Molenzorg

Gent, Oost-Vlaanderen


Algemeen
Collectie
Verdwenen Belgische Molens
Naam

Grootken
Grootje
Grootjen
Grootjemolen
Grietjen

Ligging
Bevrijdingslaan 59
9000 Gent

zuidwestzijde
Rooigem
buiten de Waalpoort of Brugsepoort
kadasterperceel K638


toon op kaart
Type
Staakmolen, later stenen windmolen
Functie
Oliemolen, korenmolen
Gebouwd
voor 1433 / voor 1830
Verdwenen
1871, sloop
Beschrijving / geschiedenis

Het Grootken was een houten korenwindmolen buiten de Waalpoort, aan de zuidwestzijde van de huidige Bevrijdingslaan (nr. 59) op Rooigem, die voor 1433 werd opgericht.

Vermelding
1459: "van eender moelne gheheten grotkin staende buuter waelpoorte" (Stadsarchief Gent, 301/45, 75 v°). 

Tot bij zijn ongehuwd overlijden op 18 februari 1754 behoorde de molen toe aan Hendrick Blancquaert. Hierop gebeurde de overdracht bij akte van notaris François Joseph Moreeuw te Gent van 25 februari 1754 aan zijn zussen Anne Marie en Joanne Ferdinandine Blanquaert, geestelijke dochters te Gent. Deze verkochten de oude oliewindmolen bij akte van notaris Leopoldus De Sadeleere te Gent van 8 mei 1758 aan hun broer Joannes Blanckaert.

Joannes Blanckaert bekwam in 1763 het octrooi om een Gentse oliemolen buiten de beide Saspoorten om te vormen in een korenmolen. Dit kwam evenwel niet tot uitvoering. Bij akte van 6 augustus 1766 werd hem toegestaan om een andere oliemolen, met name molen het Grootjen buiten de Brugsepoort, om te vormen in een graanmolen ("pour transferer les facultés lui accordées par l 'octroi de 1763"). Bovendien kreeg Jan Blancquaert dan ook de toestemming om molen het Grootjen te verplaatsen, omdat hij op een hoge wal was gebouwd "au'on ne peut monter que très difficilement". Evenwel liet de uitvoering op zich wachten. De huurder-molenaar wilde namelijk niet weten van deze omvorming. En aangezien deze omvorming niet binnen het jaar gebeurde en hij moeilijheden vreesde met het molenaarsgilde van Gent, diende hij een nieuwe toestemming te vragen, hetgeen gebeurde bij akte van 24 januari 1770. 

Joannes Blanckaert verkocht bij akte van notaris Leopoldus De Sadeleere te Gent van 16 februari 1770 aan Joannes Franciscus Van Dooreseele een oliewindmolen genaamd "het Grootjen" en een oliehuisje met alle afhankelijkheden alsmede een klein stukje land, gelegen buiten de Brugsepoort binnen het vrije der stad Gent genaamd Rooigem. De verkoop gebeurde op uitdrukkelijke voorwaarde dat Joannes Van Dooreseele deze oliewindmolen zou veranderen en hertimmeren tot een graanwindmolen, conform het bekomen octrooi van 6 augustus 1766 en het oliehuisje zou verbouwen tot een bekwame woonst. 

Joannes Franciscus Van Dooreseele werd geboren in Gentbrugge op 12 april 1734, als zoon van Cyrillus Van Dooreseele (+Gentbrugge, 15 april 1760), eigenaar van een korenwindmolen in Gentbrugge en Maria De Buck. Joannes Franciscus werd op  3 februari 1762 als vrije molenaar in het Gentse poortersboek ingeschreven. Hij huwde te Gent op 11 augustus 1763 met Maria Josepha Soutenaire, geboren in het Henegouwse Gages op 26 februari 1734 en als poorter ingeschreven op 6 april 1763.

