Molenzorg
Groot-Bijgaarden (Dilbeek), Vlaams-Brabant

Verzameling Ons Molenheem
Collectie
Verdwenen Belgische Molens
Naam

Abdijmolen (watermolen)
Kloostermolen

Ligging
Hendrik Placestraat
1702 Groot-Bijgaarden (Dilbeek)

tegen de visvijver
oostelijke hoek van de Abdij van Sint-Wivina


toon op kaart
Type
Watermolen
Functie
Korenmolen
Gebouwd
voor 1477
Verdwenen
1944
Beschrijving / geschiedenis

De abdij van Sint-Wivina bezat in Groot-Bijgaarden zowel een wind- en een watermolen, die beiden gekend waren als de Abdijmolen. De windmolen, die voor het eerst werd vermeld in 1331, stond buiten de abdij op de Molenberg. De watermolen stond in de meest oostelijke hoek, aan de Hendrik Placestraat tegen de visvijver.

Van de watermolen, die ook Kloostermolen werd genoemd (naar het latere klooster van de Benedictinessen), duikt een eerste spoor op in 1477. De toenmalige molenaar Laureys Cleeren, die toen eveneens de windmolen van de abdij pachtte, diende volgens de pachtovereenkomst wekelijks al het brood te bakken voor de abdij, zowel het brood voor de kloosterlingen, voor de gasten als voor de armen. De molen viel stil in het begin van de 20ste eeuw.

Molenaar in 1477 was Laureys Cleeren, die toen eveneens de watermolen van de abdij pachtte. Hij diende volgens de pachtovereenkomst wekelijks al het brood te bakken voor de abdij, zowel het brood voor de kloosterlingen, voor de gasten als voor de armen.

Beide molens werden in 1477 verhuurd aan Laureys Cleeren fs Jans, voor 12 jaar, aan volgende voorwaarden: Laureys zou jaarlijks betalen 18 mudden rogge en 9 mudden “koventscoren”. Dit was het graan voor het brood van  de kloostergemeente. De pachtbrief bespreekt dit als volgt: “de twee derdendeel van koventscoren tarwe ende dander derdendeel rogge”. Daarbij komen, als pacht, het leveren van 12 veertelen zemelen (De pacht bedroeg ongeveer 52 HL rogge, 26 HL “Kloosterkoren”, 1 ½ HL zemelen). De mulder moet verder de molens onderhouden “van zeile ende van smeere”, de windmolen “wel ende lovelic bewaeren ende hueden van tempeste die daer op gevallen mochte”. Hij moet, in geval van schade, deze vergoeden. Op het einde van zijn termijn moet hij de windmolen laten “de zeylen weert zijnde 26 schellingen gr. Brabants”, en op de molen laten “15 beelen, een ijseren hantboem, twee cuypen deen met ijsere banden, twee molochter beetkenen (dit woord is, bij mijn weten, in geen enkel lexicon te vinden, zoals overigens vele, verouderde woorden van technische aard), een prangnagel”. Maar in de pacht der molens was ook begrepen de last van bakker te spelen voor het convent. De mulder moest, volgens zijn pachtbrief, alle weken bakken “alsoe vele koventsbroets” (kloosterbroden) als ’t klooster er nodig heeft. Het graan wordt hem op de spijker van ’t klooster geleverd; hij zal het “doir een cleyne buydel moeten buydelen” en, van elk sister koventscoren, 22 “koventsbroets” bakken, “daeraf elc broot wegen sal in deege driepont”. Ook alle weken zal hij bakken “alsoe vele gastbroets (brood voor de gasten) als noedig”. De rogge die hem door het klooster geleverd wordt zal hij “doer een groeven buydel buydelen”, en van elk sister, 24 broden bakken, elk brood wegende “in deege” drie pond. Eindelijk zal hij alle weken bakken “alsoe vele deylbroets (deelbrood) als men int cloester behoeven sal om den arme om Gode te geven… te weten uut elk sister rocx dat men hem op te spiker leveren sal, ende dat hij ongebuydelt backen sal, 32 broeden, elc broet daeraf weghende in deege 3 pont”. Laureys zal het brood moeten bakken “op een proeve die men te Brussel proeven sal”; en het brood zal in de bakkerij gewogen worden door een aangestelde persoon. Einde pacht moet hij in de “beckerie” laten: “2 buydelkisten, 3 moeldie, eene ijseren pale, een ijsere stoockgaffle ende een ijseren stopsel”.

