Molenzorg

Gent, Oost-Vlaanderen


Collectie
Verdwenen Belgische Molens
Naam

Molen De Clercq
Coolmeulen
Coolmolen
Koolmolen

Ligging
Heilig-Bloedstraat
9000 Gent

zijde Coupure Links
latere metaalbedrijf Van de Kerchove
kadasterperceel F424


toon op kaart
Type
Staakmolen, later stenen stellingmolen
Functie
Korenmolen
Gebouwd
voor 1381 / 1801
Verdwenen
1800 - 9 november, omgewaaid / 1853, sloop
Beschrijving / geschiedenis

De “Koolmolen” was een houten korenwindmolen aan de Heilig-Bloedstraat, richting Coupure (links).

Hij werd voor het eerst in 1381 vermeld: "van eere molen staende te ghalgheberghe die men heed de coelmolen (Stadsarchief Gent, 330/7, 48 v°).

Latere meldingen dateren uit 1542 en 1687 (aangeduid op een figuratieve kaart).

In een akte van 1579 uit het Stadarchief Gent lezen we „vander cooren windtmuelene metten berghe up ende afrede zo die ghestaen es binnen der prochie van ackerghem achter tcloostere van onser vrauwe ter lasarien ghenaempt de coolmuelene" en in 1652 « Joos Goetgebuer gelt uut zyn meulene ende meulenberch, die genaemt is de Coolmeulen... tAckerghem, zoo men van  de Oolstrate (Holstraat) gaet naer de kercke... » Met deze vage omschrijvingen bedoelt men de Heilig-Bloedstraat.

Bij de onteigening voor het graven van de Coupure rond 1750, moesten een aantal molenaars grond afstaan, maar niet hun molens. Eén van hen was sieur Jan Michiels, ook suppoost van de muldersnering. Hij verloor 100 roeden zaailand "zonder de molenberg". Zijn korenwindmolen en al de grond was zijn eigendom. Die molen, vroeger in bezit van Pieter Bombeke, heette de "Coolmeulen" en stond noordwaarts van de kerkweg naar Ekkergem, "door het Meulegat", dat ongeveer op de h oogte van het huidige Casinoplein lag.

We zien hem aangeduid op de Ferrariskaart (ca. 1775) met het bruin symbool van een staakmolen.

Molenaar Joannes Michiels (°Gent, 5 april 1688 - + Gent, 13 december 1773) en zijn echtgenote Petronilla Lippens (°Gent, 2 februari 1699 - + Gent, 22 januari 1780) lieten de molen over aan hun kinderen Judocus Michiels en Maria Jacoba Michiels. Deze verkochten de molen bij akte van notaris Laurentius Albertus Wallez te Gent van 19 augustus 1782 aan Joannes De Clercq en Antonius De Ronne, beide meester-molenaars te Gent.

Antonius De Ronne was geboren te Sint-Denijs-Westrem op 1 mei 1733 en werd in het Gents poortersboek ingeschreven op 29 maart 1758. Hij trouwde te Gent op 2 februari 1760 met Joanna Theresia Van de Kerckhove, geboren te Tielt op 19 april 1727. Op het ogenblik van zijn overlijden te Gent op 7 februari 1798 was hij samen met molenaar Joannes De Clercq, weduwnaar van Joanna Francisca Van Gansberghe (+Gent, 13 juni 1774) onverdeelde eigenaar, ieder voor de helft, van zowel de Roderoe-molen als van de Koolmolen aan de Heilig-Bloedstraat.

Na het overlijden van Antonius De Ronne op 7 februari 1798 besloten zijn weduwe en drie zonen enerzijds en Joannes De Clercq en zijn kinderen anderzijds uit onverdeeldheid te treden. Bij akte van notaris Francies Constantin d'Haese te Ledeberg van 27 september 1800 werd de Koolmolen toebedeeld aan de consoorten De Clercq. De Rode Roe-molen werd toebedeeld aan de weduwe De Ronne en haar drie zonen mits het betalen van een opleg van 635,03 Franse frank aan de consoorten De Clercq. Joanna Theresia Van de Kerckhove, weduwe De Ronne, overleed te Gent op 28 maart 1802.

De Gazette van Gend bracht op 14 februari 1780 een advertentie voor de verkoop: "Te Sint-Martens-Akkergem. Te koop eenen koornwindmolen, van ouds genaemd den Koolmolen". Notaris was Joannes Louis Vervier uit Gent. Blijkbaar werd er geen koper gevonden (of deed de koper hem weer vlug van de hand), want in dezelfde Gazette van Gent van 20 juni en 1 juli 1782 vinden we een nieuwe advertentie voor de verkoop in de vierschaar van de Schepenen van Gedeele van “eenen Koorn-Wind-Molen met den Berg op- en afrede , ... op S. Martens-Ekkergem door het Molen-Gat over de Coupure of nieuwe Vaerd, genaemd den Kool-molen, alsnu ledig staende. “

Op 18 brumaire, an IX (9 november 1800) vernielde orkaan de windmolen van Jean De Clercq, die gelegen was “voorbij de Rozemarijnbrug”. Hij kreeg de toestemming om zijn molen weer op te bouwen als stenen stellingmolen, dit als antwoord op zijn brief van 5 februari 1801:
«Gand, le 16 Pluviose, an IX
Le citoyen Jean Declercq habitant et meunier en cette (ville) aux citoyens maire et adjoint de la commune de gand.
Citoyen
L’ouragan du mois de brumaire dernier, ayant renversé le moulin de bois, situé sur la coupure près de la maison de force, sur lequel j’exercai le métier de meunier; Et étant d’intention de le rabatir en brique sur laplace ou se trouvait celui culbuté, conformément au plan ci-annexée; je vous prie, citoyens maire et adjoint, de m’accorder la permission à ce nécessaire.
Considération et Respect
Yoannes de Clercq»

Rond 1830 was de molen in het bezit van Pieter Van den Bossche, molenaar te Gent.

De stenen stellingmolen werd in 1853 gesloopt. Op de plaats van deze molen en molenberg tussen de Raes van Gaverestraat, Heilig-Bloedstraat en Coupure Links, werd later het metaalbedrijf Van de Kerchove gevestigd.

Lieven DENEWET, Bart VEECKMANS & Herman HOLEMANS

Bijlagen

"Reformatie in Vlaanderen. Episoden uit de opkomst en ondergang van de Reformatie in Vlaanderen", Middelburg, Stichting de Gihonbron, 2005.
C.G. Montijn (predikant te Mechelen  en te Utrecht), "De geschiedenis van de Hervorming in de Nederlanden", Arnhem, 1868.
Johan Decavele, "De eerste protestanten in de Lage Landen. Geloof en heldenmoed", Leuvenn Davidsfonds /Zwolle, Waanders, 2004. (Hoofdstuk: "Protestantisme in Noord-Vlaanderen  Gereformeerden in Axel, Hulst en Eeklo).

Protestantisme

De Eeklose nieuwgezinden lieten hun afkeer van het altaarsacrament blijken door een bord met een symbolische voorstelling van de eucharistie aan de muur van het Zusterhuis te vernielen. Op dezelfde kloostermuur stond op een morgen in augustus 1562 een duivel geschilderd die een ciborie vasthield.  Aan Bauwen Bake, die in de afspanning Den Hazaert in Axel geen wijn wilde drinken, omdat hij nog maar pas had gecommuniceerd, vroeg wijnhandelaar Charles Persoon of hij zijn tanden dan niet bebloed had, aangezien hij volgens het woord van de priesters zijn God had gegeten in vlees en bloed. In Hulst riepen straatbengels de kerkgangers na: 'Ghij gaet nae die Babilioensch hoere'. Wanneer de processie voorbijkwam, trokken sommige parochianen zich achter gesloten deuren en vensters terug of ze gaven openlijk blijk van hun misprijzen.  Daarbij werd zelfs de platste boertigheid niet geschuwd. Jan de Grave uit Lamsweerde keerde zich ostentatief om en weigerde zijn muts af te nemen. Nicasius Vlassen liet bij het voorbijdragen van de monstrans zijn broek zakken en toonde zijn blote billen.

In Eeklo was de bereidheid van de plaatselijke overheden om de wet te doen toepassen iets groter. Al in mei 1563 werden de raadsheren van het hoge justitiehof van de Raad van Vlaanderen in Gent het stadje binnengehaald om een onderzoek te doen. Ze schreven zestien namen op. Negen ketters werden bij verstek voor vijftig jaar uit Vlaanderen verbannen, twee anderen toonden berouw en zwoeren op een schavot in Eeklo hun dwalingen af. Pas een jaar later, in mei 1564, kwamen de raadsheren in hun functie van vorstelijke commissarissen ook naar Hulst en Axel. In Axel werden vijf personen gearresteerd, twee andere verdachten waren voortvluchtig. In Hulst werden twee vluchtelingen verbannen verklaard. De baljuws Van Pottelsberghe (Hulst) en Bocxtale (Hulster Ambacht) werden uit hun ambt ontzet en gevankelijk naar Gent overgebracht en ook Victor de Grave werd opgesloten. Zware straffen bleven uit, en toch had de interventie vanuit Gent een kalmerend effect. De hervormingsgezinden hielden zich voortaan gedeisd. Meer nog, sommige justitieambtenaren toonden nu een grotere bereidheid om de ketterplakkaten naar de letter toe te passen.

Dat bleek toen molenaar Jan de Grave uit Vremdijk, afkomstig uit de wijk Ekkergem in Gent, ondanks zijn banvonnis toch terugkeerde. In Antwerpen had hij zich aangesloten bij de calvinistische gemeente en er zijn jongste kind laten dopen. Op 17 november 1564 werd hij gearresteerd door de nieuwe baljuw van Hulster Ambacht. Diens voorganger, Jan Bocxtale, zat nog in de gevangenis. Jan de Graves verdere lot is omstandig beschreven in het "Martelarenboek van Adriaan van Haemstede". De man was de hele winter lang in Hulst opgesloten in een onverwarmde del. Sommigen van zijn geloofsgenoten die hem voedsel brachten, werden door de cipier bij de geestelijkheid verklikt. Er werd geen moeite gespaard om hem tot andere gedachten te brengen. De twee pastoors van Hulst en inquisiteur Pieter Titelmans zelf kwamen twistgesprekken voeren. Maar Jan de Grave bleef hardnekkig de ware aanwezigheid van Christus in lichaam en bloed in het altaarsacrament ontkennen en zei dat de goede werken, het vagevuur, de bedevaarten en de heiligenvereniging tot niets dienden. Zijn  vervolgers vroeg hij zich goed te realiseren dat er een dag des oordeels komt, 'alwaer men geen anschau nemen en sal nopende de placcaeten'. Op advies van de Raad van Vlaanderen sprak de wet van Hulster Ambacht op 24 februari 1565 het doodvonnis uit. Omdat de burgemeester voor die dag een groot feest had georganiseerd, werd de terechtstelling een paar dagen uitgesteld. De Grave stierf op 16 februari op de brandstapel op de Grote Markt in Hulst.

De zaak kreeg nog een staartje. Procureur-postulant Jan de Kueeckere, die op verzoek van de wet van Hulster Ambacht als advocaat van De Grave een verdediging op geschrift had gesteld, werd door de Raad van Vlaanderen op het matje geroepen en op 22 mei 1565 tot een boete veroordeeld. Het was volgens de plakkaten immers verboden ketters tijdens hun proces bij te staan. Ook brouwer Jan Willemets zat een tijdje gevangen omdat hij tijdens de executie de wethouders hun wreedheid verweten had. 'De man spreekt van niets anders dan van God,' zo zei hij, 'denkt toch om uzelf, zullen de plakkaten u zalig maken?'

Na de vervolgingen van 1564 werd het stil rond de Hervorming in de streek. Sprekend nochtans was tijdens het gerechtelijke onderzoek de dringende vraag van de spijtoptant Bauwen Bake om zijn getuigenis toch alleszins geheim te houden 'omme niet te commene inde indignatie vande zulcke danof datter groote menichte es binnen Axele'.

Wie zich wegens de strenge repressie enige jaren bedekt had gehouden, kwam in de zomer van 1566 weer openlijk met zijn overtuiging naar buiten. De politieke instabiliteit in het land, de opschorting van de plakkaten en de sociaal-economische malaise gaven daartoe aanleiding. Het wonderjaar kreeg ook voor de drie Noord-Vlaamse steden wel een zeer letterlijke inhoud.

Overgenomen uit het Martelarenboek van Adrianus Haemstedius, predikant te Antwerpen.
In het Nederlandse taalgebied werden dergelijke getuigenissen verzameld door Adriaan van Haemstede (Adrianus Haemstedius) die in 1559 een grote verzameling documenten uitgaf onder de titel Historie der martelaren die om de getuigenis der evangelische waarheid hun bloed hebben gestort. Het boek werd na zijn overlijden steeds aangevuld, zodat de laatste editie van 1747 een overzicht geeft van de martelaren vanaf de vroege Kerk tot circa 1650. Bekende Nederlandse voorbeelden van christenen, die door de Katholieke Kerk als martelaar zijn erkend zijn de Martelaren van Gorcum (†1572) en de Friese karmeliet Titus Brandsma (†1942). Ook de doopsgezinden hebben tal van martelaren gekend.
Jan de Grave
(Jaar 1565.)

De Heilige Geest spreekt door de mond van de profeet Joël: "Ik zal in de laatste dagen, zegt de Heere, uitstorten van Mijn Geest over alle vlees, en uw zonen en uw dochteren zullen profeteren," enz. Broeders, deze voorspelling werd nu volkomen en bijzonder in die tijden vervuld. Want wij zien duidelijker, dat het goddelijke Woord, dat hier vroeger aan weinigen was geopenbaard, nu zeer rijkelijk wordt verkondigd in alle landen en onder alle volken der wereld. Zodat wij terecht met de apostel mogen uitroepen: "Hebben zij het gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot het einden der wereld." Maar niet allen zijn het Evangelie gehoorzaam geweest. Waarlijk, wij beleven de dagen, waarvan de Heere Christus Jezus gesproken heeft dat het Evangelie des koninkrijks verkondigd wordt in de gehele wereld. Want in alle koninkrijken, landen, steden en dorpen wordt nu de zuivere leer der waarheid zo openlijk gepredikt, dat allen, van de meeste tot de minste, naar de goddelijke belofte God kunnen zien en Zijn wil leren kennen. Ja, de kennis van Zijn Woord is nu zo rijkelijk uitgestort, dat ook vele verborgen schatten der Goddelijke wetenschap, die in vorige eeuwen verborgen waren, de mens wonderbaarlijk zijn geopenbaard. leder, wie hij ook zij, groot of klein, arm of rijk, edel of onedel, geleerd of ongeleerd, kan nu van God horen, en Zijn wil leren kennen, indien hij zijn oren en ogen niet voor de waarheid wil toesluiten; want God laat nu volgens Zijn Woord zonder enig bedeksel prediken, zodat het licht voor alle mensen schijnt, en voor niemand bedekt is dan voor hen, die verloren gaan, in wie de God dezer wereld de zinnen verblind heeft. Vele landen, die buiten de kennis van God waren, en sedert vele eeuwen onder het pausdom als verdronken lagen, in alle onwetendheid en blindheid van het hart, heeft God met de kennis van Zijn Woord in deze tijden laten beschijnen, waar nu de leer des duivels is verdreven, en de lieden in de zuivere waarheid en de waren godsdienst met ijver worden onderwezen. Die zijn volk niet waren, heeft God door Zijn genade, tot Zijn volk en eigendom aangenomen, en hun, die Hem niet kennen, is Hij bekend geworden. Waar wij heengaan, in welk land het ook zij, overal vinden wij godvrezende lieden, mannen en vrouwen, wier harten en ogen door de kennis van het goddelijke Woord zijn verlicht. En, al zijn er ook intussen, door de werking des satans, gruwelijke en bloedige vervolgingen uitgebroken, tot verduistering en onderdrukking der waarheid, zo is echter daardoor de prediking van het Evangelie niet gestuit; integendeel, zij heeft veel meer alle landen bezocht, het licht ontstoken en velen bekeerd.

Want, toen de kennis van het goddelijke Woord tot enige landen was doorgedrongen, en velen het pausdom lieten varen, zoals in Duitsland, Engeland, Schotland, Oost-Friesland, Frankrijk en vele andere omliggende landen en steden, wat hebben toen toch de machtige tirannen met al hun bloedvergieten uitgericht, dan juist dat daardoor de harten der mensen hoe langer zo meer tot liefde der goddelijke waarheid werden opgewekt? Ik bid u, wie heeft kunnen verhinderen, dat Gods Woord in die landen zou verkondigd worden? Ten spijt der wereld zal het Evangelie van Gods Zoon de gehele wereld door worden verkondigd, voor het einde der wereld daar zal zijn. Hoe vijandig de koningen zich daartegen ook verklaren, kan God toch door enige middelen de harten der mensen verlichten en genade geven, opdat Zijn waarheid vrijmoedig onderwezen en aangenomen worde, zoals wij nu in de genoemde landen duidelijk zien, waar tiet nu geoorloofd is het zuivere Woord van God te prediken, en godzalig daarnaar te leven. Zo heeft het de Heere ook behaagd om onze verblinde Nederlanden reeds u.durende enige jaren te verlichten met het licht van Zijn Woord, en over velen, die geruime tijd in de schaduwen des doods gezeten hadden, het licht Zijner kennis te laten schijnen. Waar de valse leringen van de roomsen antichrist de beklagenswaardige gewetens zovele jaren hebben gekweld, is nu het geluid van het goddelijk Woord gehoord, en de waarheid door velen aangenomen. Wie zou kunnen meedelen, hoe menigeen in deze Nederlanden, die in de kennis van de goddelijke wil onderwezen werd, de pauselijke dwalingen en zijn valse synagoge heeft verlaten? En, ofschoon er ook nu en dan een kruis te dragen viel en vervolgingen ontstonden om de waarheid, zo is echter daardoor het Woord des Heeren meer en meer aan het licht gekomen, zodat er bij ons geen dorpje te vinden is, waar de bazuin en de prediking van het goddelijke Woord niet is gehoord. Ja, vele geringe, eenvoudige en onwetende lieden, die nauwelijks lezen of schrijven konden, werden in de wetenschap der Heilige Schrift zo begaafd, dat zij de wijste en kundigste leraren der pauselijke schoten gemakkelijk konden overwinnen. Ik zwijg nog van enige vrouwen, maagden en jongelingen, die zulke gaven van allerlei geestelijke kennis ontvingen, dat ieder met recht zich daarover verwonderde.

Daarenboven weerstonden zij vele en velerlei verdrukkingen op mannelijke wijze, en weerstaan die nog dagelijks, zoals men elk ogenblik zien kan. Daarom kunnen wij de Heere onze lieven God nooit genoeg danken, dat Hij zich verwaardigt in deze tijd Zijn aanschijn over onze landen te laten lichten en de groten en kleinen zijn heiligen wil openbaart. Gelooft moet zijn naam worden tot in eeuwigheid. Amen.

---------------

Bart Veeckmans, "Selectieve genealogie van de familie De Ronne", in: Id., "De brouwerij Colle en zijn voorgangers in de Veerstraat", Heemkundige Kring Dronghine (Drongen), Jaarboek 36 (2017), p. 117-216 (200-202).

I.- Antonius De Ronne, geboren te Sint-Denijs-Westrem op 30 april 1733 en overleden te Gent op 7 februari 1798 (64 jaar), gehuwd te Gent op 2 februari 1760 met Joanna Theresia Van De Kerckhove, geboren te Tielt op 19 april 1727 en overleden te Gent op 28 maart 1802.

II.- Kinderen van Antonius De Ronne en Joanna Theresia Van De Kerckhove:

1.-Petrus Marinus De Ronne, geboren te Gent op 30 juli 1761 en overleden te Gent op 13 mei 1838 (76 jaar), gehuwd te Gent op 5 november 1788 met Joanna Catharina De Vilder, geboren te Wachtebeke op 24 november 1755 en overleden te Gent op 13 augustus 1794, een tweede maal gehuwd te Kaprijke op 9 februari 1796 met Maria Theresia Bovijn, geboren te Kortrijk op 8 september 1757 en overleden te Gent op 27 augusutus 1836.
2. - Lucas Nicolaus De Ronne, geboren te Gent op 6 december 1763 en overleden te Gent op 26 maart 1835 (71 jar), gehuwd te Kortrijk op 6 oktober 1789 met Angelica Joseph Mijngaert, geboren te Kortrijk op 5 april 1770 en overleden te Gent op 15 april 1836.
3. - Josephus Joannes De Ronne, geboren te Gent op 26 oktober 1769 en overleden te Gent op 14 januari 1807 (37 jaar), gehuwd te Gent op 20 september 1802 met Marie Cathérine Castien, geboren te Gent op 11 oktober 1780 en overleden t Gent op 7 juli 1820.

