In 1850 kreeg hij van de Stad Brugge de toestemming om het bijgebouw met twee meter uit te breiden in de breedte. De nieuwe constructie paalde aan het voetpad dat naar de molen leidde. Later werd het gebouw nogmaals vergroot en een gedeelte ervan kreeg een typisch neoklassiek uitzicht. Hij plaatste in 1853 een stoommachine in het atelier aan de voet van de molenwal. Vanaf toen was hij gewapend tgegenn windstille dagenn.

Aan de zijde van de Beenhouwersstraat verrees een hoge gemetselde schoorsteen die aantoont dat de windmolen door een mechanische maalderij vervangen werd. De windmolen werd in 1859 niet meer gebruikt en werd ingericht als woning. Het is niet bekend of het wiekenkruis behouden werd.

In 1872, kort voor de sloop, verkocht Henri Glorieux zijn molen De Katte aan bakker Edouard Legein, die een bakkerij in de Beenhouwersstraat D6/22 (nr. 46) had. Legein werd geboren in Roeselare op 20 augustus 1825. Hij trouwde in Izegem met de aldaar op 28 oktober 1821 geboren Octavie Denys. Er kwamen acht kinderen: Marie (°1852), Victorine (°1853), Irma (°1855), Edouard jr. (°1859), Edmond (°1862), Adolphe (°1864), Esther (°1867) en tenslotte Alice (°1870). Alle kinderen werden in Brugge geboren op Marie na, die in Izegem het levenslicht zag. De ijverige bakker liet ook nog in 1872 de bergplaats op de mote verbouwen tot drie woonhuisjes (sectie ex104c, d, e) waarbij het neoklassieke gedeelte achteraan tot herberg promoveerde. In deze herberg serveerde men voor de wandelaars de toen befaamde "spletwafels". Historicus A. Duclos achtte dat in zijn standaardwerk "Bruges, Histoire et Souvenirs" (Brugge, 1910) het vermelden waard. De wafels werden door Legein geleverd aan de herbergiers. Wie dat waren, kan jammer genoeg niet meer achterhaald worden, aangezien de bevolkingsregisters uit deze periode door brand vernield zijn.

Langsheen de molens De Roompot, De Stoker en De Katte liep sedert 1857 de spoorlijn naar Brugge-haven. In 1862 werd dit traject tot Blankenberge doorgetrokken. Deze lijn splitste zich af van de spoorlijn naar Oostende, op het einde van de Nieuwe Wandeling (= de huidige Hoefijzerlaan), ook wel De Bloedput genoemd.
Links van de Beenhouwersstraat diende de spoorlijn een bocht omheen molen De Katte en bijhorend atelier te maken. Daardoor bemerkten de treinen die kwamen van Blankenberge niet steeds op tijd de signalisatie aan de splitsing. Ernstige treinongelukken deden er zich soms voor zoals in 1871 toen de treinen van Oostende en  Blankenberge op elkaar inreden.
Om aan dit euvel te verhelpen had J. De Jaegher een ontwerpplan getekend met een nieuw traject voor deze spoorlijn tussen De Bloedput en de Ezelpoort. De lijn zou niet meer langs de stadszijde van de Smedenvest gelegen zijn, maar aan de zijde van de binnengracht. In dit ontwerp was ook de omschakeling voorzien van de oude spoorwegbedding tot een "boulevard carrossable". Om dit plan te verwezenlijken diende een grondwissel tussen stad en staat tot stand te komen en moesten de drie windmolens (De Roompot, De Stoker en De Katte) verdwijnen.
De Spoorwegmaatschappij kreeg dan ook de toestemming tot sloop van de Kattemolen en de Roompotmolen om de lijn recht te trekken en de zichtbaarheid aan de Bloedput te verbeteren.

"De Katte" kwam het eerst aan de beurt. Edouard Legein liet molen "De Katte" in 1873 slopen. De drie huizen op de molenmote werden pas in 1885 afgebroken voor de heraanleg van de Smedenstraat met de naam Gulden-Vlieslaan. Dat kwam door de aanslepende onderhandelingen tussen stad en staat over de grondwissel. Alhoewel een overeenkomst reeds in 1881 was opgesteld, ratificeerde de staat het pas in 1884. De uitbaters van de herberg trokken vanwege de sloop van de drie huizen naar een andere herberg, nl. "De Promenade" aan de Begijnenvest.

