Molenzorg

Beselare (Zonnebeke), West-Vlaanderen


Collectie
Verdwenen Belgische Molens
Naam

Delobels molen

Ligging
Kleine Passendalestraat
8980 Beselare (Zonnebeke)

hoek met Kortrijkdreef


toon op kaart
Type
Staakmolen met open voet
Functie
Oliemolen
Gebouwd
1774
Verdwenen
1911-augustus, sloop
Beschrijving / geschiedenis

Enkele honderd meter voorbij de Molenhoekmolen, op de noordwestelijke hoek gevormd door de Kleine Passendalestraat en de Kortrijkdreef, onder de heerlijkheid van de Oostvierscare, werd in 1774 op een natuurlijke hoogte een houten oliewindmolen gebouwd.

Het octrooi (vergunning) voor deze molen dateert van 30 april 1772. Het werd verleend aan Louis Duval, baljuw van Beselare, mits het jaarlijks betalen van "un hoeud de froment” aan de “ontfanger der waetergraeve van vlaenderen” te Brugge ( 1 mud = ongeveer één hectoliter tarwe). In de 18e eeuw was de familie Duval in Beselare de rijkste en invloedrijkste familie na de kasteelheren. Ruim honderd jaar bekleedden zij de baljuwfunctie.

De molen werd gebouwd door de Beselaarse meester-molenmaker Niklaas Seys en was bedoeld voor de zus van Louis Duval, Coleta gehuwd met molenaar Basiel Vandenbriele. Het was een gewone houten staakmolen op vier gemetste teerlingen zonder torenkot maar onder de staakmolen was een oliekelder, een gemetselde citerne, waarin de olie werd verzameld.

De oliewindmolen veranderde in de eerste tien jaar van zijn bestaan viermaal van eigenaar. Basiel en Coleta Vandenbriele verkochten de molen aan hun zoon Bernard, gehuwd met Katarina Masschelein. Bij zijn dood ging de molen door erfenis naar zijn zoon Martin Vandenbriele. Deze was niet opgezet met de erfenis en bracht de erfenis in openbare verkoop op 27 april 1784. Buurman Jean-Baptist Delobel kocht de molen met het bijhorend alaam en de reservestukken, alsook tweehonderd lands erve waarop een tweewoonst met bijgebouw, ovenbeur en steenput met houten pomp, voor het bedrag van 631 pond parisis en 9 grooten Vlaams courant. Vanaf nu zouden de Delobels gedurende meer dan 130 jaar de eigenaars van de molen worden, vandaar de naam van de molen. In de eerste jaren na de aankoop werd de molen wel nog even verpacht aan Hubert Waterloos, die vanaf 1801 de molenaar van de Molenhoekmolen werd. De huur bedroeg “vijftien ponden by jaere en d' helft der pointinge (de belasting) en de mud tarwe allejaere aen den ontvanger der waetergraeve”.

De eerste molenaar van het geslacht Delobel was dus Jean-Baptist, gehuwd met Marie-Theresia Lefebvre. Na hem volgde Jan-Francis, tevens bakker en getrouwd met Marie-Jeanne Declercq. Hun zoon Edward-Jozef, geboren op 22 augustus 1813, volgde zijn vader op. Naast de activiteit van oliestampen begon Edward eveneens een handel in granen en kunstmeststoffen. Met twee echtgenotes, Rozalie Acke en na haar overlijden Juliana Lecointre, kreeg hij twaalf kinderen. Na de dood van Edward op 14 oktober 1899 zetten de ongehuwde kinderen Hector, Camiel en Eugenie het bedrijf verder.

In 1880, daags voor Allerheiligen sloeg de bliksem in. Het molenhuis en de bijgebouwen brandden te gronde af. Van de inboedel kon bitter weinig worden gered. De windmolen bleef wel gespaard maar op 5 juni 1905, tijdens een hevig onweer, kreeg hij de volle lading. Een deel van de molenkast werd vernield, een pestel was gebroken en binnenin was er ook veel schade. Alles werd hersteld. Moeder Delobel, Juliana Lecointre, stierf op 13 januari 1911. Het betekende het doodvonnis van de windmolen. Stoomtuigen en motoren verdrongen hoe langer hoe meer de natuurkrachten en ook de gebroeders Delobel schakelden in die zomer over op een mechanische olieslagerij en graanmaalderij, aangedreven door een 'Deutz-motor".

De oude windmolen werd gesloopt. Het gebeurde op een dag in augustus 1911. De molen was voordien van zijn binnenwerk ontdaan door de Beselaarse molenmakers Jules Termote en Pieter Vermeulen. Wel vijftien tot twintig sterke mannen van de Molenhoek sleurden met een ‘kommel’, bevestigd aan een van de steekbanden die de staak in evenwicht hielden, het gevaarte tegen de grond. Zeker honderd kijkers, waar onder meester Detru met zijn klas, zagen hoe de molen met veel gekraak en gedruis neerplofte. Het was de eerste molen van Beselare die de duimen moest leggen voor de snel opkomende mechanisatie.

Tijdens de oorlog vluchtten de kinders Delobel naar Normandië. Na de oorlog zagen ze er van af hun olieslagerij weer op te richten. Zij bouwden op dezelfde plaats een moderne graanmaalderij met drie koppels maalstenen, graanbreker, kuiser en bloembuilderij. In 1924 verkochten zij hun bedrijf aan Prosper Talpe-Goemaere. Het molenaarsleven had Emma Goemaere, zelf afkomstig van de Stroomkemolen in Geluwe, deugd gedaan want ze was ruim 102 jaar toen ze op 2 maart 1992 stierf. In 1957 kwam de maalderij in handen van zoon Willy Talpe-Barbry en later van zijn opvolger en zoon Lieven Talpe-Lampaert.

Jozef MAES

Literatuur

Archieven
Algemeen Rijksarchief Brussel, Financiële Raad, nr. 1890 (octrooi 30.04.1772).

Werken
Jozef Maes, J. Delobel’s Windmolen te Beselare in: De Belgische Molenaar, LXVII, 1972, nr. 23.
Jozef Maes, Beselaarse Gedenkboeken Deel II: De Windmolens, Brouwerijen, Herbergen en de Toveresseparochie, Beselare, 1958, 95 p.
Jozef Maes, J. De Sleerinmolen te Beselare in: De Belgische Molenaar, LXXII,1977, nr. 18.
John Verpaalen, "Molens van de frontstreek", Veurne, 1995.
Herman Holemans, "Westvlaamse wind- en watermolens. Kadastergegevens 1835-1990. Deel 1. Gemeenten A-B", Kinrooi, Studiekring Ons Molenheem, 1993.
"Kadastrale Legger P.C. Popp: Deel I Passendale en Zonnebeke: Deel II Beselare,Geluveld en Zandvoorde", Zonnebeke, 2001,

Stuur uw teksten over deze molen  | 
Stuur uw foto's van deze molen
  
Laatst bijgewerkt: zondag 2 juli 2017

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in database zoek op provincie Stuur een algemene e-mail over molens vorige pagina Home pagina Naar bestaande molens