III.A.- Kinderen van Petrus Marinus De Ronne en Joanna Catharina De Vilder:

A.-Antonius Joannes De Ronne, geboren te Gent op 3 augustus 1789 en overleden te Gent op 9 juni 1793 (3 jaar).
2.- Joannes Baptista De Ronne, geboren te Gent op 6 februari 1791 en overleden te Gent op 21 augustus 1879 (88 jaar), gehuwd te Gent op 3 oktober 1820 met Barbara Carolina Demoerloose, geboren te Gent op 28 februari 1799 en overleden te Gent op 8 september 1878.
3.- Carolus Ludovicus De Ronne, geboren te Gent op 15 maart 1793 en overleden te Gent op 21 februari 1859 (65 jaar), gehuwd te Gent op 28 juni 1820 met Maria Theresia Langerock, geboren te Gent op 2 december 1793 en overleden te Gent op 26 april 1859.

III.B- Kinderen van Petrus Marinus De Ronne en Maria Theresia Bovijn:

1A.- Coleta Antoinetta De Ronne, geboren te Gent op 2 april 1797 en overleden te Gent op 4 augustus 1797 (4 maanden).
2.- Coleta Josepha De Ronne, geboren te Gent op 1 januari 1802 en overleden te Gent op 6 november 1880 (78 jaar), gehuwd te Gent op 7 juni 1827 met Petrus Josephus Maeseele, geboren te Gent op 25 juli 1798 en overleden te Drongen op 1 februari 1840, een tweede maal gehuwd te Drongen op 31 januari 1842 met Angelus Colle, geboren te Sint-Martens-Leerne op 22 maart 1815 en overleden te Drongen op 10 december 1856.

IV.A- Kinderen van Carolus Ludovicus De Ronne en Maria Theresia Langerock:

1.- Petrus Marinus De Ronne, geboren te Gent op 9 juni 1821 en overleden te Gent op 16 januari 1849 (27 jaar).
2.- Carolus Lucas De Ronne, geboren te Gent op 17 oktober 1822 en overleden te Gent op 30 september 1823 (11 maanden).
3. - Maria Theresa De Ronne, geboren te Gent op 18 april 1824 en overleden te Gent op 9 januari 1871 (46 jaar).
4. - Carolus Livinus De Ronne, geboren te Gent op 21 septmeber 1825 en overleden te Gent op 15 mei 1891 (65 jaar).
5.- Eugenia Clemence De Ronne, geboren te Gent op 9 april 1827 en overleden te Gent op 25 december 1886 (59 jaar), gehuwd te Gent op 11 november 1858 met Philippus Josephus Beernaerts, geboren te Gent op 7 juli 1830 en overleden te Gent op 13 april 1886.
6.- Isidorus Bernardus De Ronne, geboren te Drongen op 5 september 1828 en overleden te Gent op 7 mei 1873 (44 jaar), gehuwd te Gent op 23 augustus 1870 met Leonida Francisca Martens, geboren te Gent op 19 decmeber 1833 enoverleden te Gent op 23 oktober 1927.
7.- Ludovicus Bernardus De Ronne, geboren te Drongen op 21 decmeber 1829 en overleden te Gent op 10 september 1866 (36 jaar).
8.- Prosper Leopoldus De Ronne, geboren te Drongen op 14 oktober 1831 en overleden op 14 jnuari 1903 (71 jaar).
9.-Leopoldus Ludovicus Philippus De Ronne, geboren te Drongen op 7 augustus 1833 en overleden te Gent op 6 augustus 1898 (65 jaar), gehuwd te Gent op 25 mei 1869 met Adeline Charlotte Valentine Tyman, geboren te Oudenaarde op 30 juni 1835 en overleden te Gent op 2 oktober 1919.
10.- Adelaïda Juliana De Ronne, geboren te Drongen op 27 mei 1835 en overleden te Gent op 2 januari 1886 (50 jaar), gehuwd te Oostakker op 5 juli 1866 met Robertus Geers, geboren te Oostakker op 7 juni 1810 en overleden te Oostakker op 5 augustus 1875, een tweede maal gehuwd te Oostakker op 14 juli 1877 met Charles Edouard Cambier, geboren te Ronse op 16 april 1818 en overleden te Ronse op 4 augustus 1912.
11.-Silvia Theresa De Ronne, geboren te Gent op 4 juni 1828 en overleden te Gent op 3 december 1898 (60 jaar).

IV.B. -Kinderen van Coleta Josepha De Ronne en Petrus Josephus Maeseele:

1.- Maria Camilla Maeseele, geboren te Drongen op 23 april 1828 en overleden te Gent op 21 januari 1908 (79 jaar).
2.- Petrus Marinus Hypolitus Maeseele, geboren te Drongen op 10 juli 1829 en overleden te Drongen op 10 juni 1830 (11 maanden).
3.- Stephania Joanna Francisca Maeseele, geboren te Drongen op 6 januari 1831 en overleden te Drongen op 17 december 1876 (45 jaar), gehuwd te Drongen op 16 mei 1857 met Bruno Schelstraete, geboren te Drongen op 25 februari 1831, en overleden te Drongen op 8 januari 1912, een tweede maal gehuwd te Drongen op 8 juni 1889 met Rosalia Machtens, geboren te Merendree op 7 augustus 1842.

V.- Kinderen van Leopoldus De ROonne en Adeline Tyman:
1.- Julius Karel Ghislenus De Ronne, geboren te Gent op 25 april 1871 en overleden te Blankenberge op 4 juli 1941 (70 jaar), gehuwd te Blankenberge op 19 oktober 1895 met Stépahnie Léonie De Clercq, geboren te Blankenberge op 20 juni 1873 en overleden te Gent op 23 feburari 1948.
2.- Cornelia Josephia Ghislena De Ronne, geboren te Gent op 5 okbtoeber 1872 en overleden te Blankenberge op 28 augustus 1930 (57 jaar), gehuwd te Gent op 12 decmeber 1896 met Charles Louis De Clercq, geboren te Blankenberge op 21 april 1871 en overleden te Blankenberge op 7 april 1948.
3.- Leo Adelinus Ghislenus De Ronne, geboren te Gent op 11 maart 1874 en overleden te Pittem op 23 augustus 1927 (53 jaar), gehuwd te Pittem op 25 januari 1902 met Esther Baert, geboren te Pittem op 13 mei 1882.
4.- Joanna Maria Ghislena De Ronne, geboren te Gent op 20 oktober 1875 en gehuwd te Gent op 14 juni 1902 met Albert Charles Paul De Smet, geboren te Sint-Amandsberg op 3 november 1878.

Toen nu het licht der waarheid allerwege in Vlaanderen ontstoken was, en het Woord des Heeren in vele plaatsen en streken van dat land gepredikt werd, zoals reeds overvloedig in dit boek is meegedeeld, en wel niet zonder wrede slachting en bloedvergieting der christenen, begon het vuur van het Evangelie ook te ontbranden te Axel, Hulst en omstreken, waar enige eenvoudige lieden het Woord des Heeren met alle ijver aannamen.

Ook anderen was er een zekere Jan de Grave, geboren te Eckergem, bij Gent, een molenaar van beroep, die te Hulst woonde. Hoewel hij een onwetend, eenvoudig en ongeleerd man was, betoonde hij zich toch in de leer en de weg der zaligheid zeer ijverig, en liet hij de gruwelen van het pausdom geheel varen, zodat hij in het minste van de leer en de valse diensten der roomse synagogen iets wilde weten. Zelfs toen zijn vrouw zwanger was, reisde hij om alle bijgelovigheden en besmettingen van het pausdom te ontvlieden, met haar naar Antwerpen, en liet zijn kind daar in de christelijke gemeente dopen. Door deze en anderen ijver, die hij in zijn wandel met God en de behartiging van zijn dienst toonde, werd hij eindelijk door de mispriesters te Heinsdijk, waar hij woonachtig was, zeer gehaat, want de duisterlingen konden het heldere licht der zon niet verdragen. Doch Jan, die het gevaar voorzag, dat daaruit volgen zou, en die liefde had tot de godzaligheid, vatte het voornemen op de pausgezinde plaats zijner woning te verlaten, en een andere, waar hij godzalig wandelen kon, te zoeken. Aldus vertrok hij, met zijn vrouw en vier jonge kinderen, naar Antwerpen, teneinde daar of elders, naar voorlichting van de broeders zich neer te zetten, en zijn brood op eerlijke wijze te verdienen. Aangezien hij al zijn goederen nog achtergelaten had, reisde hij niet lang daarna weer naar de streek Hulsterambacht, teneinde te beproeven, of hij nog enige zijner bezittingen, tot onderhoud van zijn huisgezin, kon verkrijgen. Doch de satan, die een vijand is van alles wat goed kan heten, kon niet verdragen, dat deze man aan zijn tirannie en duisternis ontvloden was, en begon terstond door zijn handlangers zijn woede aan hem te openbaren. Want ziet, niet lang daarna, toen Gijselbrecht Rabat, schout van Huisterambacht, de komst van Jan vernomen had, reisde hij op de 17e November 1564, omstreeks drie uur des namiddags, te paard naar de molen van Hulsterambacht, de Lancksweerdemolen genaamd, die aan de abt van Baudeloo toebehoorde. Toen de schout daar gekomen was, riep hij: "Zeg eens molenaar, maalt gij het zestiende vat? Jan zei: "Ja schout, ja." De schout vroeg andermaal: "Bent gij daar Jan?" "Ja," antwoordde Jan. "Kom dan spoedig naar beneden," zei de schout. "Gaarne," antwoordde Jan. Toen Jan beneden gekomen was, nam de schout hem gevangen, en bracht hem als een zachtmoedig lam ongebonden naar Hulst, waar hij hem in de gevangenis plaatste. Onderweg vroeg de schout naar zijn geloof. Jan antwoordde: "Ik geloof van ganser harte alles, wat God mij in Zijn heilig Woord geleerd heeft, niet meer en niet minder."

De volgende dag verscheen er een christelijke broeder, die dit vernomen had, in de gevangenis, om te weten hoe en langs welke weg Jan de Grave daar gevangen zat. Hij vernam de toedracht der zaak van een anderen gevangene, aangezien Jan in een verborgen hol zat. Toen Jan de gevangenneming, zoals die had plaats gehad, had meegedeeld, zei deze christelijke broeder: "Waarlijk, ik zie niet, hoe gij hieruit zult geraken. Ten andere hebt gij een jonge vrouw en vier jonge kinderen, wat mij zeer leed doet." Hierop zei Jan: "Vrouw en kinderen heb ik deze nacht uit mijn hart verwijderd en aan de Heere, Die hen verzorgen zal, geheel aan bevolen; zodat ik de naam des Heeren vrijmoedig hoop te belijden. Maar, lieve broeder, ik bid u, wees mijner gedachtig in uw gebeden tot de Heere, en zeg, dat de gemeenten overal voor mij bidden."

Tijdens zijn verblijf in de gevangenis gaf hij zich op vurige wijze tot bidden en het aanroepen van de goddelijke Naam over, daar hij inwendig gevoelde, welk een zware strijd hem wachtte. Want behalve zijn harde gevangenschap, die hem naar het vlees zeer kwelde, gevoelde hij van buiten en van binnen grote aanstoot, verdriet en velerlei aanvechtingen, die hem aan de tegenwoordige strijd en de beleden waarheid zochten te onttrekken. Onder dit alles nam hij, die bij zichzelf geen hulp vond, de toevlucht tot de Heere, Die hem ook door Zijn Geest hulp, vroomheid en moed gaf, welke niet door kruis en lijden, niet door honger en dorst, noch door enige bedreigingen der pausgezinden kon worden overwonnen. De vijanden der waarheid, die nimmer van het bloed der christenen verzadigd zijn, namen terstond alle wrede middelen te baat, om hem afvallig te maken, en verzwaarden zijn gevangenschap met velerlei verdrukkingen. Want vooreerst benamen zij hem alles, wat tot gemak en dienst van het leven behoort, wat men anders echter de boosdoeners, waaraan zij zich ook hebben schuldig gemaakt, altijd nog vergunt, en behandelden hem als een dier. Bovendien gaven zij hem zo weinig te eten en te drinken, ja, lieten hem dikwerf geruime tijd zonder enige spijs en drank, alsof zij het er op toelegden hem te laten verhongeren, om hem alzo tot verloochening der waarheid te verleiden, of door zulk een wreedheid te doden.

Nadat Jan de Boxtale, de andere gevange, van wie boven gessproken is, naar de uitspraak van de rechters, was losgelaten, leed Jan de grave, daar hij nu alleen inde gevangenis zat, zulk een honger, als nauwelijks iemand verdragen kan. Want op de plaats, waar hij zeer zeker bewaard werd, kon niemand, die hem enige onderstand zou willen toereiken, op tien of twaalf voet nabij komen, dan de goddeloze gevangenbewaarder en zijn onbarmhartige dienstbode. Deze gaven hun grote verwondering te kennen, dat er nog iemand gevonden werd, die zulk een mens, ofschoon hij altijd even zachtmoedig en vriendelijk tot hen sprak., nog enige dienst of barmhartigheid wilde bewijzen. Wij willen niet eens spreken van de onlijdelijke dorst, waardoor de gevangene zo gekweld werd, dat hij gedwongen was, tot enige lafenis, zijn eigen water te moeten drinken. Zulk een onmenselijkheid moest de gevangene geruime tijd van de pausgezinden verduren.

Doch de Heere verzachtte deze wreedheid enigermate, want niet lang daarna werd er een boosdoener, Willem Tabbaert genaamd, gevangen genomen en in dezelfde kerker gesloten. Toen het enige christelijke lieden vergund werd deze Willem te bezoeken, vonden zij een middel om de genoemde Jan de Grave enige bijstand te verlenen. Zij namen een lange stok, en gaven hem die, om er datgene mee te bereiken, wat hem door enigen, die daar kwamen, zou gegeven worden. Maar, helaas, dit duurde niet lang. Want, toen de gevangenbewaarder dit bemerkte, belette hij dit, en ging bovendien naar de priesters, en noemde allen op, die de gevangene enige bijstand hadden verleend, waaruit geen geringe vervolging ontstond. En, toch waren zij met deze wreedheid, die al erg genoeg was, nog niet tevreden, maar gebruikten nog andere middelen, die niet minder onlijdelijk en gestreng waren, en zochten de onschuldige man in zijn gevangenschap op allerlei wijzen te bezwaren.

Want, niettegenstaande de grote, strenge en onlijdelijke koude van de winter, zoals nog niemand in zijn leven ondervonden had, was het hem niet geoorloofd bij het vuur te komen, wat echter de straatschenders en moordenaars in geen land en stad werd geweigerd. Toen de strengheid van de winter aanhield, ging de vrouw van deze gevangene, met Victor de Grave zijn broeder, tot Hubrecht Dulle, burgemeester in Hulsterambacht, en klaagde over de vreselijke onmenselijkheid, die men jegens haar man pleegde.

"Al had mijn man," zei zij, "een moord gedaan, zo behoorde men toch enig medelijden met hem te hebben." Doch, luistert nu welk een dol en woedend antwoord deze arme bedrukte vrouw van de genoemde Hubrecht Dulle kreeg. Hoort toch, zeggen wij, welke troost deze vrouw ontving.

"Wat, acht gij," zei hij, "uw man, die een boos ketter is, beter dan een moordenaar of andere boosdoener? Hij moet zijn valse gevoelens, waarin hij geheel verward is, laten varen." Met dit antwoord vertrok de vrouw, die zeer bitter weende, met haar jong kind, dat zij bij de hand leidde.

Daarna ging zij naar mr. Elinck van Steelandt, en deed daar dezelfde klacht. Door het klagen van de vrouw en de onmenselijke wreedheid, die hij van ieder vernemen kon, bewogen, vermaande hij de gevangenbewaarder, die zijn neef was, mondeling of met een brief, dat hij de gevangene genadiger moest behandelen, dat hij anders daarin zou voorzien, en zond de gevangene uit medelijden wat spijs en drank. Doch de gevangenbewaarder werd daardoor niet bewogen, ook zouden de priesters, op wier bevel en inblazen hij deze wreedheid jegens de gevangene pleegde, dit niet hebben toegelaten. Aldus was de gevangene al de tijd zijner gevangenschap, die niet kort was, in zijn hol dag en nacht zonder vuur. Wie zou kunnen bedenken, veel minder uitspreken, welke vreselijke onlijdelijke koude hij in al zijn leden verdragen heeft? Het was zeer te verwonderen, dat hij niet van koude in de gevangenis stierf. Doch helaas, zijn ledematen waren eindelijk zo jammerlijk bevroren, zoals wij later nog meer zullen horen, dat hij nauwelijks gaan of staan kon. Hoewel dit moeilijk was voor het vlees, riep hij, onder al deze ellende, de naam des Heeren steeds vurig aan, en volhardde met alle standvastigheid goedsmoeds in de waarheid. Maar broeders, let er nog eenmaal op, welke vijanden der waarheid en ongenadige tirannen de pausgezinden zijn. Merkt toch, welke strenge vervolgers zij zijn van allen, die zich van hun synagoge afscheiden, en zich aan een christelijk gezelschap en godzalig leven overgeven. Maar, gedankt zij God en geprezen zij Zijn naam, dat deze gevangene, door al hun wreedheid, niet van het geloof geweken is, maar hoe langer hoe vuriger werd, tot schande van zijn vijanden en grootmaking van de goddelijke Naam.

Daarom dwalen de satan en zijn handlangers zeer, als zij door honger en dorst, koude en naaktheid, eindelijk door kruis en lijden, de leer van het Evangelie en de vrome christenen zoeken te overwinnen en uit te roeien. Want de waarheid, zoals wij zien konden, kan door generlei verdrukking en lijden verduisterd of ten ondergebracht worden; maar zij wordt door kruis en lijden het meest bevorderd en verheerlijkt; insgelijks, hoe meer de ware christenen in het vlees gekrenkt, bezwaard en geprikkeld worden, hoe vromer zij strijden, hoe vuriger zij worden, hoe meer zij arbeiden om de genoemde strijd aan te binden en te overwinnen. Dan eerst, als zij de nood gevoelen, beginnen zij, met vuriger harten tot de Heere te roepen en te vluchten, en van Hem hulp, troost en bijstand te begeren. Want al zijn wij van nature zo ijdel, dat wij nooit van hart Gods hulp inroepen, Hem aanhangen, op Hem steunen, om Zijn hulp en troost bidden, of waarachtig op Hem vertrouwen, dan als wij enige verdrukking moeten verduren. Evenals de voorspoed, rust en vrede van dit leven slaperigheid tot God en Zijn dienst veroorzaakt, alzo worden wij door lijden tot God en Zijn waarheid getrokken. Wij zien dan allereerst, wat wij van onszelf zijn, namelijk, arme, zwakke en ellendige mensen, die hulp noch kracht in onszelf hebben; waarom wij gedrongen worden tot God onze toevlucht te nemen. Wanneer nu de gelovigen in het vlees derwijze door lijden worden beheerst, zoeken zij Gods wil te volbrengen, want zij steunen op Hem, en houden zich van Zijn troost verzekerd, als zij zich aan alle verdrukkingen voor de naam Gods onderwerpen; want dan zoeken zij niet, wat het vlees bekoort of behaaglijk is, maar wat Gods naam en eer aangaat en eindelijk wat hun zielen redt. Dit leert de Bijbel overal, maar vooral leren dit de psalmen van David, die de Heere ten tijde der benauwdheid met allen ijver aanriep: "Ik heb," zegt hij, "tot de Heere geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord." Als wij niet weten, wat wij doen moeten, dan heffen wij onze ogen en handen tot God, Wiens ogen de gehele aarde doorlopen, en kracht geven aan allen, die met een volmaakt hart op Hem betrouwen. O, welzalig is dan het kruis voor alle christenen, ja nuttig en noodzakelijk, want zij worden daardoor gedrongen om vroom in de waarheid te volharden.

Daarom gaat het met de christelijke kerk nooit beter op aarde, dan wanneer zij met kruis en vervolging door de Heere word bezocht. En nooit gaat het slechter met haar, of immers zorgelozer, dan wanneer zij, van het uitwendige kruis bevrijd, in rust en vrede des levens verkeert. Door het kruis toch worden wij tot liefde der waarheid en godzaligheid opgewekt; maar door rust en vrede worden wij dikwerf flauwhartig en slaperig in de dienst des Heeren; ja, daardoor, wat wij God moeten klagen, vervallen wij dikwerf tot diepe onachtzaamheid jegens de goddelijke waarheid en tot alle wulpsheid en dartelheid des levens.