Zijn zus was Maria Anna Van Dooreseele. Zij huwde op 3 oktober 1750 met Joannes Baptist Maeseele (°Wannegem, 10 september 1720). Het koppel verhuisde naar Chercq (provincie Henegouwen, nabij Doornik). Joannes Baptiste Maeseele overleed aldaar op 7 december 1773. Vervolgens vertrok de weduwe, Maria Anna Van Dooreseele, met haar kinderen naar de wijk Rooigem in Gent, waar zij op 5 januari 1791 overleed. Minstens één van haar zonen, Amandus Josephus Maeseele, ging als molenaarsknecht werken op molen "het Grootjen" bij zijn maternele oom, Joannes Franciscus Van Dooreseele. Amandus Josephus Maeseele, werd geboren in de Henegouwse gemeente Chercq nabij Doornik op 15 november 1758. Zijn zoon Petrus Josephus Maeseele (° Gent, 25 juli 1798) huwde te Gent op 7 juni 1827 met Coleta Josepha De Ronne, het enige overgebleven kind uit het tweede huwelijk van Petrus Marinus De Ronne.

Joannes Franciscus Van Dooreseele overleed te Gent op 21 februari 1778. Zijn weduwe, Maria Josepha Scutenaire, hertrouwde te Gent op 8 september 1778 met Petrus Livinus D'hondt, geboren te Melle op 6 januari 1749, zoon van Arnoldus D'hondt, schepen van Melle (+1782) en Maria Weytens (+1762). Hij nam de uitbating van de molen "het Grootjen" over. Maria Josepha Scutenaire overleed te Gent op 14 februari 1802 op de leeftijd van 68 jaar. Petrus Livinus D'hondt hertrouwde te Gent op 12 juni 1802 met Anne Josèphe Scardy, geboren te Lessines op 6 december 1750. Deze laatste overleed te Gent op 19 februari 1811 zodat Petrus Livinus D'hondt voor een tweede keer weduwnaar werd. Het jaar nadien gaf hij het muldersbedrijf op. Bji akte van notaris Dominique Raman te Gent van 24 augustus 1812 verkocht hij de molen "het Grootjen" en twee ernaast liggende huizen aan Amandus Josephus Maeseele, oomzegger van Joannes Franciscus Van Dooreseele. Petrus Livinus D'hondt keerde terug naar zijn geboortedorp Melle, waar hij op 22 april 1831 op de leeftijd van 82 jaar overleed.

Amandus Maeseele was op het ogenblik van deze aankoop al lang geen eenvoudige molenaarsknecht meer. Hij was getrouwd met Maria Joanna Van Houtte, geoboren te Izegem op 1 maart 1758. Zes van hun kinderen bereikten de volwassen leeftijd en trouwden op hun beurt. Uit meerdere notariële akten blijkt dat Amandus Maeseele nog diverse andere, zeer lucratieve eigendommen wist te verwerven, ook al was hij wegens "ongeleerdheid" niet in staat om de betreffende koopakten te ondertekenen. We besteden hier enkel aandacht aan de belangrijkste.

Amandus Maeseele is - minstens gedurende een zekere tijd - ook eigenaar geweest van een tweede korenwindmolen, genaamd "de Roomberg", eveneens gelegen buiten de Brugsepoort op het gehucht Rooigem. Ook dit was oorspronkelijk een houten oliewindmolen, waarvan de oudste vermelding dateert van 1557.

