Molenzorg

Berlare, Oost-Vlaanderen


Collectie
Verdwenen Belgische Molens
Naam

Armenmolen

Ligging
Molenhoek 25
9290 Berlare

noordoostzijde
Molenhoek (gehucht)
500 m Z v.d. kerk
kadasterperceel D471


toon op kaart
Type
Staakmolen, later stenen bergmolen
Functie
Korenmolen
Gebouwd
voor 1367 / 1409 / 1593 / voor 1745 (hout) / tussen 1830 en 1844 (steen)
Verdwenen
1385 - einde mei, oorlog / na 1571, oorlog / 1675 - 12 september, oorlog / 1881, sloop
Beschrijving / geschiedenis

De Armenmolen was eerst een houten korenwindmolen en later een stenen windmolen op een molenberg aan de noordoostzijde van de Molenhoek (nr. 25), in het gelijknamig gehucht.

Hij dankt zijn naam aan het feit dat hij eeuwen in het bezit was van de tafel van de Heilige Geest van Berlare, ook wel Armentafel genoemd. Deze Armentafel werd in de 19de eeuw omgevormd tot Bureel van Weldadigheid. Het was de middeleeuwse voorloper van onze huidige OCMW's en stond in voor de hulp aan armen en behoeftigen uit de gemeente.

Het eerste spoor van de staakmolen duikt op in een rekening van de baljuw uit 1367, bij de inning van een boete te betalen door "Gillys de molnere die bedreghen was in de jaerwarede van Berlaer dat hi meer ghenomen hadde dan syn recht...".

De molen werd einde mei 1385 tijdens oorlogsperikelen in brand gestoken door de Gentenaars. Het zou tot in 1409 duren voor er op dezelfde plaats een nieuwe staakmolen werd opgericht. Deze molen was in 1460 in het bezit van de Armentafel van Berlare.

De molen wordt vermeld in de penningkohieren van Berlare van 1571, maar verdween kort nadien tijdens de godsdiensttroebelen.

Op 19 januari 1593 werd een overeenkomst gesloten tussen de Tafel van de Heilige Geest en Lieven Bauwens voor de oprichting van een nieuwe molen "... op de seyde op den muelenbergh daer de oude meulen plochte te staene..". Het betreft hier de overbrenging van de onderdelen van een andere molen (overheen Appelsveer) naar de oude molenberg.
In de overeenkomst werd bepaald dat de vervoerkosten voor de Tafel van de Heilige Geest beperkt zou blijven tot de overbrenging van het molenwerk van Appelsveer tot aan de molenberg. Indien Lieven Bauwens hout zou nodig hebben voor de herstellingen van de molen, zou de Tafel van de Heilige Geest hem hiervoor op haar kosten zeven bomen leveren tot op de molenberg. Indien er enig deel van de molen zou ontbreken of naar het oordeel van de molenmakers aan vervanging toe zou zijn, diende Lieven Bauwens hiervoor de ksoten zelf te dragen. Hij diende zelf het molenijzer te bekostigen. De rente "dewelcke den coninck op de voors. meulen over de wind is hebbende" bedroeg vijf zakken rogge Dendermondse maat en was ten laste van de molenaar.

De pacht ging in op Sint-Jansmisse 1593 (24 juni) en liep over een termijn van 24 jaar. De molenaar diende de mlen goed te onderhouden en bij het verstrijken van de pachttermijn moest de molen maalvaardig zijn. Indien de molen omwaaide, diende de mulder hem opnieuw op te richten en in bruikbare staat te herstellen. Deze verplichting verviel wanneer de verwoesting het gevolg was van oorlogsgeweld.
Bij het verstrijken van de pachttermijn zouden Lieven Bauwens of zijn nakomelingen bevoordeligd worden, in die zin dat zij bij voorkeur als pachter zouden aangeduid worden, zelfs tegen twee à drie zakken rogge minder dan de meestbiedende.
Wat het bevoorraden van de doortrekkende troepen en de buitengewone belastingen zoals de onlangs opgelegde vijfde en tiende penning aanging, zou de pachter hiervan vrijgesteld worden "in soo verre alst alleene den wintmuelen aengaet maer vooder niet".