Dat dit waar is, kunnen wij leren van de kerk van Israël; want, zolang zij door hun vijanden benauwd werden, dienden zij de Heere met ijver, en wandelden oprecht voor Zijn ogen. Doch, toen zij van hun vijanden waren verlost, en met vrede en voorspoed door God gezegend werden, hoe schandelijk hebben zij toen de wet des Heeren huns Gods verlaten, en vervielen zij tot alle schandelijkheid des levens.

Dit kunnen wij ook zeer duidelijk bemerken aan de christenen in de Nederlanden, die, zolang zij onder kruis verkeerden, zeer vurig waren in de dienst van God, doch, toen zij in openbare gemeenten, waar geen vervolging wegens Gods Woord plaats had, woonden, werden zij, helaas, menigmaal flauwhartig, en hun oude vurigheid werd in goddeloze slaperigheid veranderd. En, terwijl zij aldus vrijheid genoten, en zich aan ledigheid en rust overgaven, kwam de satan, die nooit slaapt, en wekte de werkeloze harten op tot onderlinge twist, gekijf en scheuring, waardoor de toestand der kerk meer werd verwoest dan door uitwendige vervolging en kruis. Helaas, dit is maar al te waar bevonden in enige vrije gemeente van onze tijd, die om luttele redenen, waaraan voordeel noch zaligheid verbonden was, door onderlinge tweedracht der broeders, jammerlijk beroerd, gekweld, bedorven, verscheurd en verstrooid werden. En dit werkt van de satan, die altijd een vijand van God en van Diens kerk is, door enige zonderlinge, hardnekkige en moedwillige geesten, tot grote schade en verderf van de heilige waarheid. En, wat meer is, zulke woelige en kwaadwillige lieden zijn in de gemeenten van het kruis ook wel te vinden, die in de tijd des vredes, wanneer de Heere intussen zijn gemeente rust geeft, hun twistzieken aard betonen. Terwijl de tirannen een weinig rusten, zaaien deze oproerige geesten hun verderfelijk zaad, zoals ketterij, haat, nijd, achterklap, leugens, lasteringen, tweedracht en dergelijke, waardoor zij de vrome christenen zoeken te bezwaren, en de toestand der gemeente te verderven. Maar daarin openbaart zich des duivels list, die door zulke koristen en samenrotters de kerk van God dan het meest komt bezoeken, wanneer hij die door het uitwendige kruis niet bezoeken kan noch mag. Door zulke lieden, ofschoon zij christenen willen zijn, wordt de kerk van God meer schade en schande aangedaan, dan door de menigvuldige verdrukkingen in het leven. Zo verkeerd kunnen de mensen, ondankbaar als zij zijn, de goede vrede en de zegeningen des Heeren gebruiken. En, terwijl zij door de vijanden der waarheid niet vervolgd noch gekweld worden, kwellen zij elkaar tot ontstichting van velen. Hiervan is de vrede en voorspoed in het leven menigmaal de oorzaak, niet op zich zelf beschouwd, maar wegens de boosheid der mensen, die door de vrede, die overigens goed is, tot alle goddeloosheid worden gedreven, en daarom is de vrede dikwerf veel schadelijker dan openbare vervolging. Door het kruis groeit en bloeit de kerk van God, ja zegeviert heerlijk; maar door de vrede, die overigens een zegen van God is, lijdt zij dikwerf de nederlaag en verzwakt hoe langer zo meer. Evenals de dappere en grootmoedige soldaten, die in de strijd gewond zijn, door hun bloed te zien vloeien, te vuriger strijden, zo zien wij ook de ware christenen dan het vurigst, en worden dan gedwongen de trage handen en slappe knieën op te richten, wanneer zij van alle zijden worden aangevallen. En zo ging het, om tot ons verhaal terug te keren, in waarheid ook met deze gevangene. Want, hoe meer de vijanden van het geloof hem met honger en dorst, koude en naaktheid in het vlees kwelden, waardoor zij hoopten hem van het geloof afvallig te maken, hoe mannelijker hij volhardde in de waarheid. Gelijk het God behaagde Zijn dienaar met het kruis te beproeven, heeft het Hem ook behaagd door hem, die slechts een arm, ellendig, zwak en veracht mens was, al zijn vijanden te overwinnen. Want, al worden ook de godzaligen, volgens de leer van Panlus, verdrukt, zo worden zij toch niet benauwd; al worden zij ook twijfelmoedig, zo worden zij toch niet mismoedig; al worden zij vervolgd, zo worden zij niet verlaten; al worden zij neergeworpen, zo worden zij niet verdorven; want de Heere is hun tot hulp en tot een sterk schild, waarop zij hun hoop stellen en onbeweeglijk blijven als de berg Sion. Dat gevoelde deze gevangene in zijn nood, waarom hij te recht met Paulus uitriep: "Wie zal mij scheiden van de liefde Gods, die daar is in Christus Jezus, onze Heere."

Toen hij geruime tijd had gevangen gezeten, en standvastig volhardde in het geloof, kwam de genoemde Victor de Grave, de broeder van Jan, met zijns broeders kinderen tot hem in de gevangenis, en zei: och, lieve broeder, zie hier onze jonge kinderen. Ontferm u toch over hen, al moest gij dan ook een weinig tegen uw geweten spreken. Jan antwoordde: "Ga weg van mij, satan, want gij hindert mij. Is het niet genoeg, dat gij uzelf aan de duivel hebt onderworpen en Christus verloochent; wilt gij mij daartoe ook brengen? Ga weg van mij, want ik wil uw bozen raad niet volgen."

Behalve dit groot verdriet en de verzoeking van zijn broeder, weerstond hij nog vele en velerlei kwellingen van enige vijanden van het geloof en lasteraars van God, die hun best deden om de gevangene van het ware geloof te verleiden tot de leer van het pausdom. Onder anderen kwamen tot hem twee bijzonder valse leraars, genaamd de heer Marten Bartholomeusz en de heer Kornelis van Kealen, pastoors te Hulst, die hem wegens zijn geloof ondervroegen. Deze verleiders beijverden zich naar oude gewoonte, om met hun verderfelijke leer de goddelijke waarheid te wederleggen. Maar, aangezien hij een eenvoudig en ongeleerd man was, en geen gaven bezat om al hun ingewikkelde redenen te ontzenuwen, hield hij geen uitvoerige en scherpzinnige twistgesprekken met hen, maar antwoordde beknopt en gepast, dat hij niet anders wilde geloven dan wat in de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament vervat was. Zij spraken daarover en ondervroegen hem, en, zo goed hij kon, heeft hij dit in een brief aan de christelijke gemeente te Antwerpen geschreven, die wij hier laten volgen.

"Genade en vrede van God onze hemelse Vader, door onze Heere Jezus Christus, zij met u allen, lieve broeders in de Heere.

Lieve broeders in de Heere, hoe jammerlijk de vijanden van het geloof met mij handelen, hebt gij reeds gehoord, waarom het onnodig is daarover te schrijven. Maar door de genade des Heeren, door Wie ik alles kan verdragen, ben ik nog gebleven bij de waarheid, die ik geleerd heb van de dienaren Gods, en hoop, dat de Heere mij daarin versterken zal tot het einde mijns levens. Ik begeer dus anders niets, dan dat God, Mijn hoogste en opperste Vader, mij bekrachtigt, opdat ik mijn pelgrimstocht mag volbrengen tot Zijn heerlijkheid. Voorts bid ik, dat Hij mij, arm mens, aanneemt, aanziet en bijstaat tegen de grimmige satan, die mij zozeer benauwt en kwelt, als ik nooit zou kunnen beschrijven.

Weet ten andere, lieve broeders, dat de heer Kornelis en de heer Marten bij mij geweest zijn, om mij aangaande mijn geloof te ondervragen, aan wie ik dus antwoordde: aangezien gij naar mijn geloof vraagt, wil ik u dat, zoals Christus mij bevolen heeft, bloot leggen; want ik schaam mij Christus en zijn Woord niet, dat ik tot zaligheid ontvangen heb. Maar, aangezien ik een eenvoudig en ongeleerd man ben, en niet geoefend om de grond en de bedoeling van mijn hart, zoals ik wel willen zou, uit te spreken, wil ik u zonder lang omwegen belijden,waarop ik mijn geloof gebouwd heb.

• Vooreerst geloof ik met mijn gehele hart de tien geboden van God, waarin mij God Zijn volmaakte wil en alles, wat ik doen of laten moet, duidelijk leert. Hiernaar ben ik begonnen mijn leven in te richten, en begeer daarnaar al de dagen mijns levens te wandelen.

• Ten tweede geloof ik, zonder enige twijfel, aan de twaalf artikelen des christelijken geloofs, waarin vervat is alles wat nodig is ter zaligheid te geloven.

• Ten derde geloof ik het gehele Oude en Nieuwe Testament, dat door de heilige

Profeten en Apostelen geschreven en ons nagelaten is, om de wil van God en de weg der zaligheid te leren kennen. Dit alles dan en al wat hiermee overeenkomt, geloof ik uit de grond van mijn hart, en niets anders dan dat.

Doch uw menselijke en uitgedachte leringen, die gij ons, in strijd met de heilige Schrift, zoekt wijs te maken, neem ik niet aan, maar vervloek die met de heilige Paulus omdat gij ons die ook niet met het Woord van God kunt bevestigen."

Hierop zeiden de valse profeten: "Jan, gij moet geloven alles wat de heilige roomse kerk, die niet dwalen kan, leert en gebiedt."

"Ik geloof niets," antwoordde ik, "wat de mond des Heeren niet gesproken heeft. Want er staat geschreven, dat hij vervloekt is die tot de wet des Heeren iets toedoet of afdoet, zodat daaruit verstaan kan worden, dat Gods wet volmaakt is zonder uw menselijke leringen."

"Gij moet hoe langer hoe meer geloven," zeiden zij, en begonnen inwendig toornig te worden en zeiden: "Wat praat gij toch, gij onwetend en ongeleerd mens. Gij hebt geen verstand. Als gij niet gelooft, dat Christus met vlees en bloed in het sacrament is en in de mis, dan hebt gij een verkeerd en vals geloof."

"Och," zei ik, "dat geloof ik in het geheel niet, want de Schrift leert dit nergens."

"Gij moet het toch geloven," zeiden zij, "want de heilige moeder de kerk gelooft het, en de oude leraars leren het."

"Ik heb niet zulk een leer, die niet vervat is in de heilige Schrift, niets te maken, want Paulus leert het mij anders: "al kwam er," zegt deze, "een Engel uit de hemel, die een ander Evangelie verkondigde, dan ik u verkondigd heb, die zij vervloekt."

"Zij vroegen ook, of ik niet geloofde in een heilige kerk.

Ik antwoordde: "Ik geloof dat er een heilige kerk is.

Daarna vroeg de heer Keulen, of men ook de jonge kinderen mocht dopen.

Ik antwoordde toestemmend, want dat hun de doop zowel toekwam als de volwassenen."

"Waar is uw kind gedoopt?" vroeg hij.

"In de christelijke gemeente" zei ik. "Waar is die?" "Te Antwerpen."

Toen vroeg de heer Keulen andermaal, of ik niet geloven wilde, dat Christus met vlees en bloed in de mis was.

Ik zei: "Ik geloof, dat Christus, volgens de twaalf artikelen des geloofs, opgevaren is naar de hemel."

Hierop zei de heer Marten: "Gij boze ketter, staat er niet geschreven: dat is mijn lichaam?"

"Ja, maar er staat ook:" "Ik ben de wijnstok, de weg" en dergelijke; en daarom is Christus geen wijnstok en geen weg. Daarom moet men ook deze plaats; "dat is mijn lichaam," geestelijk verstaan, zoals Johannes in het zesde hoofdstuk duidelijk verklaart, als er staat: Het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en leven." Elders staat ook geschreven: Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt, en wordt ook door mensenhanden niet gediend."

De pastoor antwoordde: "Gij liegt, gij ketter, dit staat er niet geschreven; het ware beter, dat gij u met uw molen bemoeide, dan hierover te spreken."

Hierop zei ik: "Ik zal het u uit mijn Bijbel bewijzen; of laat er een halen, dan zult gij het alzo zien."

Hierop zei de genoemde Jan Boxtale tegen de pastoors in het Latijn: Laat een Bijbel halen;" wat men terstond deed. Toen Boxtale ernstig naar deze plaats zocht, vond hij die, zoals ik gezegd had. De priesters werden beschaamd en zeiden: " Het moet anders verstaan worden; gij hebt er geen verstand van." Zij begonnen te schelden en zeiden: Indien gij uw geloof niet wilt laten varen, zal het slecht met u aflopen."

Ik antwoordde: "Wanneer ik voor de waarheid moet lijden, zal mijn loon groot zijn bij de Heere."

"Zo," zeiden zij, "gij wilt dus uw geloof niet laten varen; men zal er u toe dwingen. Weet gij niet, dat de overheid macht heeft u te doden?"

"Zij heeft geen macht," zei ik, "dan van God; en, wanneer zij onrechtvaardig oordeelt, weet dan, dat zij door God zal geoordeeld worden."

Toen zwollen zij op van woede, dreigden mij met de dood, en lasterden de waarheid op gruwelijke wijze. Wij spraken nog over vele andere dingen, doch ik kan u alles niet schrijven. Eindelijk verklaarde ik hun, dat ik in mijn geloof wilde volharden, want dat zij mij geen beter konden aanwijzen. Aldus vertrokken zij. Ik wachtte hen echter spoedig terug, en weet niet, wat zij nog met mij zullen doen. Doch ten allen tijde zal ik op de Heere vertrouwen en Zijn naam belijden."

Nadat de geloofsrechter van Vlaanderen, Petrus Tielmanus genaamd, die steeds als een briesende leeuw rondliep, zoekende, wie hij zou mogen verslinden, de gevangenschap van Jan de Grave vernomen had, kwam hij te Hulst om de gevangene te ondervragen; doch zijn komst had plaats op uitnodiging, raad en verlangen van de priesters aldaar. Want, toen ieder klaagde over de onmenselijke wreedheid, die de gevangene werd aangedaan, ontboden de priesters, die vreesden, dat hun handelingen aan het licht zouden komen, hem, opdat hij de gevangene, die zij door hun wreedheid niet aan het wankelen konden krijgen, met het vuur zou overwinnen, en alzo een einde aan de zaak maken. Aldus werd de gevangene, op de 21e en 22e Januari van het genoemde jaar, bij de schout en zijn dienaren gebracht in de Zwaan, waar de burgemeester en beambten van Hulsterambacht met de tirannieke geloofsrechter vergaderd waren.

Daar werd hij voor een groot vuur geplaatst, waar hij overmatig zweette, en zeer flauw werd, en wel omdat hij uit een zeer onreine gevangenis, waar hij grote honger en koude geleden had, was gekomen. Toen nu de gevangene als een onschuldig lam onder deze goddelozen hoop, die tegen hem vergaderd was, geplaatst was, begon de geloofsrechter de ondervraging op de volgende wijze: "Jan, aangezien wij hier vergaderd zijn om te horen, wat gij gelooft, vraag ik u: hoe denkt gij over de roomse kerk en de leringen van de paus?

Waarop Jan antwoordde: "Mijn geloof heb ik bij herhaling beleden zonder enige geveinsdheid. Ik herhaal, dat ik mij alleen aan Gods Woord houd, en steun op de grond der Profeten en Apostelen en niet op enige menselijke leringen, die daarin niet vervat zijn of daartegen strijden. Derhalve, mijn heren, kunt gij uit het Woord des heren bewijzen, dat mijn geloof, hetwelk ik beleden heb, verkeerd of enigermate tegen de waarheid strijdt, dan wil ik het laten varen en een ander omhelzen; maar, kunt gij dat niet doen, waarom houdt gij mij dan gevangen en zoekt mij te doden?"

"Gelooft gij niet," vroeg de geloofsrechter, "dat God in vlees en bloed, zoals Hij van Maria geboren was, en zoals Hij gewandeld, gestaan en aan het kruis gehangen heeft, in de mis tegenwoordig is en bovenal als men de hostie opheft?"

"Och neen, in genen dele," zei Jan "want dat zou tegen Gods Woord zijn en tegen de waarheid der heilige Schrift; want er staat geschreven: "De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles, wat daarin is, deze, zijnde een Heere van de hemel en der aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt." En zoals God bij de Profeet zegt: "De hemel is Mijn troon, en de aarde is de voelbank Mijner voeten; waar zou dat huis zijn, dat gijlieden Mij zoudt bouwen? en waar is de plaats Mijner rust? Aangezien dan onze God, Die hemel en aarde niet omvangen kan, in geen tempelen, met banden gemaakt, besloten kan worden, en door mensenhanden niet gediend wordt, hoe kunt gij Hem dan in een stukje brood of in uw ciborie besluiten? Dat dit waar is, kunt gij zelf in mijn Testament, dat ik hier heb, zien," en hij gaf hem het Testament over.

Nu werd de geloofsrechter zo toornig, ontsteld en woedend, dat hij het Testament van Jan, dat nochtans met goedkeuring was gedrukt, in het vuur wierp. Het werd echter door een van de beambten uit het vuur gehaald.

Doch de geloofsrechter, hoe langer zo meer in woede jegens de gevangene ontstoken, begon als een bezetene en uitzinnige te razen, en riep: "O gij valse profeet, gij helse ketter, gij schelm, gij boef;" en gaf hem meer dergelijke schandelijke namen, als of dit bewijzen tegen hem waren, en zei: "Ik zou u in het aangezicht kunnen slaan;" en hief zijn vuist op, met de bedoeling de gevangene een slag te geven. Doch een van de beambten, die de grote woede van de geloofsrechter zag, verhinderde dat en zei tot hem: "Sla de man niet, men zal hem recht laten wedervaren."

Toen de storm een weinig bedaard was, zei de geloofsrechter: Hoe, gij boef, wilt gij niet geloven, dat de Heere uw God in het sacrament is? Hoort toch, wat deze ketter zegt! Welaan, gij snode ketter, gelooft gij niet aan de zeven sacramenten?"

"Ik geloof alleen," zei Jan, "in God, Die Mijn Schepper, Bestuurder en Onderhouder is. En aangaande de zeven sacramenten geloof ik, zoals de Schrift ons daarvan onderwijst."

"Gelooft gij niet, dat er een vagevuur is, waar de zielen gezuiverd moeten worden na de dood?"

"Ik zou dit graag geloven," zei Jan, ‘indien gij het mij bewijzen kon uit Gods Woord; anders geloof ik, dat het bloed van Christus ons reinigt van alle zonden."

Toen sprong de kettermeester van woede op en zei: " Wat zal ik van deze deugniet zeggen Daarna vroeg de geloofsrechter hem "Gelooft gij niet, dat de mens een vrije wil heeft? Dat de mens door goede werken de hemel kan verdienen? Dat de heiligen voor ons bidden? Dat naar de bedevaart gaan goed is, en dergelijke zaken meer?"

Jan antwoordde hierop: "Ik geloof alleen aan Gods Woord en aan geen menselijke leringen."

"Betreft het dan Gods Woord niet, wat ik vraag? hernam de geloofsrechter. "Betuig het met de heilige Schrift, en ik zal het geloven."

Hier begon de geloofsrechter enige vergiftige woorden aan te halen uit de valse boeken van de paus en andere schrijvers, teneinde zijn vragen te staven, die echter zo kinderachtig, walgelijk en lomp waren, dat Jan het beneden zich achtte iets daartegen in, te brengen, daarop niet wilde antwoorden, stil zweeg, en hem alleen liet praten, zoveel hij wilde. De geloofsrechter zwol van woede op, knarste op de tanden en zei: O, gij boze Calvinist, gij duivelse ketter, gij boef, gij hebt een zwijgende duivel in u. Ja, ja, ik zal hem wel verbannen."

Daar het zeer koud was, had men in de kamer, waar men vergaderd was, een groot vuur aangelegd, en nu dreigde de geloofsrechter Jan daarin te werpen, en zei: "Wordt gij niet bevreesd? Men zal u in dit vuur werpen en u laten verbranden, als gij uw geloof niet laat varen."

Jan antwoordde zeer zachtmoedig: "Voor dit vuur ben ik zo bang niet, maar ik vrees veel meer het eeuwige vuur, dat nimmermeer kan worden uitgeblust, en welks rook opgaat van eeuwigheid tot eeuwigheid."

Toen de geloofsrechter de onoverwinnelijke standvastigheid van de gevangene zag, sprak hij over hem, in tegenwoordigheid van de beambten en allen, die daar tegenwoordig waren, het eeuwige doodsvonnis uit, en gaf hem, die uit de schoot der roomse kerk gevallen was, met lichaam en ziel aan de duivel over." "Dat oordeel," zei

Jan, "komt alleen God toe, en daarom bekommer ik mij om uw oordeel niet."