Een winstgevende aankoop bij uitstek betrof de eeuwenoude herberg "den Hulstenboom", gelegen buiten de Brugsepoort langs de weg naar Mariakerke. Deze herberg, aan een oude bareel gelegen en van ver herkenbaar aan drie hulstebomen voor de afspanning, was van ouds vermaard omdat de diligences, vrachtwagens en koetsen daar halt hielden om tol te betalen. Amandus Maeseele had dit goed met woning, schuur, stallingen en ca. 30 are land bij akte van notaris Dominique Raman te Gent van 15 oktober 1804, aangekocht van Joachim Veeckman, kuiper te Gent, voor de prijs van 2.200,00 Franse frank. Deze laatste had deze herberg, toen leegstaande, enkele maanden eerder nog gekocht van molenaar Joannes Baptiste Coryn (op molen "De Roomberg" te Gent) voor de prijs van 4.600,00 Franse frank bij akte van notaris Dominique Raman te Gent van 30 januari 1804. Joannes Baptiste Emmanuel Coryn (°Gent, 23 december 1748), zoon van Livinus Coryn en Joanna Jacoba De Rudder, was op 28 juni 1772 te Gent gehuwd met Isabelle Dossche en was van dit goed eigenaar geworden bij letteren van koop uitgegeven door de schepenen van gedele van de stad Gent op 29 november 1775 jegens de weduwe en mede-erfgenamen van zjin vader Livinus Coryn, overleden te Gent op 11 februari 1766. Omstreeks 1800 verhuisden molenaar Joannes Baptiste Coryn en zijn echtgenote naar buiten de Sassepoort. Zijn dochter Maria Joanna Coryn (°Gent, 19 januari 1777) bleef de herberg "den Hulstenboom" nog verder uitbaten tot ca. 1803. Joannes Baptiste Corijn overleed op 1 september 1829 als "provenier" van het hospice nr. 18 der oude mannen in de Bijloke, nadat zijn echtgenote, Isabelle Dossche, op 30 oktober 1827 te Gent was gestorven.

Als gevolg van de aankoop van "den Hulstenboom" op 15 oktober 1804 verhuisde het gezin van Amandus Maeseele, dat tevoren buiten de Brugsepoort woonde, naar deze herberg, die hij zelf samen met zjin echtgenote Maria Joanna Van Houtte zou uitbaten. Laatstgenoemde overleed aldaar op 13 september 1820 op de leeftijd van 62 jaar. Amandus Meseele hertrouwde nog op zijn 65ste, meer bepaald op 21 januari 1824 te Gent, met de bijna 20 jaar jongere Maria Anna Mates, geboren in het Brabantse Sint-Ulriks-Kapelle op 20 april 1777. Sedert 1824 woonde ook dienstmeid Barbara Bonte (°Meulebeke 4 december 1793) in "den  Hulstenboom" in.

Op 3 december 1832 overleed Amandus Josephus Maeseele op de leeftijd van 70  jaar. Als gevolg van dit laatste overlijden lieten de kinderen Maeseele op 3 februari 1829 alle onroerende goederen en renten van hun ouders openbaar verkopen door het ambt van notaris Eduardus Josephus Van De Poele te Drongen.

Op de laatste zitdag van 12 maart 1829 van deze openbare verkoop werd de molen "de Roomberg", die op dat ogenblik in gebruik was door Carel Francies Coryn, toegewezen aan de gebroeders Joannes Francies en Ignatius Gernaey, molenaars te Ledeberg. Deze molen werd gesloopt in 1860.

Eveneens op de laatste zitdag van 12 maart 1829 werden de korenwindmolen "het Grootjen" en de bijhorende tweewoonst toegewezen aan de oudste zoon, molenaar Franciscus Augustinus Maesele (° Gent, 10 juni 1784 - + Gent, 21 maart 1866), die deze molen al feitelijk in gebruik had en die daanaast nog de herberg "Stad Nieuwpoort" buiten de Brugsepoort uitbaatte. Bij akte van notaris Jan Francies Hellebaut te Gent van 31 maart 1843 hebben Franciscus Augustinus Maeseele en zijn echtgenote Joanna Jacoba Froidure (°Gent 24 december 1793 - + Gent, 6 oktober 1870) de molen en het erf, waarop inmiddels drie woningen langs de weg van Gent naar Mariakerke stonden, doorverkocht aan molenaar Bernardus Van den Kerchove en zijn echtgenote Maria Theresia Van Nieuwerburgh. In 1871 werd ook deze stenen windmolen gesloopt. 