De molen werd op 12 september 1675 andermaal in brand gestoken "door de vijantlijcke fransche invasie". Hij werd hersteld, want in 1677 vinden we er Jan Corthals als pachter, die hiervoor jaarlijks 44 vaten koren diende te leveren aan de Tafel van de Heilige Geest. Deze vergoeding sloeg op "een jaer cheyns van het stellen vanden vorn. meulen ende het genieten vande maelderije inde plaetse vanden armenmeulen".

In een rekening van de Armentafel uit 1680 vinden we terug wat er toen met deze 44 vaten koren gebeurde: 7 vaten werden aan de behoeftigen uitgedeeld en de 37 overige werden tegen 14 stuivers het vat verkocht. In dat jaar was Gillis Cornelis de pachter, in 1690 was het Gilles de Bock en in 1691 Beirnaert de Bock.

Een nieuwe verpachting voor 29 jaar vond plaats op 22 sepember 1705. Het waren Joan Charles de Clercq en sieur Pieter Joos Vermeiren die als kopers van de verpachting werden genoemd. De huurprijs was ondertussen opgetrokken tot 50 vaten koren, die door de Heilige Geestmeesters aan de behoeftigen werden toegewezen. Het koren dat de molenaar boven deze 50 vaten leverde aan de Tafel van de Heilige Geest werd hem door de Heilige Geestmeesters vergoed.

Na het verstrijken van de pachttermijn werd de molen op 28 augustus 1734 verpacht aan Jan-Baptist Dhooghe, dit voor dezelfde termijn en aan dezelfde voorwaarden.

Bij de volgende verpachting op 14 juli 1763 zat de Tafel an de Heilige Geest in financiële problemen. Als verpachter van de molen dienden zij immers aan de afgaande pachter een som van 446 pond 12 schellingen 3 grote 4 deniers terug te betalen, die deze laatste bij zijn aantreden had moeten neertellen voor het staande werk. Zij dienden na akkoord van het bisdom enkele eigendommen te gelde te maken om aan het vereiste kapitaal te geraken. Voor het draaiende werk was het de aankomende pachter die de afgaande pachter diende te vergoeden.

In 1765 werden er herstellingswerken uitgevoerd aan de molen met ondermeer het plaatsen van een nieuw houten wiekenkruis. Hiervoor werden acht eiken en een beuk aangekocht, verzaagd en verwerkt naast 66 voeten "berdt" en een vierkant hout.

In 1769 was de pachtprijs opgelopen tot 96 vaten koren. Er werd tevens nog een vergoeding betaald voor het windrecht: "12 pond gr. ct. ter causen ende in voldoeninghe van een jaer cheyns ofte recognitie van den windt den geseyden here competerende jaerelycksx vutgaende op den cooren windt meulen binnen dese parochie desen armen competerende, bestaende den selven cheyns jaerelyckx tot ses en 't negentigh vaten cooren, ten advenante van vyfthien stuyvers per vat".

We zien de molen afgebeeld op:
- Landkaart door P. Meysmans (1676), als een staakmolen op teerlingen
- Villaretkaart (1745-1748) als een staakmolen met de vermelding "Moulin"
- Ferrariskaart (ca. 1775) met het bruin symbool van een staakmolen op teerlingen
- Atlas der Buurtwegen (ca. 1844) met het rond grondvlak van een stenen molen en met de vermleidng "Molenhoek, hameau"
- Topografische kaart van Ph. Vandermaelen (ca. 1850) met de vermelding "Molen Hoeksken"
- Kadastrale kaart van P.C. Popp (ca. 1855) met een tekening van een stenen windmolen op een heuveltje en met de benaming "Arm Molen"

Uit het proces-verbaal van afpaling van de gemeente Berlare in 1811: "il existe deux moulins à blé qui sont placés dans la 1ère classe et sont exploités par les propriétaires et peuvent être évalués à un revenu brut de fl. 180, en fr. 326,52. Un moulin à huile estimé fl. 120, en fr. 217,68."
De molen werd in 1834 geschat in de eerste klas, met een kadastraal inkomen van 286 frank.