Toen nu de burgemeester zag, dat de geloofsrechter met al zijn bedreigingen en bittere woorden de gevangene eer verbitteren dan bekeren zou, viel hij op een andere manier, namelijk met vleiende woorden, de gevangene aan, en zei: "Ik bid u, Jan, laat u toch bewegen."

Jan zei: Mijnheer de burgemeester, bid niet tot mij, maar bid God, dat Hij u verlichte in het ware geloof, opdat gij u niet stoot aan de hoeksteen, welke Christus is, en uw handen niet bevlekt aan de leden van Christus."

Hierop zei de geloofsrechter: "Gij verduivelde ketter, uw woorden zijn niets dan valse gevoelens en enkel verharding."

Jan antwoordde zachtmoedig: "God weet het, of ik niet verlang te leven volgens de zuivere waarheid van het Evangelie."

Toen nu deze vrome getuige van Christus de waarheid aldus standvastig beleed en voorstond, en de beambten zagen, dat hij noch door schone woorden, noch door bedreigingen des doods van zijn geloof was af te brengen, gaven zij hem aan de dienaren over. Deze bonden en boeiden hem zo wreed, dat hij, door pijn gedrongen, uitriep: "O, lieve mannen, boeit mij zo stevig niet, want al mijn leden zijn zo jammerlijk bevroren, dat ik u zal moeten vast houden als ik met u zal willen gaan; weest daarom niet bevreesd, dat ik u zal ontlopen."

Als hij nu aldus, tussen de dienaren gebonden, geleid werd naar de gevangenis, stond de schout in de gang van het huis, die weende en zei: "Och lieve Jan, ik bid u, laat toch uw geloof varen en men zal u loslaten." Het was zeer te vermoeden, dat de schout tegen zijn geweten zondigde, zoals men er velen vindt, die, helaas! veel liever vrienden van de koning zijn, dan naar de waarheid horen en die aannemen. Maar deze veinzerij, al wordt de mens daardoor verblind, zij kan toch de ogen van God niet bedriegen; maar God zal eenmaal het bloed van Jan de Grave van zijn handen eisen, wat hem duur zal te staan komen.

Toen Jan zag, dat de schout weende, zei hij vriendelijk tot hem: "Schout, ween niet om mij, maar schrei en bid tot de Heere, dat Hij u uw misdaad vergeve."

Daarna werd Jan weer naar de gevangenis gebracht, waar zijn dagelijkse portie bestond uit twee dunne stukken roggebrood met een weinig stinkende boter, en water tot zijn drank, wat voor het grootste gedeelte vuil water was. Toen Jan weer in de gevangenis zat, riep hij de naam des Heeren aldus aan:

"O, mijn Heere, mijn god, ik dank U, dat Gij mij, arm mens, versterkt en mij mond en tong voor mijn vijanden gegeven hebt, en bid U mij tot het einde toe te bekrachtigen tot Uw eer. Amen."

Wie zou zich niet terecht verwonderen over de grote volharding van deze man, in wie de Heere, hoewel hij een arm, zwak vat scheen, zulk een overvloedige kracht van lijdzaamheid en wijsheid gegeven had, die niemand kon overwinnen. Hij toch was een ongeleerd, eenvoudig en veracht mens, en sprak niet zeer vlug, zodat niemand, naar mensenoordeel, zodanige moed van hem zou hebben verwacht. Doch de Heere zijn God, op Wie hij vertrouwde, gaf zijn dienaar kracht en wijsheid, ver verheven boven vleselijke wijsheid en kracht, waardoor hij de vreselijke monsters en reuzen der pauselijke synagoge beschaamde, versloeg en overwon. Waarlijk, de Heere, Die getrouw is in Zijn beloften, heeft dat gewerkt, en het is wonderbaar in onze ogen. Christus zegt daarvan: "Ik dank U, Vader! Heere van de hemel en der aarde! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve de kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U."

Aldus spreekt de Heere ook door de profeet "De wijsheid zijner wijzen zal vergaan, en het verstand zijner verstandigen zal teniet gedaan worden. Waar is de wijze? waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker dezer eeuw? Heeft God de wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt?" Daarom zeg ik met Paulus: "Want het dwaze Gods is wijzer dan de mensen; en het zwakke Gods is sterker dan de mensen. Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen; en het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen [iets] is teniet zou maken, opdat geen vlees zou roemen voor Hem. Opdat [het zij], gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in de Heere."

Daarom laat de Heere dikwerf de vrome en moedige, die als een pilaar in de waarheid schijnt gegrond te zijn, schandelijk vallen; en die naar de mens gesproken, zwakke en ellendige mensen schijnen, richt Hij door Zijn arm op, opdat zij zien zouden, dat al onze vroomheid niet bestaat naar onze wil en uit kracht der mensen, maar alleen uit God.

Daarom, lieve broeders, laat ons vrijmoedig in de waarheid blijven, en ons verzekerd houden, dat God ons, wanneer wij om Zijn naam moeten lijden, zal versterken, besturen en alles over ons beschikken naar Zijn welbehagen. Hoe eenvoudig, ongeleerd en veracht wij ook zijn, willen wij nochtans geloven, dat God ons, naar Zijn belofte mond en wijsheid geven zal, die niemand zal kunnen tegenstaan. Hij zal, zoals de Profeet zegt, de vermoeiden kracht geven en overvloedige sterkte de zwakken. En wederom: die op de Heere wachten zullen lopen en niet moe worden; zij zullen wandelen en niet mat worden. Daarom zegt de Heere: Gij Israël, Mijn knecht Jakob, die Ik verkoren heb; gij zaad Abrahams, dat Ik vergaderd heb van het uiterste der aarde, vreest niet, want Ik ben met u. Wijkt niet van Mij, want Ik heb u versterkt en geholpen en omvangen door de rechterhand van mijn gerechtigheid. Ziet, zij zullen beschaamd worden, die tegen u strijden. Zij zullen zijn, als die niet zijn, en de mannen, die tegen u strijden, zullen vergaan. Want rik ben de Heere Uw God, Die u bij de hand vat, zeggende: "Vreest niet, want Ik ben Uw helper. Wil niet vrezen, gij wormpje van Jakob, gij die in Israël gedood werd; want Ik heb u geholpen, en Ik ben Uw Verlosser, de Heilige Israëls." Laat ons dan, die de Heere kennen, klimmen op de hogen berg, en in Sion de wet des Heeren verkondigen. Laat ons onze stemmen met kracht verheffen en aan Jeruzalem prediken; en laat ons niet vrezen, ziet, de Heere Uw God zal in kracht komen, en Zijn arm zal de overhand nemen; ziet, Zijn loon s met Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht."

Toen nu deze vrome getuige der waarheid drieëntwintig weken gevangen gezeten, en zijn geloof voor de priesters, de kettermeester en de overheid beleden had, brachten de beambten van Hulsterambacht de belijdenis en de ondervraging van zijn geloof naar Gent over, om volgens het gevoelen en de raad van geleerden, zoals men de heren van het gerecht noemde, zogenaamd de rechtszaak in behandeling te geven. Maar, hoe dit is toegegaan laat ik ieder raden, en het einde zal het openbaren; want deze lieden zijn voor het merendeel zo behept met gierigheid en eerzucht, dat de blinden beter de kleuren dan zij de waarheid kunnen beoordelen. En, ofschoon er enige onder schuilen, die niet ontbloot zijn van kennis der waarheid, ja, zelfs niet van grote wetenschap van Gods Woord, zo is nochtans van zulke lieden, die zo diep in vleselijke wellusten en hovaardij des levens zijn verzonken geen bevordering noch bescherming van de waarheid te wachten; nog daargelaten hun te grote vrees, geveinsdheid en onverzadelijke begeerte naar hoge en voordelige ambten, waarom zij menigmaal, teneinde het hof te behagen, de waarheid voor een stuk brood veil hebben, en zich schuldig maken aan het vergieten van het bloed der onschuldige christenen. In deze gerichtshandel bewezen deze heren maar al te zeer hun oude aard; want, helaas, ook zij spraken het doodsvonnis over de gevangene uit, volgens het bevel van zijn koninklijke majesteit, en bekommerden er zich niet om, hoe zwaar zij tegen de geboden Gods zondigden, wat zij eenmaal moeten verantwoorden. Toen nu de beambten, met de priesters, monniken, de kettermeester en de rechtsgeleerden het over het bloedvergieten van de gevangene eens waren, bekrachtigden zij het doodsvonnis, en bepaalde zekere dag voor de uitvoering van het vonnis.

Toen de zaak zover gebracht was, sprak ook de schout, als naar gewoonte, zijn eis jegens de gevangene uit. De redenen waarom hij de eis deed, waren deze:
Dat Jan beledenhad, dat Christus niet was met vlees en bloed in de mis; dat het verkeerd was de heiligen te vereren en hun beelden in de kerk te plaatsen; dat ter bedevaart gaan afgoderij was, en derdelijke meer.

Op grond daarvan besloot ook hij, dat de gevangene moest worden verbrand. Daarna beval hij, in overleg met de beambten, dat de gevangene een advocaat zou nemen, die zijn verdediging en verantwoording op zich zou nemen. De gevangene deed naar het bevel van de beambten, liet zijn antwoorden door een advocaat opstellen, waarin de genoemde artikelen, die de schout als ketterij veroordeeld had, werden bewezen goed en katholiek te zijn, met vele en onderscheidene getuigenissen der heilige Schrift.

Doch verneemt nu welke beloning de goede advocaat voor zijn werk ontving.

Nadat de beambten deze verdediging hadden ingezien, ontboden zij de advocaat, vielen hem op harde wijze aan, en vroegen hem, waarom hij deze verdediging gesteld en geschreven had. De advocaat antwoordde: "Mijn heren, de gevangene heeft mij dit bevolen, en daar ik uw bevel gevolgd heb, om namelijk de gevangene ten dienste te staan, heb ik deze verdediging opgesteld." De burgemeester met zijn beambten waren zeer vertoornd, en zeiden tot hem: "Hoe komt gij zo vermetel?" En na veel woordenwisseling bevalen zij de advocaat aan de rechtbank vergiffenis te vragen. De advocaat antwoordde als boven: "Op uw bevel heb ik de gevangene bijgestaan; en ook alles, wat er door mij is gezegd zijn openbare en duidelijke getuigenissen der heilige Schrift, zoals men in de Bijbel zien kan. Waarom zou ik dan vergiffenis vragen? De burgemeester bedreigde hem zeer, en zei, dat hij er wel verder van horen zou; wat ook gebleken is. Want terstond diende de burgemeester met de priesters en de kettermeester zijn aanklacht in bij de raad van Vlaanderen, waarbij hij de advocaat zwaar beschuldigde, zodat hij werd ingedaagd, om, op verbeurte van leven en bezittingen, te verschijnen en zijn verdediging in persoon de raad voor te dragen. In één woord, de zaak kwam zover, dat de advocaat, niettegenstaande zijn goede verdediging en tussenkomst van invloedrijke vrienden, door de heren van het hof werd veroordeeld, om in de openbare vierschaar te Hulst een onterende schuldbelijdenis af te leggen en de rechters op de knieën om vergiffenis te vragen, en bovendien te betalen de som van vierentwintig Karolusguldens ten behoeve van de verbrande kerk te Hulst.

Ziet nu eens, geliefde lezers, welke verblinde en onverstandige lieden onze raadsheren zijn, die hen, welke de onschuldige beschermen, met zware geldboeten straffen; doch God, Die een Rechter is, zal de goede advocaat een beter loon geven.

Niet lang hierna, op Zaterdag namelijk, de 24ste Februari, kwam, op bevel van burgemeester en beambten van Hulster-ambacht: de beul van Antwerpen, Couzijnken genaamd, te Hulst, om het vonnis op de genoemde dag aan de gevangene te voltrekken. Maar, aangezien de burgemeester des Zondags een grote maaltijd wenste te houden, zo had dit ‘s zaterdags, wegens de toebereidselen van de maaltijd, niet plaats, en werd de zaak tot Dinsdag uitgesteld. Toen nu het feest van Hubrecht Dulle, dat hij met de beambten en anderen twee dagen achtereen in alle dronkenschap en liederlijke overdaad hield, voorbij was, kwam des Dinsdags morgens de schout met zijn dienaren in de gevangenis, om de martelaar naar het rechthuis te brengen. Toen Jan zag, dat het uur van scheiden daar was, kuste hij zijn medegevangene, nam vriendelijk afscheid van hem, en zei: "Vaarwel mijn broeder, vaarwel; de tijd van mijn opoffering is nabij."

Zodra de dienaren binnen kwamen, bonden zij hem, en leiden hem als een geduldig lam naar het stadhuis, in gezelschap van twee grauwe monniken, die hem terstond aanvielen en vroegen, hoe het hem ging. Jan zei: "De Heere hebbe dank; Hij maakt het goed met mij."

"Maar gelooft gij niet," zeiden zij, "aan de heiligen?"

"Neen," zei Jan, maar ik geloof in de enige, almachtige en eeuwige God, Die hemel en aarde geschapen heeft."

Andermaal vroegen zij: "Gelooft gij niet, dat Christus met vlees en bloed in de mis is?"

"Christus," zei Jan, "is in de hemel, vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden."

"Och, arm mens," zeiden zij, "dat gij niet geloven wilt, dat God almachtig is." Zij vroegen en prevelden nog veel meer, niet zonder woede in hun gelaat. Doch Jan zweeg stil, en hief zijn hart en ogen naar de hemel.

Toen nu de pausgezinde Farizeeën en de schriftgeleerden met de schout en beambtenwaren vergaderd, beraadslaagden zij op listige wijze, en geboden de dienaren zich daarnaar stipt te gedragen. Zij bepaalde namelijk, dat zij scherp zouden toeluisteren, en zo er iemand was, die iets ten goede van deze gevangene of uit de Schrift spreken zou, dat zij die, wie hij ook ware, terstond in de gevangenis zouden werpen.

Intussen zocht de schout met zijn dienaren zeer ijverig hout en stro, waarmee de martelaar zou worden verbrand, wat zij nauwelijks vinden konden, daar niemand hun tot dit doel hout of stro wilde verkopen. Eindelijk verscheen er een boer met een vracht hout, die de schout dwong zijn hout op de markt te lossen. Er was echter nog een zwarigheid, want de schout kon niemand krijgen, die een gat in de paal wilde boren, waaraan de lijder zou worden geworgd. Om het vonnis te kunnen uitvoeren, was de burgemeester verplicht de paal naar een wagenmaker te laten brengen, die verzocht werd er terstond een gat in te boren, omdat, zoals hij zei, het dienen moest om een leuning in een paardenstal te maken.

Terwijl zij bezig waren om toebereidselen te maken, kwam er een zekere Jan Willaerts, brouwer, die aan Jan de Poorter, die ook beambte was, vroeg: "Wat moet hier worden verricht? Moet deze Jan de Grave sterven? Gedurende mijn gehele leven heb ik nooit iets kwaads van hem gehoord of gezien; bovendien spreekt hij niet dan over God."

Daarop antwoordde Antonis Geerlof, die daar tegenwoordig was: "Dat is waar; hij is een onschuldig lam, maar volgens het bevel moet hij sterven."

Jan Willaerts hernam: "Maar zullen de beambten hun vonnis met dit bevel kunnen goed maken?

Jan de Poorter hield zich stil, ging terstond naar de beambten van Hulsterambacht, en deelde alles mee, wat de brouwer gezegd had. Terstond werd deze man, op bevel van de beambten, gehaald, en in de gevangenis, die Jan de Grave verlaten had, gezet, waar hij geruime tijd, op zijn eigen kosten en tot zijn verdriet, geduld moest oefenen.

Ziet, aldus werden allen, die de waarheid en de goede gunstig waren, door de wereld beloond. Ofschoon er geen vrees bestond, verzamelden toch de priesters met de beambten zich in de kerk want de bozen vrezen altijd wegens hun kwaad geweten.

Na geruime tijd, omstreeks twaalf uur des voormiddags, toen de burgemeester en de beambten van Hulsterambacht in de vierschaar zaten, werd de lijder voor hen gebracht, om zijn doodsvonnis te horen. Toen de gevangene daar stond, opende hij vrijmoedig, als door de Heilige Geest versterkt, zijn mond, en vermaande, in het bijzijn van al het volk, dat daar samengekomen was, de heren zeer ernstig, dat zij de zaak goed moesten onderzoeken en een rechtvaardig oordeel vellen zouden, en zei plechtig: "Mijn heren, gij allen moet eens voor de Rechterstoel van Jezus Christus verschijnen, zoals ik heden voor u sta, waar ieder rekenschap zal moeten geven van zijn daden; weest dus voorzichtig in hetgeen gij doet."

De burgemeester viel hem in de rede, en zei spijtig tot hem: "Weet gij anders niets te zeggen? Wij hebben met wijzere mensen gesproken dan gij bent."

De gevangene hernam: "Ziet wel toe, wie gij veroordeelt, en wat gij doet; want ik verklaar u, dat mijn geloof rust op de grond der profeten en apostelen, en ik begeer daarin te leven en te sterven."

"Dit zoekt gij nu," hernam de schout, "het arme volk wijs te maken."

"Welaan dan", zei de gevangene, "ik heb geen ander geloof; doet naar uw welgevallen."

Naar ouder gewoonte, vermaande de schout de beambten, om het vonnis te vellen en uit te spreken. De burgemeester verklaarde, dat het goed zou zijn over hem en zijn metgezellen uit te spreken, wat de schrijver zou voorlezen. Aldus werd het vonnis op de volgende wijze gelezen:

"Beambten ontvangen hebbende de raad van geleerden, alsook de vele inlichtingen van onze geestelijken, en bovenal van de geloofsrechter van deze streek, hebben bevonden, dat deze Jan de Grave, molenaar, geboren te Eckergem, of hoe hij anders heten mag, een voorstander is van het valse geloof, en zich verklaart tegen ons christelijk geloof, vooral waar deze Jan zegt, dat God niet waarlijk is in de mis in vlees en bloed, dat heiligen in de kerk te plaatsen, ter bedevaart te gaan, afgoderij is, en meer andere verfoeilijke gevoelens tegen ons geloof; zo veroordelen wij hem om te worden verworgd en zijn lichaam verbrand, en daarna aan de paal te worden gesteld op het galgenveld van deze stad; voorts zijn goederen, meubelen, enz, waar die ook gevonden worden, verbeurd te verklaren, ten bate des konings."

Nadat dit vonnis gelezen was, zei de veroordeelde lijder met een verheugd gelaat: "Ik dank U, o Heere, mijn God, dat Gij mij waardig hebt geacht voor Uw naam te lijden."

Daarna werd de gevangene naar de beul geleid, die tot hem zei: "Als gij veel wilt praten, dan zal ik u met deze bal de mond stoppen."

De gevangene antwoordde: "Ik zal liever zwijgen."

Maar, beminde lezer, wij moeten hierbij ook niet vergeten de schandelijke daden en handelingen van de pausgezinden, waarbij men hun goddelozen en bloeddorstige aard zeer duidelijk kan zien. Daar de gevangene zich bijzonder met de lezing van het Nieuwe Testament had bezig gehouden, daarin zeer was geoefend, en aan hetzelve zijn twistgesprekken met en tot beschaming van de priesters en de geloofsrechter veel ontleend had, hing de beul, op bevel van de beambten en het inblazen der priesters, de gevangene zijn Testament om de hals, om met hem te worden verbrand. Hieruit ziet men duidelijk, dat de pausgezinden niet alleen de christenen, maar ook Gods Woord zoeken uit te roeien; doch dit zal hun geen van beide gelukken.

Eindelijk werd de lijder, als een onschuldig lam, zeer haastig naar de brandstapel gebracht, die op de markt door de beul gereedgemaakt was. Wie kon zonder tranen aanzien, hoe jammerlijk de gevangene al hinkende naar de brandstapel liep! Hij was toch, zoals wij boven hebben verhaald, zo naar het lichaam verzwakt, wegens de onlijdelijke koude, die hij in de gevangenis verduurd had, dat hij niet lopen kon; en vooral wegens het afvriezen van de tenen zijner voeten. Toen hij, zo spoedig hij dit hinkende doen kon, naar de strafplaats ging, vermaande bij het volk tot de waarheid, en bad ieder, die door dit licht werd beschenen, in de waarheid te volharden. Hij bad ook voor zijn vijanden, aldus:

"O lieve barmhartige en hemelse Vader, vergeef het toch mijn vervolgers, wat zij mij aandoen voor uw goddelijke Naam! O God, verlciht hen met de ware kennis van Uw Woord!"