Evenals op de laatste zitdag van 12 maart 1829 werd de herberg "den Hulstenboom" gezamenlijk toegewezen aan Petrus Maeseele en Ludovicus Vermeersch en dit voor de prijs van 3.620,00 gulden. Maira Anna Mates, weduwe van Amandus Maeseele, mocht de uitbating nog tot 1 april 1829 verder zetten. Zij hertrouwde vervolgens op haar 54ste met Ludovicus Rousseau, een landbouwer van 31 jaar te Drongen (huwelijksakte Gent van 8 maart 1832).

Petrus Maeseele (°Gent, 25 juli 1798) was de jongste zoon van Amandus Maeseele en Maria Joanna Van Houtte en getrouwd met Coleta Josepha De Ronne. Ludovcus Vermeersch (° Mariakerke, 29 december 1787) was zijn schoonbroer: de echtgenoot van zijn oudere zus Francisca Maeseele (° Gent, 1 mei 1792). Zij woonden in Mariakerke, waar Ludovicus Vermeersch de uitbater was van de herberg "het IJzeren Hand", naast verhuurder van rijtuigen en pachter van het brugrecht. Ongetwijfeld om de koop van 'den Hulstenboom' te financieren, gingen de schoonbroers Petrus Maeseele en Ludovicus Vermeersch bij akte van notaris Eduardus Josephus Van de Poele te Drongen van 9 april 1829 ook een lening op intrest aan. Bij deze akte leenden zij van grondeigenaar Ivo Vandenberghe en zijn echtgenote Isabelle Coleta Nuytens te Gent een bedrag van 4.000,00 gulden, terugbetaalbaar op een termijn van tien jaar met een jaarlijkse intrest van 5%. Tot zekerheid van de terugbetaling van zowel het kapitaal als de intresten werd de herberg "den Hulstenboom" gehypothekeerd alsook enkele landerijen te Vinderhoute, die persoonlijk eigendom waren van Ludovicus Vermeersch. De herberg zou worden verhuurd aan de vroegere dienstmeid, thans herbergierster Barbara Bonte, die op 6 mei 1829 te Gent in het huwelijk trad met Josephus Mesnil (° Hoegaaarden, 14 april 1790).

Het huweljik van Coleta Josepha De Ronne op 7 juni 1827 met Petrus Josephus Maeseele was voor de familie De Ronne niet de enige belangrijke gebeurtenis van dat jaar. Bij akte van notaris Charles Roelant te Gent van 4 juli 1827 verkochten Petrus Marinus De Ronne, inmiddels 66  jaar, en zijn tweede echtgenote Maria Theresia Bovijn de korenwindmolen genaamd de Vestmolen, gelegen op Einde Were, aan de oudste zoon uit het eerste huwelijk, Joannes Baptist De Ronne voor de prjis van 4.800,00 gulden. Deze koopprijs moest worden betaald bij het overlijden van de langstlevende van de verkopers, maar zou ondertussen een intrest opbrengen van 5% per jaar. Tot zekerheid van de betaling van de hoofdsom en de intresten bleef de molen gehypothekeerd ten gunste van de verkopers. Het is duidelijk dat hiermee het molenaarsbedrijf door de oudste zoon Joannes Baptiste De Ronne (° Gent, 6 februari 1791) werd overgenomen. Wanneer deze laatste, 52 jaar later, op 21 augusuts 1879 te Gent zou overlijden, werd kort nadien, in 1891, de eeuwenoude Vestmolen gesloopt. De sloopstukken werden in augustus 1881 door notaris De Naeyer te Gent openbaar verkocht. Uit het huwelijk van Joannes Baptiste De Ronne en Barbara Carolina Demoerloose (° Gent, 28 februari 1799 - + Gent, 8 september 1878) werden talrijke kinderen geboren, onder meer de latere gekende cichoreifabrikant Leopoldus Josephus De Ronne (° Gent,  30 juni 1831 - + Gent, 28 oktober 1897).