De twee andere molens ("De Roompot", eigendom van bakker Carolus Van Steeland en "De Stoker", in het bezit van broodbakker August Leleu) werden in 1881 door de stad aangekocht en afgebroken. Hun wallen werden in 1884 afgevoerd voor de heraanleg van de Smedenstraat met de naam Gulden-Vlieslaan.

Lieven DENEWET, Jaak A. RAU & Herman HOLEMANS

Archieven
Stadsarchief Brugge, Registers van de Zestendelen, Sint-Jacobszestendeel, 19e cirkel, f° 181c (1580-1796).
Stadsarchief Brugge, Bouwaanvraag 1850,  nr. 47 (vergroting van het bijgebouw van molen de Katte met 2 meter, 1850)
Stadasrchief Brugge, "Machines à Vapeur 1848-1856".
Stadsarchief Brugge, Bouwaanvraag, 1855, nr. 71 (verbouwing van het huis in de Beenhouwersstraat D9/18 tot stapelplaats, 1855)
Stadsarchief Brugge, Bouwaanvraag 1857, nr. 72 (sloop van het naastgelegen huis in de Beenhouwersstraat en vervanging door een herenhuis met vijf traveeën, 1857).
Stadsarchief Brugge, Kaarten en plannen, nr. 129 (plan van J. De Jaegher, nieuw spoorlijntraject, 1872)
Stadsarchief Brugge, "Biens Communaux", 1871-1872

Uitgegeven bronnen
Gazette van Brugge, 11 prairial XIII (31 mei 1805) (verkoopsadvertentie)
Gazette van Brugge, nr. 62 van 1832 (verkoopsadvertentie)
Standaerd van Vlaenderen, 17 juni 1832 (verkoopsadvertentie)
Gazette van Brugge en der provincie West-Vlaenderen, 21 september 1867 (jg. 74, nr. 113), p. 4, kol. 2 (openbare verkoop)
Gemeenteblad van Brugge, 1879, p. 91.
Gemeenteblad van Brugge, 1881, p. 119
Gemeenteblad van Brugge, 1884, p. 439.
L. Gilliodts-Van Severen, "Les registres des "Zestendeelen" ou la cadastre de la ville de Bruges de l'année 1580". Brugge 1894, p. 252.

Werken
J. Delbaere, "Wulfhagemolen te Brugge", in: Ons Heem, XIV, 1960-1961,  nr. 1, p. 19.
Jaak A. Rau, "De stenen windmolen De Katte in de 19de eeuw", Brugge die Scone, 1997, 2, p. 12-13.
K. De Flou, Woordenboek der Toponymie van westelijk Vlaanderen, Vlaamsch Artesië, het Land van den Hoek, de graafschappen Guines en Boulogne, en een gedeelte van het graafschap Ponthieu, Brugge, 1914-1938.
Herman Holemans, "Westvlaamse wind- en watermolens. Kadastergegevens 1835-1990. Deel 1. Gemeenten A-B", Kinrooi, Studiekring Ons Molenheem, 1993.
J.A. Rau & J. D’hondt, De Brugse parochies. 2. Het leven in Sint-Salvator, Sint-Jacobs, Sint-Gillis,Brugge, 1988, p. 13, 18.
Jaak A. Rau & Jan D'hondt, "Een eeuw Brugge. Deel 1: 1800-1900", Brugge, Marc Vande Wiele, 2001.
Guillaume Michiels, Iconografie der stad Brugge, III, Brugge, 1968, p. 174 Marc Ryckaert, "Historische Stedenatlas van België", Brussel, 1991.
A. Duclos, "Bruges, Histoire et Souvenirs", Brugge, 1910.
C. Devyt, "De generaliteit van de gort-en boekweitmaalders te Brugge", Biekorf, jg. 65, 1964, p. 374-384.
Mededeling R. Van Ryckeghem, Sint-Andries, 30.12.2014.

Overige foto's

transparant

Laatst bijgewerkt: woensdag 15 november 2017
Stuur uw teksten over deze molen
Stuur uw foto's van deze molen
  

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in databasezoek op provincieStuur een e-mail over molen <p>Wulfhagemolen<br />Wulfhaegemolen<br />Kattemolen<br />De Katte</p>, Bruggehomevorige paginaNaar Verdwenen Molens