De schout reed te paard als een briesende leeuw, opdat hij zijn woede te beter zou tonen, en riep op bittere wijze tot de lijder: "Men heeft het u dikwerf genoeg gezegd."

De martelaar zei: "O mensen, dit geschiedt voor de waarheid. Ik bid u, blijft toch in de waarheid!"

De schout kon de grote vrijmoedigheid van de lijder niet verdragen, en schreeuwde tot de beul: "Haast u, haast u, doe uw dingen."

De gevangene ging zelf in de hut, plaatste zich vrijwillig aan de paal, en vroeg bovendien of hij goed stond.

"Ja Jan," zei de beul, "gij staat goed," en deed hem een strop om de hals. Toen de gevangene aan de paal stond, riep hij niet luide stem

"O Heere God, o hemelse vader, ontferm u over mij! O barmhartige Vader, ontvang mijn geest!"

Aldus ontsliep deze vrome getuige van Christus, terwijl bij de naam des Heeren aanriep, in de Heere, en bezegelde met zijn bloed de belijdenis zijns geloofs, op de 27e Februari 1565.

Nadat deze godzalige martelaar zich had opgeofferd, gingen de beambten, met enige pausgezinden, zich verlustigen ten huize van Hubrecht Dolle, hun burgemeester, waar zij zich als dieren aan het overmatig gebruik van spijs en drank overgaven. De burgemeester was met het bloed van deze martelaar nog niet verzadigd, maar braakte onder deze goddeloze hoop vele hoogmoedige woorden tegen God en Zijn Woord uit, en blaasde dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren.

Maar de Heere, die het bloed van zijn heiligen kan wreken, liet de dood van zijn dienaar niet lang ongewroken aan de bloeddorstige burgemeester. Op zekere tijd namelijk, en wel op de 7e Augustus, toen de genoemde burgemeester fris en gezond van Antwerpen, waar hij een zilveren schaal met drinken gewonnen had, te paard naar huis keerde, werd hij onderweg van de spraak beroofd, en stierf op de 10e van genoemde maand, op St. Laurensdag. Aldus eindigde deze bloeddorstige tiran zijn leven, niet zonder opmerkelijke bestraffing des Heeren.

Men zei, dat hij zulk een verklaard vijand van het Evangelie was, dat hij daarvan geen woord horen of verdragen kon. Ja, hij zei dat het zonde was tegen zulke christenen een woord te spreken. In één woord, op de dag voor hij sprakeloos was, sprak hij vreselijke bedreigingen jegens enige vervolgde christenen uit, en zei, dat hij hen doden zou. Doch de Heere verhinderde zijn goddeloos voornemen. Hem zij lof tot in de eeuwigheid!

Geheime vergaderingen en kruisgemeenten in de Zuidelijke Nederlanden

Daarnaast circuleerden er nog meer druksels. Zo is er in Axel sprake van het bezit van 'bibels, testamenten ende andere boucken', of 'Duutsche bibels, id est Vlaemsche bibels'. Hier moet wel gedacht worden aan De Bibel in duyts, beter bekend als de Liesveldtbijbel, of de zogenaamde Deux-aes-bijbel in de bewerking van Godfried van Winghen, allebei gedrukt in Emden. Nog uit Emden kwamen exemplaren van de Catechismus van de reeds herhaaldelijk genoemde Gentenaar Maarten de Cleyne (Mi-cron) en van het "Martelarenboek van Adriaan van Haemstede."

In Axel, Eeklo en Hulst werden de protestantse boeken voornamelijk aangevoerd via Antwerpen, onder meer door de visverkoper Gelein Brant van (het nu verdronken) Casuweele in het Land van Saeftinghe en door de koopman Michiel de Clerck van Kaprijke. Nadat die laatste zich metterwoon in Eeklo had gevestigd, organiseerde hij in zijn huis en op de Westmolen conventikels, geheime bijeenkomsten waar werd voorgelezen uit die geschriften. Door zijn arrestatie en zijn bestraffing in 1557 kwam daar een einde aan.

-------------------

Herstelde Hervormde Gemeene Ouddorp: De Kerkbode, jg. 29, 2008; nr. 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21-22, 24; jg. 30, 2009, nr. 2-3 nr. 6, 8, 9, 10, 14.

De molenaar van Heinsdijk

Een verhaal uit de tijd van de hervorming

Hoofdstuk I – De vluchteling

’t Was de zestiende november van het jaar 1564. De avond was gekomen en de ondergaande zon verlichtte nog slechts even de toppen van de bomen, die een kleine woning omgaven, welke in de nabijheid stond van een molen, die de abt van Baudeloo toebehoorde.

Een koele wind blies door de takken, die zich onder zacht gefluister tezamen bogen, als wilden zij het geluid van naderende voetstappen overstemmen. Na enkele ogenblikken trad een man van middelbare leeftijd uit de struiken te voorschijn, die bijna zonder gedruis voortschreed.

Nu en dan stond hij stil en zag behoedzaam rond, als vreesde hij, dat iemand hem hier bespeurde. Alles was evenwel rustig en geen enkel verdacht geluid liet zich horen. Voorzichtig ging de man thans voorwaarts en op de deur toetredende, stak hij de sleutel in het slot, draaide het om en trad vervolgens naar binnen, waarna hij de deur weer zorgvuldig sloot.

Een zucht van verlichting ontsnapte nu aan zijn borst.

‘Ik moet zorgen, dat ik licht krijg’, fluisterde hij. ‘Indien alles nog in de toestand is, waarin ik het huis heb verlaten, moet er aan de linkerwand een lamp hangen’.

Al zoekende ging hij de muur langs en toen hij het gewenste voorwerp gevonden had, nam hij de lamp van de spijker af en zette ze op de tafel. Hij wilde juist de lamp aansteken, toen hem eensklaps iets scheen in te vallen.

Snel liep hij naar het venster en deed er een luik voor, waardoor het de voorbijgangers onmogelijk werd te zien, wat er van binnen voorviel. Toen hij hiermee gereed was, ontstak hij het licht en weldra wierp de lamp haar flikkerend schijnsel door het vertrek.

‘Ik kan niet te voorzichtig zijn’, zei hij zachtjes, terwijl hij zich op een stoel neerzette. ‘De schout van Hulster-Ambacht, Heer Gijselbracht Rabat, is een gezworen vijand van de ware religie en zou graag allen op de brandstapel brengen, die ook maar enigszins van de leer der ‘alleenzaligmakende’ kerk afwijken. Zodra één van zijn handlangers of van Titelman, de beruchte kettermeester van Vlaanderen, die met woede de discipelen des Heeren vervolgt, komt te weten, dat ik het gewaagd heb om weer in Heinsdijk terug te keren, ben ik gewis niet langer mijn leven zeker. Men zal mij voor het gerecht slepen en mij de vreselijkste martelingen doen lijden, om mij tot verloochening van de naam mijns Gods te brengen’.

Deze gedachte stemde hem weemoedig en hij liet het hoofd enige tijd peinzend op de borst zinken; maar spoedig verhief hij het weer en zijn oog straalde van inwendige vrede.

‘Het rijk Gods’, zei hij, ‘is niet van deze wereld en de weg van de christen gaat door lijden tot heerlijkheid. Christus heeft het ons zelf voorzegd, dat allen, die godzalig willen leven, vervolgd zullen worden’.

‘Wanneer de leer van vrije genade de mensen wordt verkondigd en de Heere zielen redt van het eeuwige verderf, dan staat satan op en grijpt naar de wapenen om zo mogelijk het werk Gods te vernietigen. Maar toch – deze droevige dagen hebben ook hun lichtzijde. Nimmer bestond er zulk een dorst naar het water des levens, vele bekommerden vragen met belangstelling naar de weg des behouds en worden overtuigd van hun hopeloze toestand, die noch door sacramenten, noch door goede werken kan veranderd worden, omdat het bloed van Jezus Christus alleen reinigt van alle zonde’.

De man zweeg enige ogenblikken. Toen wandelde hij peinzend het vertrek op en neer en bleef eindelijk dicht bij de haard staan. Vervolgens drukte hij op een veer en opende een kastje, waaruit hij enige opgerolde papieren te voorschijn haalde.

Aandachtig beschouwde hij deze bladen en las toen op zachte toon deze woorden:

‘Ende Ick segge u, mijne vrienden: En vreest u niet voor degene, die het lichaam dooden, ende daerna niet meer en konnen doen.
Maar ick sal u toonen, wien gij vreezen sult: vreest dien, die, nadat Hij gedoot heeft, (oock) macht heeft in de helle te werpen; ja, ick segge u, vreest dien.
En worden niet vijf muschkens verkocht om twee penningskens? en niet een van die is voor God vergeten.
Ja oock de hairen uwes hoofds zijn allen getelt. En vreest dan niet: gij gaat vele muschkens te boven.
Ende ick segge u: Een iegelyck, die Mij belijden sal voor de menschen, die zal oock de Sone des menschen belijden voor de Engelen Godts.
Maar wie Mij verloochenen sal voor de menschen, die zal verloochent worden voor de Engelen Godts’.

‘Dat zijn heerlijke woorden’, sprak hij, ‘die wel in staat zijn ons in deze troebele tijden te troosten. Niets op aarde is te vergelijken met dat kostelijk woord des Heeren, dat in deze dagen van druk en benauwdheid, onze sidderende harten kan opbeuren en verkwikken.

Hoe ernstig en krachtig klinkt die vermaning om niet te vrezen voor de mensen, ook in deze tijd, waarin de priesters, wier lippen en handen zegenen moesten, in plaats van te vloeken, allen vervolgen, die vrijheid van geweten verlangen om hunnen God te dienen overeenkomstig de leer en roeping des Evangelies.

De Heere weet, hoe licht geneigd wij zijn, uit vrees voor het lijden, dat alle getrouwe belijders wacht, het aardse leven kostelijker te achten dan de ziel, waarom Hij ons toeroept Hem te vrezen, Die macht heeft in de hel te werpen.

Zonder Zijnen wil zal er geen haar van ons hoofd vallen, want de Heere is met ons al de dagen, tot de voleinding der wereld. Hij zal over ons beschikken, wat nodig en goed voor ons is, en met de beproeving tevens de uitkomst schenken.

Al beproeft de koning met schendige hand het licht des Evangelies te blussen, de Almachtige, door Wiens genade de zon des heils ook over deze gewesten haar stralen werpt, zal hem beteugelen en eens doen ondervinden, dat hij machteloos is, als God werkt.

Dat wij Hem dan belijden, getrouw en onbezweken tot het einde toe, zo zullen wij ondervinden, dat Hij niet beschaamd laat uitkomen allen, die op Hem vertrouwen’.

De man vouwde thans eerbiedig de handen en wentelde in een hartelijk gebed zijn weg op Hem, Die alleen machtig is te beschermen en te bewaren voor alle kwaad.

‘Heere’, bad hij, ‘Gij zijt het, Die steeds het geroep van Uw kinderen hebt gehoord. En nog zijt Gij Dezelfde, bij Wie verlossing is voor al het volk, dat op Uw naam vertrouwt. Gij zijt de God, Die helpen kunt, want dat hebt Gij betoond,

Die helpen wilt en zult, want daarvoor zijn Uw beloften ons ten onderpand.

Gij zijt het, Die mij steeds hebt geleid, Die mijn gids waart op zo menig bedrieglijk pad. Door niets, Heere, kon mijn ziel bevredigd worden dan alleen door U en Uw gerechtigheid.

Duizendmaal heb ik door ontrouw Uw genade verbeurd en verzondigd, maar Gij zijt immer de Getrouwe. O, schenk mij de vergeving van al mijn zonden.

Vernieuw en regeer mij door Uw Geest en Uw Woord, opdat ik steeds moge wandelen op de paden der gerechtigheid.

Wees niet doof voor de stem mijner smeking, maar neen, dat zijt Gij niet, want al gaat mijn weg ook door de wateren der beproeving, Gij zijt toch met mij. O, Heere! Gij zijt het, Die onze lotgevallen bestuurt en die alles in Uw macht hebt. Ontsluit ook de harten mijner vijanden voor Uw machtig en heilig Woord, maak hen ontvankelijk voor het werk des Heiligen Geestes, want niet ik, maar Gij alleen zijt machtig, ook die harten te verbreken. Verwek meer en meer mannen, die ons de zuivere leer van Gods Woord verklaren, opdat de mensen met de Heiland bekend worden en leren, dat niemand door eigen verdienste of deugden zalig wordt, maar dat de weg hemelwaarts alleen door een oprecht geloof in de Zoon van God kan betreden worden.

Wees mij ten goede nabij en ook mijn dierbaren, die ik heb moeten achterlaten.

Wie weet, welke gevaren hen dreigen. Indien het Uw wil is, voer mij dan weer behouden terug. O Heere, verhoor de bede van Uw knecht en doe met mij naar Uw welbehagen, Amen.’

Eén ogenblik was het plechtig stil, toen liet zich enig geritsel in de nabijheid horen. Snel verborg de man de papieren in een der zakken van zijn wambuis en luisterde nu opmerkzaam toe. Duidelijk liet zich het gekraak van voetstappen horen, het gedruis naderde en een minuut later werd er driemaal zacht op de deur geklopt.

De molenaar behield zijn kalmte.

Was het wellicht een der handlangers van de vijand, die zich toegang wilde verschaffen? Het wemelde ook in deze streken van spionnen, die, om een plasdankje van de Inquisitie te verdienen, op het leven van de naaste loerden als de havik op de schuchtere woudduif. Maar neen, het heilig officie zou zich gewis op een meer geweldmakende wijze aanmelden.

Wat zou hij doen? Na enkele ogenblikken van ernstige overweging trad hij naar voren en op een toon, die alleen tot het scherp luisterend oor kon doordringen, vroeg hij: ‘Wie zijt gij en wat is uw boodschap?’

‘Doe open’, werd er geantwoord. ‘De vijanden vervolgen mij en zoeken mij te doden.’

‘Vanwaar komt gij?’

‘Van Antwerpen’, klonk het terug. ‘Om ’s Heeren wil ontsluit de deur, eer men mij op het spoor komt’.

De molenaar voldeed aan het verzoek en in weerwil van de donkerheid, die in het voorportaal heerste, kon hij nu duidelijk de gestalte waarnemen van een man, die snel naar binnen drong.

‘Zijt gij alleen?’

De vreemdeling knikte toestemmend.

‘Wie waren uw vervolgers?’

‘De handlanger van het geestelijk gerecht’, antwoordde de onbekende op gedempte toon, ‘vijanden van de ware religie, die de nieuwe leer trachten uit te roeien. Ik werd door een mijner buren bij het officie aangeklaagd en zocht mij voor het zwaard der Inquisiteurs in veiligheid te stellen. Men kwam mij echter op het spoor. Een der soldaten zat mij op de hielen, doch, door de duisternis misleid, wist hij ten slotte niet, waar ik gebleven was. Een schot uit zijn vuurroer kwetste mij aan de voet en zo spoedig mogelijk zocht ik nu uw woning te bereiken, daar ik wist, dat ik bij u een vriendelijke opname en veilige schuilplaats zou vinden.’

‘Kent gij mij dan?’ vroeg de aangesprokene.

‘Uw naam is immers Jan de Grave? De vrienden uit Antwerpen hebben mij van u gesproken en het is wel een wonderlijke bestiering Gods, dat ik bij u een veilig toevluchtsoord mag vinden.’

De molenaar knikte goedkeurend en op een toon waaruit thans alle wantrouwen geweken was, zei hij: ‘Kom binnen, mijn vriend, en zet u neder.

Neem de plaats voor lief, die een man, evenals gij, door de hand der vijanden vervolgd, u kan aanbieden.’

De beide mannen traden het vertrek binnen. Bij het licht der lamp was het de Grave mogelijk geworden de gestalte van de vreemdeling duidelijk te onderscheiden. Het uiterlijk van de vluchteling was alles behalve gunstig te noemen. Op diens mager en scherpgetekend gelaat kon men een uitdrukking van list waarnemen, terwijl zijn donkere ogen telkens heen en weer gingen, als wilden zij alle schuilhoeken doorzoeken. Het zware haar hing hem ordeloos om het hoofd en kwam in brede lokken van onder zijn breedgerande hand te voorschijn.

‘Hoe is uw naam?’ vroeg de Grave, die een medelijdende blik op zijn nieuwe vriend wierp.

‘Egbert Hendriksz.,’ antwoordde deze, terwijl hij nadenkend voor zich uitstaarde. ‘Reeds geruime tijd was ik in Antwerpen woonachtig, daar mijn vader aldaar een bloeiende handelszaak dreef. Door het overtreden van het afschuwelijk plakkaat, dat de ketterij met wortel en tak moest uitroeien, verbeurde hij zijn leven en werd op koninklijk bevel onthoofd. Blijmoedig is hij gestorven en nu draagt hij de martelaarskroon in de hemel.’

Hij bedekte zijn gelaat mij de handen en zweeg een poos.

‘Troost u, mijn broeder’, hernam de Grave. ‘De rust, die er overblijft voor het volk van God, zal heerlijk zijn. In de hemel rusten de vermoeiden van de strijd; daar is het lijden van de tegenwoordige tijd vergeten en het zalig verlangen der ziel vervuld. Hem, Wiens smaadheid zij gedragen hebben, zullen zij daar aanschouwen in heerlijkheid, want zij zullen Hem zien, gelijk Hij is.’

De Grave, bewogen door de smart, die de onbekende moest lijden, sprak snel: ‘Vergeef mij, dat ik niet eerder aan uw kwetsuur heb gedacht. Sta mij toe er een nieuw verband om te leggen.’

Hendriksz maakte een afwijzend gebaar.

‘Heb dank voor uw zorg’, zei hij zacht. ‘Ik heb mijn voet straks zorgvuldig verbonden en de wond mocht weer opnieuw veel bloedverlies veroorzaken, indien zo spoedig het verband weer afgenomen werd.’

Hebt gij Christoffel Smit, de trouwe getuige des Heeren, ook gekend?’ vroeg de  Grave.

‘De naam van die waardige broeder vergeet ik nooit’, sprak de vreemdeling. ‘Hij was een man, die door woord en wandel de dwalende terechtbracht en allen steeds wees op Hem, Die Zich over het verlorene wil ontfermen. Een maand geleden, toen de martelaar de brandstapel moest beklimmen, stond ik in zijn nabijheid en heb met de menigte het lied gezongen, dat uit aller borst opwelde:

Uyt de diepten, o Heere
Mijner benauwtheijt groot,
Roep ik tot U gaer seere,
In mijn angst en noot.
Heer’, wilt mijn stem verhooren,
Want het nu tijd sijn sal:
Laat komen tot uw ooren
Mijn klachtig bidden al.
In het oog van de Grave blonk een traan.

‘Wij beleven donkere dagen’, vervolgde hij weemoedig. ‘De vijand is in zijn blindheid met de grootste haat tegen ons vervuld en gaat voort met de onderdrukken der ware religie.

Eén troost blijft ons evenwel, onze vijanden kunnen ons wel vervolgen, ja zelfs onze lichamen verbranden; maar het leven, dat uit God is, kan niemand ons ontnemen. Daarom kunnen wij te midden der vervolging gerust zijn, want ons leven is in de hand onzes Gods.’

‘Ik had gehoopt’, hernam Hendriksz weer, ‘dat de zending van onze stadhouder, Graaf Lamoraal van Egmond, die de Koning in kennis heeft gesteld met de hachelijke toestand der provinciën, een betere uitwerking zou gehad hebben. Filips heeft hem gevierd en gevleid, maar de uitslag was, dat hij zich bitter moest beklagen.

‘De Koning heeft laten verklaren, dat hij liever honderdduizend levens zou willen verliezen, dan de geringste verandering in godsdienstzaken toe te staan. Men moest echter de openbare terechtstellingen in geheime veranderen, opdat het aantal martelaren voor de ogen der menigte nog niet vermeerderd werd.’

‘De Graaf is de speelbal geweest van Spaanse sluwheid’, sprak de Grave.

‘De plakkaten blijven gehandhaafd en zijn in elke stad en in elk dorp afgekondigd. Niemand is derhalve zijn leven zeker, want allen worden door de arm van de Inquisitie bedreigd. De vreemde kooplieden verlaten onze handelssteden en, zoals u bekend is, schijnt in Antwerpen alle leven uitgestorven. Wij moeten onze hoop niet op mensen bouwen, maar alles verwachten van de Heere, Die wonderen doet. Hij alleen is machtig onze zorgen en angsten weg te nemen en ook des Konings hart is in Zijn hand; Hij kan het neigen tot al, wat Hij wil’.

Hendriksz zweeg. Na een ogenblik gewacht te hebben, vervolgde de Grave: ‘Doch zeg mij nu eens, mijn vriend, wat zijn uw voornemens? In elk geval blijft gij deze nacht hier, terwijl het u dan geraden is, hoe eerder hoe beter van hier te gaan.