Nu het molenaarsbedijf werd overgenomen door de oudste zoon, zag de tweede zoon, Carolus Ludovicus De Ronne, zich genoodzaakt om op zoek te gaan naar een nieuwe professionele uitdaging. Met hetzelfde probleem werd ook zijn schoonbroer Petrus Josephus Maeseele geconfronteerd, aangezien zijn oudere broer Franciscus Maeseele de molen "het Grootjen" op Rooigem al feitelijk in gebruik had. Beide schoonbroers lieten hun oog vallen op een brouwerij in de Veerstraat te Drongen... Zo komt het dat op 8 september 1827 in de bevolkingsregisers van Drongen, komende van Gent, werden ingeschreven (en niet in 1818, zoals verkeerd werd vermeld in de onuitgegeven nota's van Florimond Deprest): enerzijds Carolus Ludovicus De Ronne, brouwer, zijn echtgenote Maria Theresia Langerock en hun vier jonge kinderen Petrus Marinus (° Gent, 9 juni 1821), Maria Theresa (° Gent, 18 april 1824), Carolus Livinus (° Gent, 21 september 1825) en Eugenia Clemence De Ronne (° Gent, 9 april 1827) en anderzijds Petrus Josephus Maeseele, eveneens brouwer, en zijn echtgenote Coleta Josepha De Ronne. Nogmaals voor alle duidelijkheid: Carolus Ludovicus en Coleta Josepha De Ronne waren niet vader en dochter maar elkaars halfbroer en halfzus.

Petrus Marinus De Ronne en Maria Theresia Bovijn trokken zich na de verkoop van de Vestmolen op Einde Were terug in hun woning op de Hoogstraat 75, die zij bij akte van notaris Louis Lammens te Gent van 6 februari 1822 hadden aangekocht. Maria Thersia Bovijn overleed er op 27 augustus 1836 en Petrus Marinus De Ronne op 13 mei 1838. Beide werden 76 jaar. Petrus Marinus De Ronne had nog tijdens zijn leven de Vestmolen verkocht ten voordele van zijn oudste zoon, die de hoofdsom van de koopprijs slechts moest betalen bij zijn overlijden. Hij liet echter ook op 12 november 1836 voor notaris Norbetus Maria Eggermont een authentiek testament verlijden, waarbij hij enkele beschikkingen ten voordele van zijn twee andere kinderen trof. Aan zijn zoon Carolus Ludovicus De Ronne, bierbrouwer te Drongen, verleende hij de de optie om het door hem bewoonde huis in de Hoogstraat over te nemen tegen de prijs van 5.714,28 frank. Aan zijn dochter Coleta Josepha De Ronne, in huwelijk met Petrus Maeseele, bierbrouwer te Drongen, verleende hij de optie om de vier onderscheiden huizen in de Twaalfkamersstraat over te nemen tegen de prijs van 8.888,88 frank. In beide gevallen moesten deze koopsommen worden ingebracht in de nalatenschap, die voor het overige verdeeld moest worden conform de wet. Zowel Carolus Ludovicus als zijn halfzus Coleta Josepha De Ronne hebben deze door hun vader verleende optie gelicht. 

Voor 1830 gebeurde de heroprichting als een stenen windmolen. Deze werd in 1834 ingedeeld in klasse 3, met een kadastraal inkomen van 458 frank.

Eigenaars na 1830:
- voor 1834, eigenaar: Maeseele-Froidure Frans, herbergier te Gent
- 31.03.1843, verkoop: Van de Kerckhove(n)-Van Nieuwenburg Bernard, molenaar te Gent (notaris Hellebaut)

De stenen windmolen werd in 1871 gesloopt.