Rond 1934 werd er in het molengebouw een waterturbine geplaatst voor het opwekken van elektriciteit. De watermolen verdween in 1944, maar er zijn nog resten aanwezig.

Frans RINGOOT & Paul LINDEMANS

Bijlagen

Paul Lindemans, "De Kloostermolens van Groot-Bijgaarden in 1477. Bijdragen tot de Geschiedenis der Brabantsche Molens", in: Eigen Schoon en De Brabander,XXI, 1938, 2-3, 1938, p. 104-105.

De abdij bezat een watermolen binnen, en een windmolen buiten het klooster. Deze laatste, dicht bij het klooster, is pas enkele jaren geleden, afgebroken (De molen staat afgebeeld in A. Cosyn, Grand-Bigard, bl. 30).

Beide molens werden in 1477 verhuurd aan Laureys Cleeren fs Jans, voor 12 jaar, aan volgende voorwaarden: Laureys zou jaarlijks betalen 18 mudden rogge en 9 mudden “koventscoren”. Dit was het graan voor het brood van de kloostergemeente. De pachtbrief bespreekt dit als volgt: “de twee derdendeel van koventscoren tarwe ende dander derdendeel rogge”. Daarbij komen, als pacht, het leveren van 12 veertelen zemelen (De pacht bedroeg ongeveer 52 HL rogge, 26 HL “Kloosterkoren”, 1 ½ HL zemelen). De mulder moet verder de molens onderhouden “van zeile ende van smeere”, de windmolen “wel ende lovelic bewaeren ende hueden van tempeste die daer op gevallen mochte”. Hij moet, in geval van schade, deze vergoeden. Op het einde van zijn termijn moet hij de windmolen laten “de zeylen weert zijnde 26 schellingen gr. Brabants”, en op de molen laten “15 beelen, een ijseren hantboem, twee cuypen deen met ijsere banden, twee molochter beetkenen (dit woord is, bij mijn weten, in geen enkel lexicon te vinden, zoals overigens vele, verouderde woorden van technische aard), een prangnagel”.
Maar in de pacht der molens was ook begrepen de last van bakker te spelen voor het convent. De mulder moest, volgens zijn pachtbrief, alle weken bakken “alsoe vele koventsbroets” (kloosterbroden) als ’t klooster er nodig heeft. Het graan wordt hem op de spijker van ’t klooster geleverd; hij zal het “doir een cleyne buydel moeten buydelen” en, van elk sister koventscoren, 22 “koventsbroets” bakken, “daeraf elc broot wegen sal in deege driepont”. Ook alle weken zal hij bakken “alsoe vele gastbroets (brood voor de gasten) als noedig”. De rogge die hem door het klooster geleverd wordt zal hij “doer een groeven buydel buydelen”, en van elk sister, 24 broden bakken, elk brood wegende “in deege” drie pond. Eindelijk zal hij alle weken bakken “alsoe vele deylbroets (deelbrood) als men int cloester behoeven sal om den arme om Gode te geven… te weten uut elk sister rocx dat men hem op te spiker leveren sal, ende dat hij ongebuydelt backen sal, 32 broeden, elc broet daeraf weghende in deege 3 pont”.
Laureys zal het brood moeten bakken “op een proeve die men te Brussel proeven sal”; en het brood zal in de bakkerij gewogen worden door een aangestelde persoon.
Einde pacht moet hij in de “beckerie” laten: “2 buydelkisten, 3 moeldie, eene ijseren pale, een ijsere stoockgaffle ende een ijseren stopsel”.

(Rijksarchief Brussel; Kerkelijk archief, nr. 8078)        

--------------

Erwin Octaaf D'hoe, "De watermolen van Wolsem", Eigen Schoon en de Brabander, 88ste jg., 2005, 1, p. 23-27.