Daar ik bij mijn vlucht al mijn goederen moest achterlaten, ben ik naar deze streek gereisd, om te beproeven, of ik nog enkele zaken, tot onderhoud van mijn huisgezin, kon verkrijgen. Ik moet evenwel zorgen buiten het bereik van de verspieders te blijven, daar ik anders spoedig mijn vonnis zou ontvangen’.

‘Uw voorslag neem ik gaarne aan’, antwoordde Egbert Hendriksz. ‘Zodra ik enige uren uitgerust heb, vertrek ik evenwel, daar ik van de duisternis gebruik wens te maken om aan de waakzaamheid van het heilig Officie te ontgaan’.

De molenaar opende zijn wambuis en haalde er de ons bekende bladen uit. Met een bewogen gemoed las hij bij het walmend schijnsel van de kleine lamp het achtste hoofdstuk van de brief aan de Romeinen, dat eindigt met deze heerlijke woorden: ‘Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere’.

‘Laat ons thans bidden’, vervolgde hij, en op de knieën vallende, smeekte hij in ootmoed des Heeren bewaring over hen beiden af en bad, zoals zij alleen het kunnen, die door de werking des Heilige Geestes uitgedreven worden om al hun zaken gelovig in des Heeren handen te leggen.

Een kwartier later lag de molenaar in een diepe slaap verzonken. Zijn makker  zocht evenwel tevergeefs de rust.

Hoofdstuk II – De verrader

De morgen van de 17e november was aangebroken. In de woning van Jan de Grave was alles rustig en stil. De molenaar sliep de slaap des rechtvaardigen en was onbewust, van hetgeen er om hem heen voorviel. Waren zijn ogen geopend geweest, dan had hij wellicht opgemerkt, hoe de vreemdeling zijn legerstede had verlaten en zachtjes naar het geheime kasje bij de haard sloop, waarna hij voorzichtig enkele bladen wegnam en die in een van zijn zakken verborg.

‘Ziezo’, fluisterde hij, ‘mijn werk is met een goede uitslag bekroond. De molenaar geloofde, dat hij een geloofsgenoot opnam; hoe zal hij echter schrikken, als hij verneemt, dat hij een spion heeft geherbergd.

’t Is nu de tijd, dat Egbert Hendriksz aan zijn lastgevers kan tonen, dat hij ter wille van de Moederkerk, zich door niets laat afschrikken. De Heilige Petrus, wiens waardige volgeling ik mij wil betonen, zal mij eens een groot loon schenken, wanneer ik voortga met onze vijanden ten dode toe te vervolgen.

Pastoor Bartholomeusz. is een ware zoon van onze heilige kerk. Hij ijvert dag en nacht voor haar en tracht alle oproermakers en rebellen te verdelgen. En die de kerk beledigt en bespot, is ook mijn vijand. Zo het in mijn macht was, zou ik ze allen aan het heilig officie overleveren, daar ik op deze wijze mijn geloof kan tonen door mijn werken.

Indien deze ketterse molenaar door mijn bemiddeling het geestelijk gerecht in handen valt, zal ik uit dankbaarheid een gewijde kaars op het altaar plaatsen, ter ere van mijn patroon.

De ketter meent, dat hij voorlopig veilig is, maar hij zal wel spoedig tot andere gedachten komen, als de schout met zijn rakkers hem gevangen neemt. Ik zal mijn maatregelen nemen en ’t zou mij zeer verwonderen, wanneer hij niet over enkele uren met de kerker kennis maakte.

De bladen, die ik nu in mijn bezit heb en die ik, ongelukkig genoeg, niet kan lezen, zullen gewis een gedeelte uitmaken van een ketters boek, waaruit zij elkander met hun verfoeilijke denkbeelden bekend maken. Ik zal ze de schout tonen; wie weet, wat hij er in ontdekt’.

Een helse vreugde kwam op het gelaat van de man en vergenoegd wreef hij zich de handen, als had hij zijn prooi reeds in zijn macht. Hij zweeg een ogenblik en stond peinzend stil.

‘Ik moet op mijn hoede zijn’, vervolgde hij fluisterend; ‘de slaper mocht eens ontwaken en tot de ontdekking komen, wie ik ben’.

Hij wierp een vurige blik naar de plaats, waar de Grave nog altijd rustig doorsluimerde en mompelde toen: ‘De Inquisitie zal u de mond snoeren en met u alle afvalligen, die de heilige vaders durven weerstaan. De kerk en de geestelijkheid laten zich niet langer bespotten en zullen het land van alle opstandelingen zuiveren’.

De spion hield de adem in en schreed met de grootste voorzichtigheid door het vertrek. Nu en dan sloeg hij een kruis, opdat de ketterse lucht hem geen hinder zou doen en hij beveiligd zou wezen voor alle kwaad.

Bij het licht, dat zijn schijnsel door de halfgeopende deur wierp, kon hij gemakkelijk de weg vinden en bereikte hij ongezien de keuken.

Snel schoof hij de zware grendel van de deur en trad naar buiten, alle heiligen dankende, dat zijn boze opzet zo goed was gelukt.

Enkele uren waren voorbijgegaan. De schout van Hulster-Ambacht, Heer Gijselbrecht Rabat, zat op zijn kamer en hield zich bezig met het lezen van een beschreven stuk, dat hij zo pas had ontvangen. ’t Was een brief van de burgemeester Hubrecht Dulle, die het bericht inhield, dat enkele aanhangers der ‘nije leere’ zich in de nabijheid ophielden.

De schout, die met onmenselijke wreedheid tegen de ketters en rebellen, zoals hij de aanhangers der hervormden noemde, woedde, kon niet nalaten goedkeurend te knikken.

‘Wij zullen dat gespuis wel machtig worden’, sprak hij halfluid. ‘De bescherming der heiligen en de goedkeuring van onze Heer, de Koning van Spanje, zullen ons deel worden, wanneer wij met ijver onze plicht waarnemen. Geen genade voor hen, die van de voorschriften der kerk afwijken en haar schijnbare gebreken aan de kaak stellen’.

De schout wilde er nog iets bijvoegen, toen zich in de gang voetstappen deden horen. Hij opende de deur voor … Egbert Hendriksz, die onderdanig groetende, de spreekkamer binnentrad.

Het gelaat van Heer Gijselbrecht Rabat helderde enigszins op, toen hij de man zag, wiens blik anders weinig vertrouwen kon inboezemen.

‘Van waar komt gij?’ vroeg de schout.

‘Van Heinsdijk’, antwoordde de spion, die zich het zweet van het gelaat veegde. ‘Ik wilde een belangrijke tijding brengen’.

‘Ik dacht het wel’, sprak de schout. ‘Gij zijt een man, die getrouw zijn in het u aanbevolen werk. En welk bericht komt gij mij brengen?’

‘Dat Jan de Grave in zijn woning teruggekeerd is’.

De schout zag de boodschapper scherp aan, als wilde hij aan deze tijding geen geloof slaan.

‘Zijt gij daar zeker van?’ vroeg hij snel.

‘Ik heb hem zelf gesproken’, antwoordde Hendriksz.

‘Gij?’

‘Ja, heer schout’, juichte de man, wiens enig streven het was onschuldige slachtoffers aan de Inquisitie over te leveren; en nu verhaalde hij, op welke wijze hij zich de toegang tot de woning van de vluchteling had verschaft.

‘Voortreffelijk’, mompelde Rabat. ‘Dat is wel een goede tijding. De eerwaarde heer pastoor zal u wel de nodige absolutie schenken voor elke leugen, die gij hebt moeten zeggen. Ziehier tien carolusguldens. Die geef ik u als een bewijs van mijn erkentelijkheid’.

De speurhond streek haastig het geld op en lachte vergenoegd.

‘Gij kunt gaan’, vervolgde de schout, ‘of hebt gij nog iets mede te delen?’

‘Nee, heer’, antwoordde de gedienstige handlanger, ‘maar hier zijn nog enkele papieren, die ik in de woning van de ketter heb gevonden’.

‘Zeker ketterse papieren’, sprak de schout op minachtende toon.

Hij streek de bladeren op de tafel glad en nu viel zijn oog op deze woorden:

‘Ende als het den vijfsten segel geopent hadde, sach ic onder de alteaer de sielen der verslagenen om des woorts Gods wille, ende om het getuygenisse, dat zij hadden. Ende sij riepen met luyder stemme, seggende: Hoe lange, o Heilige ende waerachtige Heere, oordeelt noch en wreeckt Ghij onze bloet niet van de inwoonders der aerde?’

Een donkere blos overtoog ’t gelaat van de schout toen hij deze woorden las, want zijn hart klaagde hem aan, dat hij een vervolger was van hen, die de Heere vreesden en nu riep het bloed dier rechtvaardigen wrake over zijn schuldig hoofd. Zijn bloed jaagde snel, maar zich herstellende sprak hij met een hevige verwensing: ’t Is een gedeelte van het afschuwelijke boek, waaruit de ketters hun goddeloze denkbeelden putten. Ik heb thans het duidelijk bewijs van zijn schuld in handen en als een goed zoon van de Heilige Kerk deins ik voor niets terug’.

Hij wierp de laaghartige spion een gemeenzame knik toe en met een diepe buiging verliet deze daarop het vertrek, om elders zijn nasporingen voort te zetten.

Een kwartier later reed de schout te paard met enige zijner dienaren naar de lancksweerdemolen, waar Jan de Grave zijn verblijf hield. Deze was juist in de molen. Het argusoog van de vijand had hem gezien.

‘Zij gij de molenaar?’ vroeg Rabat.

‘Ja, heer’, klonk het terug.

‘Uw naam is dus Jan de Grave?’

De aangesprokene knikte toestemmend.

‘Kom dan spoedig naar beneden’, zei de schout.

Er verliepen enkele ogenblikken, eer de deur werd geopend. De vluchteling trad naar voren, en met een sprong hadden de dienaren hem gegrepen en voor de schout geplaatst.

‘In naam van het heilig officie’, grijnsde deze, ‘neem ik u gevangen’.

Jan de Grave had de schout herkend. Hij sidderde een ogenblik, maar toen prak hij zachtmoedig: ‘Ik ben bereid u te volgen’, en daarop vervolgde hij in stil ebed: ‘Uw wil, o Heere, geschiede’.

De getrouwe getuige werd onder het geleide van de schout naar Hulst gevoerd en daar in de kerker geworpen.

Hoofdstuk III – Zwaar beproefd

Bijna twee maanden waren sinds de gevangenneming van de molenaar voorbijgegaan. Nog altijd zuchtte de dienstknecht des Heeren in de sombere kerker, met lijdzaamheid de dag verbeidende, waarop het doodvonnis aan hem voltrokken zou worden.

Veel was er in zijn hart omgegaan gedurende deze dagen van beproeving. Wat zou er van zijn vrouw en kinderen geworden zijn? Indien zij nog veilig te Antwerpen waren, hoe zouden zij dan verlangend naar hem uitzien!

‘Arme vrouw, arme kinderen!’- zuchtte hij, zo menigmaal als hun beeld zich aan zijn geest vertoonde, of als hij aan de avond van iedere nieuwe dag moest afvragen, of dit niet de laatste nacht zou zijn, die hij op aarde doorbracht.

De Heere deed hem evenwel in ruime mate de vertroostingen des Heilige Geestes ondervinden, zodat zijn geloofsvertrouwen steeds toenam.

Veel had de gevangene reeds moeten lijden, want de vijanden namen terstond alle wrede middelen te baat, om hem afvallig te maken en verzwaarden zijn gevangenschap op alle mogelijke wijzen. Wat zelfs de grootste boosdoener nog werd verleend, werd hem ontnomen, zodat hij nauwelijks zoveel voedsel ontving, dat hij het vege leven daarmee kon rekken. Somtijds leed hij zulk een gebrek, dat hij dacht van honger te zullen omkomen, terwijl hij telkens gekweld werd door een bijna ondragelijke dorst.

En toch – deze onmenselijke wreedheid was nog niet erg genoeg in het oog van de goddeloze gevangenbewaarder. Hij gebruikte nog strenger maatregelen om de arme man te benauwen.

De winter was koud en scherp en in de gevangenis heerste een hevige koude.

Volgens de bestaande gewoonte mochten de gevangenen daarom bij het vuur plaats nemen om hun verkleumde ledematen te verwarmen.

De Grave werd evenwel veroordeeld om in zijn donker hol te blijven, waar bijna nimmer een verkwikkende zonnestraal binnen drong. De snerpende koude deed zijn leden verstijven, zodat hij nauwelijks op zijn voeten kon staan. Het was dus met recht om zich te verwonderen, dat hij niet van ellende omkwam.

Onder al deze beproevingen riep De Grave de Heere ootmoedig om Zijn bijstand aan. Zijn dagelijkse bede was, dat hij de genade mocht ontvangen om staande te blijven en te volharden tot het einde toe.

En de Heere bleef hem nabij.

Eenvoudig en blijmoedig beleed hij zijn geloof en tevergeefs waren alle pogingen om hem zijn Heere en Heiland te doen verloochenen. Beloften noch bedreigingen werden gespaard, maar de vijand kon met zijn verderfelijke leer de Goddelijke waarheid niet weerleggen.

Bij alle beschuldigingen, die zijn rechters tegen hem inbrachten, eiste hij van hen, dat zij hem uit de Heilige Schrift alléén zouden aantonen, dat hij dwaalde.

Maar dat wilden en konden zij niet. Zo ondervond hij, dat er bij de Heere troost en sterkte te verkrijgen is voor ieder, wiens begeerte zich naar Hem uitstrekt.

Eenvoudig en blijmoedig beleed hij zijn geloof en tevergeefs waren alle pogingen om hem zijn Heere en Heiland te doen verloochenen. Beloften noch bedreigingen werden gespaard, maar de vijand kon met zijn verderfelijke leer de Goddelijke waarheid niet weerleggen.

Bij alle beschuldigingen, die zijn rechters tegen hem inbrachten, eiste hij van hen, dat zij hem uit de Heilige Schrift alléén zouden aantonen, dat hij dwaalde.

Maar dat wilden en konden zij niet. Zo ondervond hij, dat er bij de Heere troost en sterkte te verkrijgen is voor ieder, wiens begeerte zich naar Hem uitstrekt.

Het bleek in deze gevangene weer duidelijk, dat door kruis en lijden de macht der waarheid niet kan worden verbroken, ja, dat zij juist door deze middelen heerlijk haar Goddelijke kracht komt openbaren.

Dit was ook de overdenking, waaraan De Grave zich op dit ogenblik in zijn kerker overgaf.

‘Gij, o Heere’, fluisterde hij, ‘zijt de goede Herder, die mij hebt opgezocht, toen ik ver van U was afgezworven, die mij hebt getrokken met koorden ener eeuwige liefde uit de duisternis tot Uw wonderbaar licht, en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon Uwer liefde. Van U heb ik hulp, troost en bijstand begeerd en Gij hebt ze mij niet onthouden. Ik heb tot U geroepen in mijn benauwdheid en Gij hebt mij verhoord. Tot U hef ik mijn handen op, daar Gij alleen kracht kunt schenken hem, dien sterkte ontbreekt. Hoe goed, Heere, is deze verdrukking voor mij, wijl ze mij telkens tot U de toevlucht doet nemen. En hoe nuttig is het kruis voor de kerk Gods, want juist daardoor groeit en bloeit zij. Richt Gij dan, Heere, op alle trage handen en slappe knieën, opdat Uw volk

…’

Het gedruis, dat de cipier maakte door het openen van de zware deur van de cel, deed hem zwijgen.

Twee mannen, in geestelijk gewaad gehuld, traden binnen. Het waren Marten Bartholomeusz. en Kornelis van Keulen, pastoors van Hulster-Ambacht, die hem wegens zijn geloof kwamen ondervragen.

De Grave begreep, dat de beslissende ure gekomen was.

‘Geef rekenschap van uw goddeloze gevoelens’, sprak pastoor Bartholomeusz., wiens gelaat geen spoor van deernis en medegevoel vertoonde. ‘Wat is uw geloof?’

De molenaar behield zijn kalmte en antwoordde zachtmoedig: ‘Hoewel ik slechts in eenvoudige woorden rekenschap van mijn gevoelen kan geven, schaam ik mij de goede belijdenis niet.

Ik geloof met mijn gehele hart de Tien Geboden van God, waarin Hij ons Zijn volmaakte wil duidelijk leert. Hiernaar begeer ik al de dagen mijns levens te wandelen. Zonder enige twijfel neem ik voorts aan de twaalf artikelen van het Christelijk geloof, wijl daarin vervat is alles, wat ons nodig is ter zaligheid. En eindelijk geloof ik het gehele Oude en Nieuwe Testament, waaruit wij de weg der zaligheid recht kunnen leren kennen. Dit alles en al, wat daarmede overeenkomt, geloof ik van ganser harte, maar ook niets anders dan dat’.

‘Verwerpt gij dan de leringen der Heilige Kerk?’ vroeg Van Keulen streng.

‘Uw menselijke leringen’, vervolgde De Grave, ‘die gij ons in strijd met de Heilige Schrift zoekt wijs te maken, neem ik niet aan, daar gij ze niet met het Woord van God kunt bevestigen’.

‘Gij moet geloven’, begon de eerste weer op hoge toon, ‘alles wat de kerk, die niet dwalen kan, leert en gebiedt’.

‘Ik geloof niets’, sprak de gevangene, ‘dat in strijd is met wat de mond des Heeren gesproken heeft. Want er staat geschreven, dat hij vervloekt is, die tot de wet des Heeren iets toe- of afdoet, zodat daaruit verstaan kan worden, dat Gods wet volmaakt is zonder uw menselijke leringen’.

‘Gij hebt een verkeerd en vals geloof’, schreeuwde de ander. ‘Loochent gij ook, dat Christus met vlees en bloed in de mis tegenwoordig is?’

‘Ja zeker’, antwoordde De Grave onbevreesd. ‘want ik geloof, dat Christus opgevaren is ten hemel. Met een leer, die niet vervat is in de Heilige Schrift, heb ik niets te maken, want Paulus leert dit duidelijk. Al kwam er, zegt deze, een engel uit de hemel, die een ander Evangelie verkondigde, dan ik u verkondigd heb, die zij vervloekt’.

‘Dus gij minacht het heilig misoffer?’ vroeg Van Keulen opnieuw, terwijl hij zijn glurende ogen op het gelaat van de gevangene hield gevestigd.

‘Ongetwijfeld, want het is een verloochening van Hem, Die met één offerande in eeuwigheid volmaakt heeft degenen, die geheiligd worden. De Allerhoogste woont niet in tempelen, met handen gemaakt …’

‘Gij liegt, dat staat er niet geschreven’, viel Bartholomeusz. hem woedend in de rede.

‘Laat dan de Bijbel halen’, verzocht de man, die in de laatste dagen zijn verblijf met Jan de Grave deelde.

Aan zijn verlangen werd voldaan en op aanwijzing van de molenaar was de plaats spoedig gevonden.

De priesters waren rood van ergernis over de nederlaag, die zij geleden hadden.

‘Het moet anders verstaan worden’, schreeuwden zij. ‘Zoek uw ziel te redden voor vrede te maken met de beledigde Kerk’.

‘Neen’, antwoordde De Grave, ‘want bij de Heere is mijn hulp. Christus is mijn Middelaar. Bij mij is niets dan zonde en schuld, maar Hij is mijn Heiland, Die mijn zonden op Zich nam en er voor betaalde. Hij heeft in mijn plaats gerechtigheid geoefend en daardoor mij met God verzoend. Hem heb ik nodig, want niets anders kan ons bevredigen met God. Geen priester kan onze zonden uitdelgen en indien wij ons van Hem afwenden, zullen wij eens in de jongste dag zonder Borg staan, met onze eigen zonden en zware schuld’.

‘Meent gij, dat dit oordeel ook mij zal treffen?’ riep een der geestelijken woedend uit.

‘Ik wil u, die zich een priester der Heilige Kerk noemt, geen enkel verwijt doen; maar hoor, wat iemand, die gij als een afvallige, als een ketter beschouwt, u zegt, namelijk dit: de Mond, die nooit liegen kon, heeft verzekerd, dat de Zoon des mensen komen zal in de heerlijkheid Zijns Vaders met Zijn heilige engelen en alsdan zal Hij een iegelijk vergelden naar zijn doen.

Hoe zult gij dan de hoogste Rechter kunnen bevredigen; waar u bergen voor Hem? Hoe zult gij dan het rechtvaardig oordeel ontgaan? Dan zullen de boeken worden geopend, waarin ook uw verborgen zonden geboekt zijn en gij zult geoordeeld worden naar uw werken.