In opdracht van de "administrateurs van den armen der commune van Berlaere", op 18 maart 1823 in de herberg de Valke aldaar, verpacht notaris van Goethem "publiquelyk, voor eenen termyn van zes jaeren, eenen schoonen en wel-gekalanten Graen-wind-molen, competerende aen den bureau van weldaedigheyd der voorz. Gemeente, staende niet ver van het dorp van Berlaere".

De Armenmolen bleef steeds in het bezit van het Armenbestuur te Berlare (in de 19de eeuw omgevormd tot Bureel van Weldadigheid).

Tussen 1830 en 1844 werd de staakmolen vervangen door een stenen bergmolen.

De molen verdween in 1881, maar de molenwal werd pas in de jaren 1930 genivelleerd.

Frans RINGOOT & Lieven DENEWET

Bijlagen

Gazette van Gend, nrs. 1168 van 24.02.1823 en 1190 van 12.05.1823.
Graanwindmolen te Berlare te huur
In opdracht van de administrateurs van den armen der commune van Berlaere, op 18 maart 1823 in de herberg de Valke aldaar, verpacht notaris van Goethem publiquelyk, voor eenen termyn van zes jaeren, eenen schoonen en wel-gekalanten Graen-wind-molen, competerende aen den bureau van weldaedigheyd der voorz. Gemeente, staende niet ver van het dorp van Berlaere.

Literatuur

Archieven en landkaarten
- Stadsarchief Gent, Penningkohieren Berlare (1571)
- Landkaart door P. Meysmans (1676)
- Villaretkaart (1745-1748)
- Ferrariskaart (ca. 1775)
- Atlas der Buurtwegen (ca. 1844)
- Topografische kaart van Ph. Vandermaelen (ca. 1850)
- Kadastrale kaart van P.C. Popp (ca. 1855)

Gedrukte bronnen
- Gazette van Gend, nrs. 1168 van 24.02.1823 en 1190 van 12.05.1823 (verpachting)

Werken
- Inventaris van de wind- en watermolens in de provincie Oostvlaanderen, Kultureel Jaarboek voor de provincie Oost-Vlaanderen 1960, Gent, 1962, p. 159-160.
- Herman Holemans, Oostvlaamse wind- en watermolens. Kadastergegevens 1835-1990. Deel 1. Gemeenten A-B, Kinrooi, Studiekring Ons Molenheem, 1996.
- Venneman Rosanne, "De Berlaarse molens", Heem- en Oudheidkundige Kring Berlare, 1999, 2, p. 51 e.v.
- Pieters Jules, "De Armenmolen te Berlare", Heem- en Oudheidkundige Kring Berlare, 1984, 2, p. 37 e.v.
- Gedenkschriften van de Oudheidkundige Kring van het Land van Dendermonde, 1965.
- Ringoot Frans, "De windmolens van Berlare", Studiekring Ons Molenheem, 26e jg., 2011, nr. 3 (juli-september), p. 56-58.
- Venneman Rosanne, "Bauwens, een geslacht van molenaars, brouwers en burgemeesters", Heem- en Oudheidkundige Kring Berlare, jg. 1999, 2, p. 32-49.

Stuur uw teksten over deze molen  | 
Stuur uw foto's van deze molen
  
Laatst bijgewerkt: dinsdag 8 juni 2021

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in database zoek op provincie Stuur een algemene e-mail over molens vorige pagina Home pagina Naar bestaande molens