Naast het bestaan van twee graanwindmolens heeft Dilbeek ook een graanwatermolen gekend. Eerst cijnsplichtig later kadastraal behoorde hij tot Dilbeek. De molenaar echter was inwoner van Groot-Bijgaarden in het molenhuis dat stond aan de Kloosterstraat buiten de kloostermuur. Zowel molen als molenhuis waren tijdens het ancien  regime eigendom van de Sint-Wivinaabdij, waarvan de opname bij de koorzusters was voorbehouden aan dames van adellijke afkomst. De molen maakte deel uit van het kloostercom­plex binnen  de muur. Hij stond aan de loop vande Molenbeek ende Maelvijver  ook  Voorvijver genoemd, aan de scheidingslijn met Dilbeek en vlak  tegen de huidige Hendrik Placestraat. Het was de eerste watermolen vanaf de bron die te Dilbeek ontspringt en te Teralfene in de Dender vloeit. Vermoedelijk dateert hij uit de beginperiode van het klooster, dat werd gesticht  in 1129 en in 1548 tot abdij werd verheven. Oudst gekende molenaar is Laureys Cleeren. Deze familienaam ontmoeten we tijdens de 16e eeuw in de streek  van Liedekerke.

Het klooster bezat op het grondgebied van Groot-Bijgaarden en buiten de muur ook een graanwindmolen op de nabijgelegen Molenberg. Beide molens werden in 1477 voor twaalf jaar  ver­huurd aan voornoemde Laureys Cleeren filius Jans aan bepaalde voorwaarden. Jaarlijks moest bij 18 mudden rogge en 9 mudden 'koventscoren' betalen. Dit  was graan bestemd voor brood  van de kloostergemeenschap. De  pachtbrief geeft dit  als volgt aan: twee derde  an covenstcoren tarwe, het overige derde  deel rogge, daarboven als  pacht  het leveren van 12veertelen zemelen. De pacht bedroeg  ongeveer 52 hl. rogge, 26 hl. kloosterkoren, 1 ,5 hl zemelen. De mulder moet zelf de molen onderhouden en alle weken bakken  'alsoe vele coventsbroets (kloosterbroden) als 't klooster er noodig heeft'. Het graan  wordt  hem 'den spijker' van 't klooster geleverd, en zal het 'doir een cleyne  buydel moetenbuydelen' en van elk sister coventscoren 22 'coventsbroets' bakken 'daeraf elc broet wegen sal in deege driepont'. Ook moest  bij alle weken bakken  'alsoe vele gastbraets (brood voor de gasten) als noedig'. De rogge  die hem door het klooster geleverd  wordt  zal hij 'doe r een groeven  buydel buydelen', en van elk sister 24 broden bakken, elk brood wegende 'in deege' drie pond. Eindelijk moest hij alle weken bakken  'alsoe vele deylbroets (deel brood) als men int teloester  behoeven sal om den arme om Gode te geven ... te weten met elk sister rocx dat men hem op den spiker leveren sal, ende dat hij ongebuydelt baeken sal, 32 broeden elc broet daeraf weghende in deege 3 pont'. Laureys moest het brood bakken op een proeve die men te Brussel proeven sa!, en het brood zal in de bakkerij gewogen worden door een daartoe aangesteld  persoon. Op het einde van zijn pacht moest hij in de 'beckerie' laten: '2 buydelkisten, 3 moeldie, eene yseren pale, een ysere stoockgaffle, ende een yseren stopsel'.

In onderhavige lijst geven we een chronologisch overzicht van de belangrijkste gegevens uit de molengeschiedenis:

1477 - eerste vermelding (pachtcontract)
1550 - in de watermolen gemaeckt een nieuw rat
1643 - is den nieuwen waetermolen int dooster gemaeckt
1644 - waepen ... van den nieuwen molen betaelt
1652 - een nieuw ra aenden waetermolen
        - van den waetermolen voor vreemdelingheri ontf. 78-17-3
1654 - eenen molensteen tot den waetermolen gecocht
1658 - inne comen van beyde de molens van tclooster 446-8 112 113 voor vreemdelinge gemaekt
1660 - aen den vijver bij den waetermolen  groote reparatien gedaan o
        - van beyde de molens 633-14
1661 - van beyde de molens 754-5
1671 - innecomen van 2 molens 304-3

In de bedezetting van 1686 staat 'eenen watermolen aan 100 gulden'.

De zetting van 1765 geeft 'den watermolen gerapporteert op 100 guldens waer aen gekort 114 betaelt 75 guldens...

In 1788 staat bij onder nummer 49 aan 3 gulden 15 stuyver. In 1795 werd op de molen geen bede betaald.

In 1796 - 'Item de watermolen  is in het voorgeroert cohier over­gebragt  ter weerde van ft I00 hier aen gekort 114 blijft fi75 dus betaelt in 5114 XXste penningen 19-13-31.