Dan zult gij gewis niet kunnen betalen en zal het u blijken, dat de ziel zonder Christus verloren is. Alleen in Hem is het leven te vinden. De ontferming Gods heeft deze weg geopend voor zondaren, die niets dan vijandschap voeden tegen Hem. Daarom hebben wij Hem nodig en Zijn gerechtigheid, opdat onze zonden voor Gods oog worden bedekt …’

Pastoor Van Keulen stiet een vreselijke verwensing uit. Zijn metgezel wist echter zijn toorn te bedwingen en vervolgde: ‘Indien gij uw dwalingen afzweert, zullen wij u in de gelegenheid stellen om naar uw vrouw en kinderen terug te keren. Herroep daarom alles, wat gij heden hebt gesproken en wij zullen u genadig zijn’.

De gevangene schudde weemoedig het hoofd.

‘Neen’, sprak hij, ‘want die vader of moeder, of welke dierbare bloedverwanten ook, zal verkiezen boven de Heere Jezus, moet uit Diens mond vernemen: Gij zijt Mijns niet waardig. Alles, wat gij mij aanbiedt, is slechts voor een tijd en spoedig komt de ure, waarin het ons ontvalt. Rijkdom, eer en vrienden blijven achter, als de ure des doods aanbreekt en daarom laat ik mij door het kruis niet van mijn Heere afhouden. Alleen in Hem is het leven mijner ziel en door Hem alleen zal ik eens beërven, wat onverderfelijk is’.

‘De pijnbank en de brandstapel zullen u wel anders doen spreken’, klonk het thans op dreigende toon.

‘Niets kan mij verschrikken’, hernam de molenaar blijmoedig, ‘als de Heere mij nabij blijft. Gaarne zal ik mijn leven afleggen voor de zaak van Christus’.

‘Vaar ten verderve, gij kind des duivels!’ riep Bartholomeusz. en ziedend van toorn verliet hij met zijn makker de vunzige cel.

‘De Heere zal het maken’, sprak De Grave getroost.

‘Met lichaam en ziel beveel ik mij in Zijn handen’.

En met zijn medegevangene verenigde hij zich in een innig dankgebed tot God, voor Zijn genadige bewaring, en voor de kracht, hem geschonken, om alle verzoekingen tot het ontkomen aan de straf, welke hem ongetwijfeld wachtte, te ontvlieden.

Hoofdstuk IV – Getrouw tot in de dood

Weer waren enkele weken voorbijgegaan. Jan de Grave zuchtte nog altijd in de kerker en zag met een heilig verlangen uit naar de verlossing zijns lichaams, naar de aanneming in het openbaar tot een kind Gods. Nogmaals zou hij voor zijn rechters moeten verschijnen om rekenschap van zijn geloof te geven.

De Inquisiteur van Vlaanderen, Petrus Titelman, was op uitnodiging van de priesters te Hulst verschenen, om door zijn tegenwoordigheid de zaak tot een gewenst einde te brengen. Luide klachten waren er reeds gehoord over de onmenselijke wreedheid, de gevangene aangedaan, en niet zonder grond vreesden de rechters, dat de woede van het volk tot een uitbarsting zou komen, wanneer men voortging hem te kwellen.

Tegen de namiddag van de 22e januari werd De Grave naar de herberg ‘De Zwaan’ geleid, waar de schout en zijn dienaren, naast de burgemeester en de beambten van Hulster-Ambacht, vergaderd waren.

De molenaar voelde zich zwak en hulpeloos, maar zijn vertrouwen bleef gevestigd op Hem, Die zijn sterkte was.

‘Neem daar bij het vuur plaats’, begon Titelman op spottende toon. ‘Gij zult u gewis wel eens willen warmen’.

De gevangene ontroerde; aan die stem herkende hij de onmens, die er steeds een wreedaardig vermaak in vond zijn slachtoffers te beangstigen en te kwellen. Als Saulus, zo noemden de vervolgden hem, was ook hij blazende dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren en verspreidde hij overal schrik en ontsteltenis.

Er zouden zeker ernstige ogenblikken voor hem aanbreken, want thans bevond hij zich in het hol van de leeuw.

De Grave trad hinkend naar voren en plaatste zich bij het vuur, welks warmte hem bijna flauw deed vallen, gewoon als hij in zijn kerker geworden was aan de hevigste kou.

De Inquisiteur sloeg een onheilspellende blik op de gevangene en zei: ‘Daar wij hier vergaderd zijn om te horen, wat gij gelooft, zo vraag ik u: hoe denkt gij over de Roomse kerk en de leringen van de Paus?’

‘Mijn geloof’, was het antwoord, ‘heb ik zonder enige geveinsdheid bij herhaling beleden. Ik herhaal nog eens, dat ik mij alleen aan het Woord Gods houd en steun op de grond der Apostelen en Profeten en niet op menselijke leringen, die daarin niet vervat zijn, of daartegen strijden. Kunt gij mij dus uit het Woord des Heeren bewijzen, dat, hetgeen ik belijd, daarmede strijdig is, dan wil ik mijn dwalingen herroepen. Kunt gij dit echter niet doen, waarom houdt gij mij dan gevangen en zoekt gij mij te doden?’

‘Gelooft gij niet’, vroeg Titelman op strenge toon, ‘dat de Heere God lichamelijk in de hostie tegenwoordig is?’

‘Volstrekt niet’, hernam De Grave kalm, ‘dat zou tegen Gods Woord zijn. De Heere woont niet in tempelen, met handen gemaakt, en hemel noch aarde kan Hem bevatten. Hoe zoudt gij Hem dan in zulk een enge plaats kunnen besluiten? Dat dit waar is, kunt gij zelf in mijn Testament, dat ik hier heb, lezen’.

De beschuldigde haalde bij deze woorden de Bijbel te voorschijn en reikte hem de geloofsrechter toe.

Titelman beet zich op de lippen van ergernis en woedend over zoveel tegenstand, als hij hier moest ondervinden, greep hij het Nieuwe Testament en wierp het met een vloek in de vlammen.

Een der beambten sprong evenwel toe en wist het boek tijdig nog te grijpen.

De inquisiteur was hevig verbitterd en zich als een waanzinnige aanstellende, schreeuwde hij: ‘Helse ketter, valse profeet! Ik zou u in het aangezicht kunnen slaan’.

En de vuist opheffende, wilde hij de gevangene een slag geven, toen de burgemeester dit wist te verhinderen.

‘Sla de man niet’, smeekte hij, ‘maar laat hem recht wedervaren!’

Titelman bedwong zich met moeite en na enige ogenblikken van doodse stilte begon hij opnieuw: ‘Gelooft gij niet, dat er een vagevuur is, waar de zielen gezuiverd moeten worden na de dood?’

‘Ik zou dit gaarne geloven’, sprak De Grave, als gij het mij bewijzen kunt uit Gods Woord; anders geloof ik, dat alléén het bloed van de Heere Jezus Christus ons reinigt van alle zonden’.

De kettermeester was zich zelf geen meester meer. ‘Gelooft gij niet’, barstte hij uit, ‘dat de mens door goede werken de hemel kan verdienen en dat de heiligen voor ons bidden?’

‘Ik geloof alleen aan Gods Woord en aan geen menselijke leringen, en Gods Woord weerspreekt beide deze stellingen. Wij hebben geen voorbede der heiligen nodig. Voor iedere zondaar, die in oprechtheid tot Hem komt, staat de weg tot Christus open’.

Hierop begon Titelman allerlei valse bewijzen aan te voeren, doch de gevangene zweeg en wilde niet op deze lasterlijke gezegden antwoorden. Dit verbitterde de geloofsrechter nog meer, hij knarste op de tanden en op de gevangene toetredende, greep hij hem aan en op het vuur wijzende, dat naast hem brandde, sprak hij grimmig: ‘Wordt gij niet bevreesd? Men zal u in de vlammen werpen en u levend laten verbranden, als gij uw helse dwalingen niet laat varen’.

‘Voor dit vuur’, antwoordde De Grave zachtmoedig, ‘ben ik zo bang niet; maar ik vrees veel meer het eeuwige vuur, dat nooit kan worden uitgeblust’.

‘Ik geef u met lichaam en ziel aan de duivel over’, bulderde de eerste weer, ‘en stoot u voor eeuwig uit de gemeenschap der kerk!’

‘Dat oordeel komt alleen God toe’, zei de molenaar, ‘en daarom bekommer ik mij over uw oordeel niet’.

‘Mijn vriend’, sprak thans Heer Hubrecht Dulle op geveinsde toon, ‘heb toch medelijden met uzelf. Ik bid u, verzaak toch uw valse leerstellingen en gij zult de genade van de kerk ontvangen’.

‘Bid niet tot mij’, ging De Grave voort, ‘maar bid God, dat Hij u verlichte, opdat gij u niet stoot aan de uiterste hoeksteen, welke Christus is en uw handen niet slaat en bevlekt aan de leden Christi.’

 Titelman kon zich niet langer bedwingen.

‘Vermaledijde ketter’, beet hij hem toe. ‘Uw woorden ademen enkel verharding.

Wij zullen u voor uw euveldaden zwaar doen boeten’.

‘De Heere weet het’, stamelde de aangesprokene, ‘dat ik alleen verlang te leven volgens de zuivere waarheid van het Evangelie’.

‘Vooruit met de afvallige’, beval Titelman, die zag, dat de molenaar bij zijn belijdenis volhardde. Ruw grepen de dienaren hem aan en deze bonden hem zo wreed, dat hij, door de pijn overmand, uitriep; ‘Ik zal u niet ontlopen, want al mijn leden zijn door de kou zo verstijfd, dat gij mij in uw midden moet nemen, om mij voort te leiden’.

De handlangers van het gerecht letten echter niet op zijn klachten en voerden hem weg.

‘Laat uw geloof varen’, drong de Schout nog eenmaal met tranen in de ogen, 'en wij zullen u de vrijheid geven’.

De Grave keerde zich om en op een toon, die de Schout deed huiveren, sprak hij: ‘Ween niet over mij, maar smeek de Heere, dat Hij uw zonden vergeve.’

Onder smaad en spot werd de trouwe getuige naar de gevangenis teruggevoerd. Daar aangekomen, wierp hij zich op de knieën en stamelde:

‘Heere, mijn God, ik dank U, dat gij mij, arm mens, versterkt en mij mond en tong voor mijn vijanden gegeven hebt en bid U, mij tot het einde toe te bekrachtigen tot uw eer’.

En de Heere, Die de vermoeiden kracht geeft en overvloedige sterkte de zwakken, bleef hem steunen, zodat hij onder al het lijden goedsmoeds kon zijn en zijn medegevangene nog woorden van troost en sterkte kon toespreken.

Het vonnis van De Grave werd thans opgezonden naar Gent, waar het door het geestelijk gerecht werd onderzocht. Allen spraken het schuldig over hem uit en veroordeelden hem tot de vuurdood.

Het werd De Grave vergund een advocaat te nemen, die zijn verdediging en verantwoording op zich zou nemen. Deze weerlegde, op aanwijzing van de veroordeelde, met duidelijke bewijzen uit Gods Woord de beschuldigingen, tegen hem ingebracht en verdedigde al de artikelen die de Schout als ketterij aangewezen had, met openbare uitspraken uit de Heilige Schrift.

De advocaat ontving een slechte beloning voor deze dienst. De priesters dienden terstond een aanklacht in bij de Raad van Vlaanderen, waarbij zij de advocaat zwaar beschuldigden, zodat hij werd ingedaagd om op verbeurte van leven en bezittingen te verschijnen en zich over zijn gedrag te verdedigen.

Alle tegenwerpingen van de man, die op hun bevel de gevangene bijgestaan had, waren vruchteloos en eindelijk werd hij veroordeeld om in de openbare vierschaar te Hulst een onterende schuldbelijdenis af te leggen, de rechters op de knieën vergiffenis te vragen en bovendien twintig Karolusguldens boete te betalen.

Zo strafte de vijand de man, die op hun eigen bevel voor de zaak van de gevangene moest uitkomen. De Grave verheugde zich intussen, dat de blijde dag, waarop hij de kroon des lijdens zou ontvangen, spoedig zou aanbreken.

Het was zaterdag 24 februari. De beul van Antwerpen was te Hulst aangekomen om het vonnis aan de gevangene te voltrekken, en met innerlijke vreugde bereidde De Grave zich voor ter dood. Nog was evenwel de stonde niet gekomen, dat hij in de rust zou ingaan.

De burgemeester, Hubrecht Dulle, wenste ’s zondags een gastmaal te geven, en zo werd de zaterdag ingenomen met het maken van toebereidselen voor dit feest. In allerlei overdaad en liederlijkheid werd er door de ambtenaren en alle verdere genodigden twee dagen feest gevierd – en de terechtstelling van de arme gevangene tot dinsdag verschoven.

Eindelijk had het beslissende uur geslagen.

De schout met zijn dienaren verscheen in de gevangenis om de martelaar naar het rechthuis te brengen. De Grave zag, dat de tijd van scheiden daar was. Hij sloot zijn medegevangene in de armen en nam een roerend afscheid van hem.

‘Vaarwel, mijn broeder’, riep hij, terwijl hij hem nog eenmaal de hand ten afscheid drukte. De tijd van mijn roeping is nabij. Ik heb de goede strijd volstreden en ga naar de hemel. Vestig uw oog op de Heere en vertrouw u aan

Zijn hoede. Hij zal voor u zorgen’.

Diep geroerd bracht de gevangene hem zijn groet en, na gebonden te zijn, werd De Grave voortgeleid. De vijand liet ook thans de trouwe belijder niet met rust. Twee monniken wendden al hun overredingskracht aan om zijn geloof te schokken.

Doch alles was verloren moeite.

‘Vreest gij de dood niet?’ vroeg een van hen.

‘Ik verlang ontbonden te worden en met Christus te wezen’, antwoordde de martelaar, ‘want dat is zeer verre het beste’.

‘Gelooft gij niet aan de heiligen?’ vervolgde de ander, zijn bespiedende blik op het gelaat van De Grave vestigende.

‘Ik geloof in de enige almachtige en eeuwige God, Die hemel en aarde geschapen heeft!’

‘Is Christus niet lichamelijk in de mis tegenwoordig?’

‘Vermoei mij niet met uw dwaze redeneringen’, verzocht De Grave. Christus is immers in de hemel, vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden’.

‘Gij zij een snode ketter’, sprak de monnik vinnig. De veroordeelde zweeg en smeekte de Heere om hulp.

Intussen was men het rechthuis genaderd.

Een dichte menigte verdrong zich om de martelaar heen en uit veler blik sprak een geweldige afkeer van zulke gruwelen.

De schout en zijn dienaren zochten ijverig hout en stro bij elkaar, wat zij nauwelijks vinden konden, daar niemand het benodigde voor dit doel wilde afstaan. Een man, die juist met een vracht hout door de stad reed, werd gedwongen zijn hout op de markt te lossen, terwijl een wagenmaker zich onder een vals voorwendsel liet verleiden een gat in de paal te boren, waaraan de lijder zou worden geworgd.

Een brouwer, Jan Willaerds, die van dit alles ooggetuige was, kon zich niet langer inhouden en getuigde luid tegen dit werk der duisternis. Hij werd terstond gevangen genomen en in de cel geworpen, die De Grave verlaten had.

Deze stond intussen voor de vierschaar om zijn doodvonnis aan te horen. In bijzijn van al het volk, dat hier samengekomen was, vermaande hij zijn rechters met grote ernst, dat zij de zaak goed moesten onderzoeken en een rechtvaardig oordeel velen.

Zijn geboeide handen opheffende, zei hij plechtig: ‘Gij allen moet eens voor de Rechterstoel van de Heere Jezus Christus verschijnen, zoals ik heden voor u sta, waar ieder rekenschap zal moeten geven van zijn daden. Wees dus voorzichtig in hetgeen gij doet’.

‘Weet gij anders niets te zeggen?’ vroeg de burgemeester spottend.

De gevangene hernam: ‘Ziet wel toe, wie gij veroordeelt en wat gij doet, want ik verklaar, dat mijn geloof rust op het fundament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus de hoeksteen is, en daarin begeer ik te leven en te sterven’.

‘Dit zoekt gij nu’, wierp de schout hem tegen, ‘het arme volk wijs te maken’.

‘Ik heb geen ander geloof’, zei de gevangene op besliste toon, ‘doe met mij naar uw welgevallen’.

Nu stond de schrijver op en las met luide stem het vonnis voor, waarin Jan de Grave wegens zijn ‘godslasterlijke dwalingen’ en als een voorstander van het ‘valse geloof’, veroordeeld werd om te worden geworgd. Na het ondergaan van deze straf zou zijn lichaam op het galgenveld van de stad aan een paal gesteld en daarna verbrand worden, terwijl zijn goederen verbeurd verklaard werden ten bate des konings.

Jan de Grave ontroerde niet. Zijn gelaat blonk van de reinste vreugde en op blijmoedige toon sprak hij: ‘Ik dank U, Heere, mijn God, dat Gij mij waardig hebt geacht voor Uw Naam te lijden’.

De ter dood veroordeelde werd thans naar de markt gevoerd. Zijn aangezicht blonk van vrede en blijdschap. Menig bemoedigend en vertroostend woord werd hem in stilte toegevoegd en velen konden hun tranen niet bedwingen, toen zij de martelaar hinkende naar de brandstapel zagen gaan. Men kon aan zijn holle ogen en zijn ingevallen gelaat zien, dat hij zeer veel geleden had, terwijl men tevens wist te vertellen, dat zijn tenen van de voeten waren gevroren.

Ernstig klonken zijn vermaningen tot het verzamelde volk en vriendelijk smeekte hij allen, die door het licht van het Evangelie werden beschenen, in de waarheid te volharden. Zelfs bad hij voor zijn vijanden.

‘Vergeef het toch mijn vervolgers, Heere, wat zij mij aandoen om het uitkomen van uw Goddelijke Naam en zaak. O God, verlicht hen met de ware kennis van Uw Woord’.

Onder het somber zwijgen der menigte werd de brandstapel bereikt.

‘Haast u, haast u’, schreeuwde de schout tot de beul. ‘Doe uw werk!’

De martelaar plaatste zich bij de staak, voor hem bestemd, terwijl zijn gelaat blonk van hoger glans.

De beul trad toe en deed hem de strop om de hals.

‘O Heere’, riep de martelaar met luider stem, ‘ontferm U over mij! O barmhartige Vader, ontvang mijn geest!’

De schout gaf het teken, dat men hem het spreken zou beletten. Het koord werd aangetrokken, nog eenmaal hoorde men De Grave de Naam des Heeren aanroepen en onder het uitspreken van die dierbare Naam ontsliep hij in vrede.

De strijd was ten einde en de martelaar was ingegaan in de rust, die er overblijft voor het volk van God!

Nooddruftigen zal Hij verschonen;
Aan armen, uit gena
Zijn hulpe ter verlossing tonen;
Hij slaat hun zielen ga.
Als hen geweld en list bestrijden,
Al gaat het nog zo hoog;
Hun bloed, hun tranen en hun lijden
Zijn dierbaar in Zijn oog.

Psalm 72 : 7

Einde

http://www. hhgouddorp.nl/publicaties/dk_jaargang29/dk_jrg29_nr24. pdf

---------------------------------------

Johan Decavele, "Geloof en heldenmoed in Zuid-Westvlaanderen". Toegevoegd: bijzondere geloofsgetuigenissen van martelaren" door A van Haamstede, Middelburg, Stichting De Gihonbron, 2008.

9. Jan de Grave

JAAR 1565

De Heilige Geest spreekt door de mond van de profeet Joël: “Ik zal in de laatste dagen, zegt de Heere, uitstorten van Mijn Geest over alle vlees, en uw zonen en uw dochteren zullen profeteren," enz. Broeders, deze voorspelling werd nu volkomen en bijzonder in die tijden vervuld. Want wij zien duidelijker, dat het goddelijke Woord, dat hier vroeger aan weinigen was geopenbaard, nu zeer rijkelijk wordt verkondigd in alle landen en onder alle volken der wereld. Zodat wij terecht met de apostel mogen uitroepen: "Hebben zij het gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot het einden der wereld."