Omstreeks 1796-1799 staat in een kadastraal register onder het nummer 309: 'Jacidt. abbaye de Gd; Begard, moulin a Eau, nr° 54, Ev(alué): a 130,50 fes. Het nummer 54 is het volgnummer van de gebouwen .

Enige tijd later werd de molen samen met de abdijgoederen aan­geslagen door de Franse overheid. Twee-derden van de eigendom werd verkocht aan Jean-Claude Bourd on uit Parijs, het overige aan Lupart-Belval uit Brussel. In 1808 werd de Parijzenaar Em­manuel Desferriere eigenaarvan al deze goederen waaronder de molen. Landmeter Grieteos vermeldt  hem nog onder het oude kadastrale nummer sektie A 24 op 1,26 are. Nummer 24 is een vijver van 3,0954 ha, nummer 25 een vijver van 2,38 ha, nummer 26 een reservoir (spaarbekken ) van 15,53 are, nummer 27 een vijver van 3,0625 ha. Toen de familie Dansaert-Krain in 1816 in het bezit kwam van het abdijcomplex werden enkele gebouwen afgebroken waaronder de water molen. Volgens het kadaster van 1837 was hij verdwenen. Vermelden we nog dat in 1701-02 de Maelbeke gekuist werd aan 10 stuivers daags, en dat in 1733-1736 de watermolen gerepareerd werd.

De Abdijgebouwen in het Kaartboek van de abdij te Groot-Bijgaarden door Joos de Deken in 1734 met A de watermolen en B het molenhuis

Volgens de Broeders der Christelijke scholen, die het complex in 1897 aankochten van mevrouw weduwe Mention, stond de vijver met een sluis in verbinding met de beek. De waterval van de molen zou ongeveer drie meter verval hebben gehad en zou een zeven tal jaren zwakke  stroom geleverd  hebben. Het  rad  verdween tijdens de eerste wereldoorlog en werd vervangen door een turbine, die aan het klooster (rust-en novicenhuis en lagere school) elektriciteit leverde tot 1944-45. Toen zou hij afgebroken zijn.

De molenaars:

1477 - Laureys Cleeren filius Jans
Op 10 december 1650 wordt Philips Geens 'voor molder aetweert ende helpen baeken ende brouwen'.
1659 - den molder Geens wint tjaers voorop de twee molens te mael en 100-0 guldens

In 1718  betaald Francais Geen(t)s 'over synen watermolen' 1.5 guldens. Hij overleed te Groot-Bijgaarden 6 juni 1731 op 61-jarige leeftijd als 'molitor huius pagi'. Vermoedelijk was hij de zoon van Philip hogergenoemd.

In deze periode woonde te Groot-Bijgaarden nog het gezin Ju­docus Geens  - Elisabeth Van Schuerbeeek gehuwd  12 februari 1707, ouders van 9 kinderen te Groot-Bijgaarden gedoopt. Daar zij nergens vermeld staan als molenaars durven we hen niet in onze lijst opnemen.

De familie Van Roy

Petrus Van Roy, geboren te Steenhuffel 4 maart 1704 overleden Groot-Bijgaarden 19 april 1768 als molitor, zoon van Egidius en Anna De Boeck, huwde te Groot-Bijgaarden op 9 september 1731 met Maria (Anna) G(h)eens, geboren omstreeks 1703, overleden Groot-Bijgaarden 14 maart 1740, mogelijk dochter van Franciscus voornoemd. Zij hadden zes kinderen te Groot-Bijgaarden geboren waar­onder een toekomstig molenaar. Peeter hertrouwde te Baardegem op 17 december 1740 met Elisabeth Maes (dochter van molenaar Petrus Maes en van Elisbeth Verhasselt), geboren Baardegem 20 juli 1718 en overleden Groot-Bijgaarden 3 oktober 1 802, waarvan negen kinderen  te Groot-Bijgaarden geboren. Volgens het kaart­ boek van de abdij in 1734 was Peeter  mulder en huurde hij ook nog land in de nabijheid .

nr 12: Eene behuisde hofstede genoemd het molenhuis, paalt N.O. het voorbende stuk, O.Z. de korte, en Z.W  de lange kloos­terstraat, W. N. groot  1.1.0. roeden

In de telling van 1747 lezen we: Peeter Van Roy, molder ende Elisabeth Maes syne huysvrouwe kint boven de 7 jaer knecht 2, meyse I koyen 2, calfT I, runt 1, viggenen 2 schouwe met hovenhast 3 moolen die bij verclaert te hueren. Petrus werd opgevolgd door zijn zoon Judocus Van Roy, geboren 7 aprill 747 er overleden 11 januari 1819, gehuwd met Elisabeth Itterbeeck.