Maar niet allen zijn het Evangelie gehoorzaam geweest. Waarlijk, wij beleven de dagen, waarvan de Heere Christus Jezus gesproken heeft dat het Evangelie des koninkrijks verkondigd wordt in de gehele wereld. Want in alle koninkrijken, landen, steden en dorpen wordt nu de zuivere leer der waarheid zo openlijk gepredikt, dat allen, van de meeste tot de minste, naar de goddelijke belofte God kunnen zien en Zijn wil leren kennen. Ja, de kennis van Zijn Woord is nu zo rijkelijk uitgestort, dat ook vele verborgen schatten der Goddelijke wetenschap, die in vorige eeuwen verborgen waren, de mens wonderbaarlijk zijn geopenbaard. leder, wie hij ook zij, groot of klein, arm of rijk, edel of onedel, geleerd of ongeleerd, kan nu van God horen, en Zijn wil leren kennen, indien hij zijn oren en ogen niet voor de waarheid wil toesluiten; want God laat nu volgens Zijn Woord zonder enig bedeksel prediken, zodat het licht voor alle mensen schijnt, en voor niemand bedekt is dan voor hen, die verloren gaan, in wie de God dezer wereld de zinnen verblind heeft. Vele landen, die buiten de kennis van God waren, en sedert vele eeuwen onder het pausdom als verdronken lagen, in alle onwetendheid en blindheid van het hart, heeft God met de kennis van Zijn Woord in deze tijden laten beschijnen, waar nu de leer des duivels is verdreven, en de lieden in de zuivere waarheid en de waren godsdienst met ijver worden onderwezen. Die zijn volk niet waren, heeft God door Zijn genade, tot Zijn volk en eigendom aangenomen, en hun, die Hem niet kennen, is Hij bekend geworden. Waar wij heengaan, in welk land het ook zij, overal vinden wij godvrezende lieden, mannen en vrouwen, wier harten en ogen door de kennis van het goddelijke Woord zijn verlicht. En, al zijn er ook intussen, door de werking des satans, gruwelijke en bloedige vervolgingen uitgebroken, tot verduistering en onderdrukking der waarheid, zo is echter daardoor de prediking van het Evangelie niet gestuit; integendeel, zij heeft veel meer alle landen bezocht, het licht ontstoken en velen bekeerd.

Want, toen de kennis van het goddelijke Woord tot enige landen was doorgedrongen, en velen het pausdom lieten varen, zoals in Duitsland, Engeland, Schotland, Oost-Friesland, Frankrijk en vele andere omliggende landen en steden, wat hebben toen toch de machtige tirannen met al hun bloedvergieten uitgericht, dan juist dat daardoor de harten der mensen hoe langer zo meer tot liefde der goddelijke waarheid werden opgewekt? Ik bid u, wie heeft kunnen verhinderen, dat Gods Woord in die landen zou verkondigd worden? Ten spijt der wereld zal het Evangelie van Gods Zoon de gehele wereld door worden verkondigd, voor het einde der wereld daar zal zijn. Hoe vijandig de koningen zich daartegen ook verklaren, kan God toch door enige middelen de harten der mensen verlichten en genade geven, opdat Zijn waarheid vrijmoedig onderwezen en aangenomen worde, zoals wij nu in de genoemde landen duidelijk zien, waar tiet nu geoorloofd is het zuivere Woord van God te prediken, en godzalig daarnaar te leven. Zo heeft het de Heere ook behaagd om onze verblinde Nederlanden reeds gedurende enige jaren te verlichten met het licht van Zijn Woord, en over velen, die geruime tijd in de schaduwen des doods gezeten hadden, het licht Zijner kennis te laten schijnen. Waar de valse leringen van de roomse antichrist de beklagenswaardige gewetens zoveel jaren hebben gekweld, is nu het geluid van het goddelijk Woord gehoord, en de waarheid door velen aangenomen.

Wie zou kunnen meedelen, hoe menigeen in deze Nederlanden, die in de kennis van de goddelijke wil onderwezen werd, de pauselijke dwalingen en zijn valse synagoge heeft verlaten? En, ofschoon er ook nu en dan een kruis te dragen viel en vervolgingen ontstonden  om de waarheid, zo is echter daardoor het Woord des Heeren meer en meer aan het licht gekomen, zodat er bij ons geen dorpje te vinden is, waar de bazuin en de prediking van het goddelijke Woord niet is gehoord. Ja, vele geringe, eenvoudige en onwetende lieden, die nauwelijks lezen of schrijven konden, werden in de wetenschap der Heilige Schrift zo begaafd, dat zij de wijste en kundigste leraren der pauselijke schoten gemakkelijk konden overwinnen. Ik zwijg nog van enige vrouwen, maagden en jongelingen, die zulke gaven van allerlei geestelijke kennis ontvingen, dat ieder met recht zich daarover verwonderde.

Daarenboven weerstonden zij vele en velerlei verdrukkingen op mannelijke wijze, en weerstaan die nog dagelijks, zoals men elk ogenblik zien kan. Daarom kunnen wij de Heere onze lieve God nooit genoeg danken, dat Hij zich verwaardigt in deze tijd Zijn aanschijn over onze landen te laten lichten en de groten en kleinen Zijn heiligen wil openbaart. Gelooft moet zijn naam worden tot in eeuwigheid. Amen.

Toen nu het licht der waarheid allerwege in Vlaanderen ontstoken was, en het Woord des Heeren in vele plaatsen en streken van dat land gepredikt werd, zoals reeds overvloedig in dit boek is meegedeeld, en wel niet zonder wrede slachting en bloedvergieting der christenen, begon het vuur van het Evangelie ook te ontbranden te Axel, Hulst en omstreken, waar enige eenvoudige lieden het Woord des Heeren met alle ijver aannamen. Onder anderen was er eenzekere Jan de Grave, geboren te Eckergem, bij Gent, een molenaar van beroep, die te Hulst woonde.

Zie voor uitvoerig verslag: De Molenaar van Heinsdijk en De Reformatie in Noord Vlaanderen, op theologienet.nl.

Niet lang hierna, op Zaterdag namelijk, de 24ste Februari, kwam, op bevel van burgemeester en beambten van Hulster-ambacht, de beul van Antwerpen, Couzijnken genaamd, te Hulst, om het vonnis op de genoemde dag aan de gevangene te voltrekken. Maar, aangezien de burgemeester des Zondags een grote maaltijd wenste te houden, zo had dit ‘s zaterdags, wegens de toebereidselen van de maaltijd, niet plaats, en werd de zaak tot Dinsdag uitgesteld.

Toen nu het feest van Hubrecht Dulle, dat hij met de beambten en anderen twee dagen achtereen in alle dronkenschap en liederlijke overdaad hield, voorbij was, kwam des Dinsdags morgens de schout met zijn dienaren in de gevangenis, om de martelaar naar het rechthuis te brengen.

Toen Jan zag, dat het uur van scheiden daar was, kuste hij zijn medegevangene, nam vriendelijk afscheid van hem, en zei: "Vaarwel mijn broeder, vaarwel; de tijd van mijn opoffering is nabij."

Zodra de dienaren binnen kwamen, bonden zij hem, en leiden hem als een geduldig lam naar het stadhuis, in gezelschap van twee grauwe monniken die hem terstond aanvielen en vroegen, hoe het hem ging.

Jan zei: "De Heere hebbe dank; Hij maakt het goed met mij."

"Maar gelooft gij niet," zeiden zij, "aan de heiligen?”

"Neen," zei Jan, maar ik geloof in de enige, almachtige en eeuwige God, Die hemel en aarde geschapen heeft."

Andermaal vroegen zij: "Gelooft gij niet, dat Christus met vlees en bloed in de mis is?"

"Christus," zei Jan, "is in de hemel, vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden."

Och, arm mens," zeiden zij, "dat gij niet geloven wilt, dat God almachtig is." Zij vroegen en prevelden nog veel meer, niet zonder woede in hun gelaat.

Doch Jan zweeg stil, en hief zijn hart en ogen naar de hemel. Toen nu de pausgezinde Farizeeën en de schriftgeleerden met de schout en beambtenwaren vergaderd, beraadslaagden zij op listige wijze, en geboden de dienaren zich daarnaar stipt te gedragen. Zij bepaalde namelijk, dat zij scherp zouden toeluisteren, en zo er iemand was, die iets ten goede van deze gevangene of uit de Schrift spreken zou, dat zij die, wie hij ook ware, terstond in de gevangenis zouden werpen.

Intussen zocht de schout met zijn dienaren zeer ijverig hout en stro, waarmee de martelaar zou worden verbrand, wat zij nauwelijks vinden konden, daar niemand hun tot dit doel hout of tro wilde verkopen. Eindelijk verscheen er een boer met een vracht hout, die de schout dwong zijn hout op de markt te lossen. Er was echter nog een zwarigheid, want de schout kon niemand krijgen, die een gat in de paal wilde boren, waaraan de lijder zou worden verworgd.

Om het vonnis te kunnen uitvoeren, was de burgemeester verplicht de paal naar een wagenmaker te laten brengen, die verzocht werd er terstond een gat in te boren, omdat, zoals hij zei, het dienen moest om een leuning in een paardenstal te maken.

Terwijl zij bezig waren om toebereidselen te maken, kwam er een zekere Jan Willaerts, brouwer, die aan Jan de Poorter, die ook beambte was, vroeg: "Wat moet hier worden verricht? Moet deze Jan de Grave sterven? Gedurende mijn gehele leven heb ik nooit iets kwaads van hem gehoord of gezien; bovendien spreekt hij niet dan over God."

Daarop antwoordde Antonis Geerlof, die daar tegenwoordig was: "Dat is waar; hij is een onschuldig lam, maar volgens het bevel moet hij sterven."

Jan Willaerts hernam: "Maar zullen de beambten hun vonnis met dit bevel kunnen goed maken? Jan de Poorter hield zich stil, ging terstond naar de beambten van Hulsterambacht, en deelde alles mee, wat de brouwer gezegd had. Terstond werd deze man, op bevel van de beambten, gehaald, en in de gevangenis, die Jan de Grave verlaten had, gezet, waar hij geruime tijd, op zijn eigen kosten en tot zijn verdriet, geduld moest oefenen.

Ziet, aldus werden allen, die de waarheid en de goede gunstig waren, door de wereld beloond.

Ofschoon er geen vrees bestond, verzamelden toch de priesters met de beambten zich in de kerk want de bozen vrezen altijd wegens hun kwaad geweten.

Na geruime tijd, omstreeks twaalf uur des voormiddags, toen de burgemeester en de beambten van Hulsterambacht in de vierschaar zaten, werd de lijder voor hen gebracht, om zijn doodsvonnis te horen. Toen de gevangene daar stond, opende hij vrijmoedig, als door de Heilige Geest versterkt, zijn mond, en vermaande, in het bijzijn van al het volk, dat daar samengekomen was, de heren zeer ernstig, dat zij de zaak goed moesten onderzoeken en een rechtvaardig oordeel vellen zouden, en zei plechtig: "Mijn heren, gij allen moet eens voor de Rechterstoel van Jezus Christus verschijnen, zoals ik heden voor u sta, waar ieder rekenschap zal moeten geven van zijn daden; weest dus voorzichtig in hetgeen gij doet."

De burgemeester viel hem in de rede, en zei spijtig tot hem: "Weet gij anders niets te zeggen?

Wij hebben met wijzere mensen gesproken dan gij bent."

De gevangene hernam: Ziet wel toe, wie gij veroordeelt, en wat gij doet; want ik verklaar u, dat mijn geloof rust op de grond der profeten en apostelen, en ik begeer daarin te leven en te sterven."

"Dit zoekt gij nu," hernam de schout, “het arme volk wijs te maken."

"Welaan dan”, zei de gevangene, "ik heb geen ander geloof; doet naar uw welgevallen."

Naar ouder gewoonte, vermaande de schout de beambten, om het vonnis te vellen en uit te spreken. De burgemeester verklaarde, dat het goed zou zijn over hem en zijn metgezellen uit te spreken, wat de schrijver zou voorlezen. Aldus werd het vonnis op de volgende wijze gelezen:

“Beambten ontvangen hebbende de raad van geleerden, alsook de vele inlichtingen van onze geestelijken, en bovenal van de geloofsrechter van deze streek, hebben bevonden, dat deze Jan de Grave, molenaar, geboren te Eckergem, of hoe hij anders heten mag, een voorstander is van het valse geloof, en zich verklaart tegen ons christelijk geloof, vooral waar deze Jan zegt, dat God niet waarlijk is in de mis in vlees en bloed, dat heiligen in de kerk te plaatsen, ter bedevaart te gaan, afgoderij is, en meer andere verfoeilijke gevoelens tegen ons geloof; zo veroordelen wij hem om te worden verworgd en zijn lichaam verbrand, en daarna aan de paal te worden gesteld op het galgenveld van deze stad; voorts zijn goederen, meubelen, enz, waar die ook gevonden worden, verbeurd te verklaren, ten bate des konings."

Nadat dit vonnis gelezen was, zei de veroordeelde lijder met een verheugd gelaat: Ik dank U, o Heere, mijn God, dat Gij mij waardig hebt geacht voor Uw naam te lijden."

Daarna werd de gevangene naar de beul geleid, die tot hem zei: "Als gij veel wilt praten, dan zal ik u met deze bal de mond stoppen."

De gevangene antwoordde: “Ik zal liever zwijgen."

Maar, beminde lezer, wij moeten hierbij ook niet vergeten de schandelijke daden en handelingen van de pausgezinden, waarbij men hun goddelozen en bloeddorstige aard zeer duidelijk kan zien. Daar de gevangene zich bijzonder met de lezing van het Nieuwe Testament had bezig gehouden, daarin zeer was geoefend, en aan hetzelve zijn twistgesprekken met en tot beschaming van de priesters en de geloofsrechter veel ontleend had, hing de beul, op bevel van de beambten en het inblazen der priesters, de gevangene zijn Testament om de hals, om met hem te worden verbrand. Hieruit ziet men duidelijk, dat de pausgezinden niet alleen de christenen, maar ook Gods Woord zoeken uit te roeien; doch dit zal hun geen van beide gelukken.

Eindelijk werd de lijder, als een onschuldig lam, zeer haastig naar de brandstapel gebracht, die op de markt door de beul gereedgemaakt was. Wie kon zonder tranen aanzien, hoe jammerlijk de gevangene al hinkende naar de brandstapel liep! Hij was toch, zoals wij boven hebben verhaald, zo naar het lichaam verzwakt, wegens de onlijdelijke koude, die hij in de gevangenis verduurd had, dat hij niet lopen kon; en vooral wegens het afvriezen van de tenen zijner voeten.

Toen hij, zo spoedig hij dit hinkende doen kon, naar de strafplaats ging, vermaande bij het volk tot de waarheid, en bad ieder, die door dit licht werd beschenen, in de waarheid te volharden. Hij bad ook voor zijn vijanden, aldus: "O lieve barmhartige en hemelse Vader, vergeef het toch mijn vervolgers, wat zij mij aandoen voor uw goddelijke naam! O God, verlicht hen met de ware kennis van Uw Woord!"

De schout reed te paard als een briesende leeuw, opdat hij zijn woede te beter zon tonen, en riep op bittere wijze tot de lijder: “Men heeft het u dikwerf genoeg gezegd." De martelaar zei: "O mensen, dit geschiedt voor de waarheid. Ik bid u, blijft toch in de waarheid!"

De schout kon de grote vrijmoedigheid van de lijder niet verdragen, en schreeuwde tot de beul: “Haast u, haast u, doe uw dingen."

De gevangene ging zelf in de hut, plaatste zich vrijwillig aan de paal, en vroeg bovendien of hij goed stond.

“Ja Jan," zei de beul, "gij staat goed," en deed hem een strop om de hals. Toen de gevangene aan de paal stond, riep hij niet luide stem

"O Heere God, o hemelse Vader, ontferm u over mij! O barmhartige Vader, ontvang mijn geest!"

Aldus ontsliep deze vrome getuige van Christus, terwijl bij de naam des Heeren aanriep, in de Heere, en bezegelde met zijn bloed de belijdenis zijns geloofs, op de 27e Februari 1565.

Nadat deze godzalige martelaar zich had opgeofferd, gingen de beambten, met enige pausgezinden, zich verlustigen ten huize van Hubrecht Dolle, hun burgemeester, waar zij zich als dieren aan het overmatig gebruik van spijs en drank overgaven. De burgemeester was met het bloed van deze martelaar nog niet verzadigd, maar braakte onder deze goddeloze hoop vele hoogmoedige woorden tegen God en Zijn Woord uit, en blaasde dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren.

Maar de Heere, die het bloed van zijn heiligen kan wreken, liet de dood van zijn dienaar niet lang ongewroken aan de bloeddorstige burgemeester. Op zekere tijd namelijk, en wel op de 7e Augustus, toen de genoemde burgemeester fris en gezond van Antwerpen, waar hij een zilveren schaal met drinken gewonnen had, te paard naar huis keerde, werd hij onderweg van de spraak beroofd, en stierf op de 10e van genoemde maand, op St. Laurensdag.

Aldus eindigde deze bloeddorstige tiran zijn leven, niet zonder opmerkelijke bestraffing des Heeren. Men zei, dat hij zulk een verklaard vijand van het Evangelie was, dat hij daarvan geen woord horen of verdragen kon. Ja, hij zei, dat het zonde was tegen zulke christenen één woord te spreken. In één woord, op de dag voor hij sprakeloos was, sprak hij vreselijke bedreigingen jegens enige vervolgde christenen uit, en zei, dat hij hen doden zou. Doch de Heere verhinderde zijn goddeloos voornemen. Hem zij lof tot in de eeuwigheid!

Over Adriaan van Haemstede:
http:// nl.wikisage.org/wiki/ Adriaan_van_Haemstede

Literatuur

Archieven
Stadsarchief Gent, Reeks 330 (Wezenboeken), 7, 48 v°
Archief OCMW-Gent, nr 105-672, jaar 1687 (figuratieve kaart)
Rijksarchief Gent, Notariaat 639, nr. 433. Akte van notaris Laurentius Albertus Wallez te Gent, 19 augustus 1782.
Rijksarchief Gent, F758, nr. 1609-14. Akte van notaris Francies Constantin d'Haese te Ledeberg, 27 september 1800.

Gedrukte bronnen
Gazette van Gend, 14.02.1780.
Gazette van Gend, 20 juni & 1 juli 1782.

Werken
Luc Van Durme, "Inventaris van de namen van de middeleeuwse Gentse windmolens", Molenecho's, XL, 2012, 1, p. 28-36.
Luc Van Durme, "Klapwiekend vrouwvolk in het middeleeuwse Gent", in: "Voor Magda: artikelen voor Magda Devos bij haar afscheid van de Universiteit Gent", Gent, Academia Press, 2010, p. 705-718.
Bart Veeckmans, "De brouwerij Colle en zijn voorgangers in de Veerstraat", Heemkundige Kring Dronghine (Drongen), Jaarboek 36 (2017), p. 117-216.
Paul Huys, "Over de naamgeving van windmolens. Volkskunde in Vlaanderen. Huldeboek Renaat van der Linden". Brugge, 1984.
Paul Huys, "Molen en molenaar te kijk gesteld. Molinologische opstellen II", Gent, 1996.
Noël Kerckhaert, "Oude Oostvlaamse huisnamen", Kultureel Jaarboek voor de Provincie Oost-Vlaanderen, nrs 4, 16, 21, 32, 34, 37 (1977, 1981,1983,1990,1991,1993).
"Reformatie in Vlaanderen. Episoden uit de opkomst en ondergang van de Reformatie in Vlaanderen", Middelburg, Stichting de Gihonbron, 2005.
C.G. Montijn (predikant te Mechelen en te Utrecht), "De geschiedenis van de Hervorming in de Nederlanden", Arnhem, 1868.
Johan Decavele, "De eerste protestanten in de Lage Landen. Geloof en heldenmoed", Leuvenn Davidsfonds /Zwolle, Waanders, 2004. (Hoofdstuk: "Protestantisme in Noord-Vlaanderen  Gereformeerden in Axel, Hulst en Eeklo).
"Duizend jaar Ekkergem", Gent, 1974.
"De Coupure in Gent. Scheiding en verbinding", Gent, Academia Press, 2009.
"Inventaris van de wind- en watermolens in de provincie Oost-Vlaanderen naar gegevens van het Archief van het Kadaster. De arrondissementen Eeklo en Gent", in: Kultureel Jaarboek voor de provincie Oost-Vlaanderen, XV, 1961, 2 (Gent, 1962).
Herman Holemans, "Oostvlaamse wind- en watermolens. Kadastergegevens 1835-1990. Deel 3. Gemeenten G-H-I", Rotem, Studiekring Ons Molenheem, 2000.
L. De Wilde, "Onze Windmolens" (waarin: "2. De windmolens te Gent"), De Belgische Molenaar, 48ste jg., nr. 13/14, 5 juni 1953, s.p.
J. Winnepenninckx, "Rond het graven van de Coupure te Gent", p. 115-151 (125).

Stuur uw teksten over deze molen  | 
Stuur uw foto's van deze molen
  
Laatst bijgewerkt: dinsdag 7 november 2017

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in database zoek op provincie Stuur een algemene e-mail over molens vorige pagina Home pagina Naar bestaande molens