Aanvullende bronnenlijst  bij deel I
Parochieregisters Groot-Bijgaarden
Bedezetting  Dilbeek 1765, kerk. arch. Algemeen Rijksarchief, suppl. nr. 33.888
Telling Groot-Bijgaarden 1747, Haard- en hoofdtellingen, uitgave van  VVF-na­tionaal  en VVF-Dilbeek 2000
Gemeentearchief Dilbeek, kadastraal register 1796-99
ESB, 1939, XX I jg., De kloostermolens van Groot-Bijgaarden i n 1 477.
De Galm  2e jg. nr 19, 10 mei 1947. De molens uit onze streek. De molens van Groot-Bijgaarden.
Artbur COSYN, Grand-Bigard, notice descriptive, Touring Club de Belgique, 1910, 1e ed..
Brochure ter gelegenheid van 200 jaar St.-Egidiuskerk te Groot-Bijgaarden 1974.
Monumentenmap 1997.

Met bijzondere dank aan de heer Roland Vermeiren uit Groot-Bijgaarden.

Erwin Octaaf D'hoe                    

Literatuur

Algemeen Rijksarchief Brussel, Kerkelijk archief, nr. 8078 (verpachting uit 1477)
Archief Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, dossiers Sint-Wivina-abdij.
Archief Onroerend Erfgoed Vlaams-Brabant, Archief Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, Dilbeek, Sint-Wivina-abdij Groot-Bijgaaarden.
Kadasterarchief Vlaams-Brabant, mutatieschetsen Dilbeek, afdeling IV (Groot-Bijgaarden), 1865/9, 1891/3, 1895/4, 1899/4, 1901/33, 1902/8, 1903/8, 1909/7, 1928/22, 1929/30, 1941/18, 1952/25, 1959/25 en 1966/30.
Paul Lindemans, "De Kloostermolens van Groot-Bijgaarden in 1477. Bijdragen tot de Geschiedenis der Brabantsche Molens", in: Eigen Schoon en De Brabander,XXI, 1938, 2-3, 1938, p. 104-105.
Jan Delcour, De Kloostermolen van Groot-Bijgaarden, in: Levende Molens, XXII, 2000, p. 127.
Herman Holemans, Kadastergegevens: 1835-1985. Brabantse wind- en watermolens. Deel 2: arrondissement Halle-Vilvoorde (A-L), Kinrooi, Studiekring Ons Molenheem", 1991.
M.A. Duwaerts e.a., De molens in Brabant, Brussel, Dienst voor Geschiedkundige en Folkloristische Opzoekingen van de Provincie Brabant, 1961.
Beeckmans R., 1897-1997. Honderd jaar Broeders van de Christelijke Scholen in Groot-Bijgaarden, Groot-Bijgaarden, 1997.
Berliere U., Monasticon Belge, Tome IV, Province de Brabant, Premier Volume, Luik, 1964, p. 219-242.
Cockx R., Het benedictinessenklooster van Groot-Bijgaarden: van priorij tot abdij (1381-1548), onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, 1989.
Coqyn A., Grand-Bigard. Notice Descriptive, Brussel, 1910.
Van Liedekerke M., Het Sint-Wivinaklooster, Monumentenmap uitgegeven door het gemeentebestuur van Dilbeek naar aanleiding van Open Monumentendag op zondag 14 september 1997, Dilbeek, 1997.
De Neef J., Het domeinbeheer van de abdij van Groot-Bijgaarden, onuitgegeven licentiaatsverhandeling Universiteit Gent, 2008.
Deneeff R. & Wijnant J., Dilbeek (Groot-Bijgaarden): Sint-Wivinaklooster, In: Deneef R. (red.) 2005: Historische tuinen en parken van Vlaanderen, Inventaris Vlaams-Brabant, Pajottenland - zuidwesten van Vlaams Brabant, M&L Cahier, 11, Brussel, 2005, p. 68-76.
Giraud P., L’histoire de Wivine et de ses compagnes, Brabant Tourisme, 10, 1965, p. 28-30.
Godding-Ganshof F., Le Prieuré de Grand-Bigrd depuis sa fondation jusqu’en 1381, Société Royale d’Archeologie de Bruxelles. Annales, 48, 19481955, p. 9-70.
Guyot G., L’abbaye de Grand-Bigard, Brabant, 4, 1973, 8-17.
Huysentruyt A., De monialen van Groot-Bijgaarden tot de 14de eeuw, volgens nekrologie, Eigen Schoon en de Brabander, 71, 1988, 1-3, p. 32-48.
Huysentruyt A., De heilige Wivina van Groot-Bijgaarden volgens dokumenten uit de XIIde eeuw, Eigen Schoon en de Brabander, 72, 1989, 7-9, p. 327-328.
Lindemans P., De Pachthoven van de Abdij Groot-Bijgaarden, Eigen Schoon en de Brabander, 25, 1942, p. 97-110.
Palmaerts R., Bouwkundige archeologische studie der voormalige abdijkerk der edele Dames van Benedictus te Groot-Bijgaarden, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, 1946.
Platteau A., Schouppe L., Poortgebouw en priesterhuis van de voormalige abdij van Groot-Bijgaarden. Voorbereidend onderzoek tot het samenstellen van een restauratiedossier, Verhandeling voorgelegd tot het behalen van de Graad van architect aan het Sint-Lukas Hoger Architectuurinstituut te Brussel, 1983.
Scheir O. & Braat J., Groot-Bijgaarden, Hendrik Placestraat 45, Het Sint-Wivinaklooster. Studie van de buitenruimtes, onuitgegeven verhandeling opleiding Monumenten en Landschapszorg Antwerpen, 2002.
s.n., Simples notes sur Dilbeek, Anderlecht et Schepdaal, Luik, 1895.
s.n., Sainte Wivine Vierge. Fondatrice et première supérieure de l'abbaye Bénédictine de Grand Bigard, Luik, 1931.
s.n., Het Sint-Wivinaklooster van Groot-Bijgaarden in het verleden, 1950, z.p.
s.n., Huiskroniek van het Sint-Wivinaklooster 1897-1964 Groot-Bijgaarden, 1965, z.p.
Van Belle J.L., Signes Lapidaires. Nouveau dictionnaire Belgique et Nord de la France, s.l., 1994, p. 260.
Van Bellingen S., Middeleeuwse en postmiddeleeuwse vloertegels uit de voormalige priorijkerk van Groot-Bijgaarden (gem. Dilbeek, prov. Vlaams-Brabant), Ons Graafschap. Jaarboek van de Geschied- en Heemkundige Kring van het Graafschap Jette en Omgeving vzw, 27, 2000, p. 46-69.
Van Gele A. (red.), Le Brabant en Images. Illustrations de Ad. Hamesse, Alf. Ronner, Henry Cassiers, E. Puttaert, Tichon et Dedoncker, Brussel, 1901.
Coomans Th., De Pauw, Karel-Lodewijk (broeder Marès-Joseph), in: VAN LOO A.(red.) 2003: Repertorium van de architectuur in België van 1830 tot heden, Antwerpen, 2003, p. 258-259.
Verbesselt J., Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13e eeuw, deel VI, Tussen Zenne en Dender V, Geschied- en Oudheidkundig Genootschap van Vlaams-Brabant, Pittem, 1967,p. 53-123.
Wauters A., Histoire des environs de Bruxelles, Description historique des localités qui formaient autrefois l'Ammanie de cette ville, deel 3A, Brussel, 1971 (heruitgave van 1855), 116-137.
Werkgroep Pajottenland 2007, Pajottenland. Een land om lief te hebben, Lennik, 2007, p. 81-84, 87-89.
Mededeling Wim van der Elst, Laken, 21.10.2013.
Erwin Octaaf D'hoe, "De watermolen van Wolsem", Eigen Schoon en de Brabander, 88ste jg., 2005, 1, p. 23-27.
Vermeulen S. (red.) Verdwenen Dilbeekse molens, Monumentenmap uitgegeven door het gemeentebestuur van Dilbeek naar aanleiding van Open Monumentendag op zondag 12 september 2010, Dilbeek, 2010.


Stuur uw teksten over deze molen  | 
Stuur uw foto's van deze molen
  
Laatst bijgewerkt: maandag 25 november 2013

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in database zoek op provincie Stuur een algemene e-mail over molens vorige pagina Home pagina Naar bestaande molens