Lieven DENEWET & Herman HOLEMANS

Literatuur

Archieven

Stadsarchief Gent, Reeks 301 (Jaarregisters van de Keure), 45, 75 v° (1459)
Algemeen Rijksarchief Brussel, Financiële Raad. Akte voor molenaar Jan Blancquaert uit Gent om een oliemolen tussen de beide Saspoorten om te vormen in een graanmolen, 13.06.1763.
Algemeen Rijksarchief Brussel, Financiële Raad, nr. 1874. Akte voor molenaar Jan Blancquaert uit Gent om de oliemolen het Grootjen om te vormen in een graanmolen en om deze molen te verplaatsen binnen Gent, 06.08.1766)
Algemeen Rijksarchief Brussel, Financiële Raad, nr. 1882. Akte voor molenaar Jan Blancquaert uit Gent om de oliemolen het Grootjen om te vormen in een graanmolen (als verlenging van de akte van 06.08.1766), 24.01.1770.
Rijksarchief Gent, Notariaat 1, nr. 375. Akte van notaris Leooldus De Sadeleere te Gent, 16 februari 1770.
Rijksarchief Gent, Notariaat 1, nr. 370. Akte van notaris Leooldus De Sadeleere te Gent, 8 mei 1758.
Rijksarchief Gent, Notariaat 1, nr. 797. Akte van notaris François Joseph Moreeuw te Gent, 25 februari 1754.
Rijksarchief Gent, Notariaat 622, nr. Akte van notaris Dominique Raman te Gent, 24 augustus 1812.
Rijksarchief Gent, Notariaat 622, nr. 164/bis. Akte van notaris Dominique Raman te Gent, 15 oktober 1804.
Rijksarchief Gent, Notariaat 622, nr. 164. Akte van notaris Dominique Raman te Gent, 30 januari 1804.
Rijksarchief Gent, Notariaat 640, nr. 23. Openbare verkoop door notaris Eduardus Josephus Van De Poele te Drongen, 3 februari-12 maart 1829.
Rijksarchief Gent, Notariaat 652, nr. 93. Akte van notaris Jan Francies Hellebaut te Gent, 31 maart 1843.
Rijksarchief Gent, Notariaat 640, nr. 23. Akte van notaris Eduardus Josephus Van de Poele te Drongen, 9 april 1829 (lening).

Werken

Luc Van Durme, "Inventaris van de namen van de middeleeuwse Gentse windmolens", Molenecho's, XL, 2012, 1, p. 28-36.
Luc Van Durme, "Klapwiekend vrouwvolk in het middeleeuwse Gent", in: "Voor Magda: artikelen voor Magda Devos bij haar afscheid van de Universiteit Gent", Gent, Academia Press, 2010, p. 705-718.
Bart Veeckmans, "De brouwerij Colle en zijn voorgangers in de Veerstraat", Heemkundige Kring Dronghine (Drongen), Jaarboek 36 (2017), p. 117-216.
L. Hoste, "Rooigem en de Brugsepoorte te Gent (vervolg en slot)", Ghendtsche Tydinghen, jg. 20, januari 1991, p. 45.
Noël Kerckhaert, "Oude Oostvlaamse huisnamen", Kultureel Jaarboek voor de Provincie Oost-Vlaanderen, nrs 4, 16, 21, 32, 34, 37 (1977, 1981,1983,1990,1991,1993)
Paul Huys, "Over de naamgeving van windmolens. Volkskunde in Vlaanderen. Huldeboek Renaat van der Linden". Brugge, 1984.
Paul Huys, "Molen en molenaar te kijk gesteld. Molinologische opstellen II", Gent, 1996.
"Inventaris van de wind- en watermolens in de provincie Oost-Vlaanderen naar gegevens van het Archief van het Kadaster. De arrondissementen Eeklo en Gent", in: Kultureel Jaarboek voor de provincie Oost-Vlaanderen, XV, 1961, 2 (Gent, 1962).
Herman Holemans, "Oostvlaamse wind- en watermolens. Kadastergegevens 1835-1990. Deel 3. Gemeenten G-H-I", Rotem, Studiekring Ons Molenheem, 2000.
Paul Huys, "Over de windmolens buiten de Brugse Poort in Gent en een molenlandschap (1858) van Cesar De Cock", in: Ghendtse Tydinghen 28 (1999), nr. 2, p. 65-74. Uitgaand van het schilderij 'Landschap met molens' dat Cesar De Cock (1823-1904) in 1858 maakte, ontleedt de auteur windmolens op de Gentse stadsvesten nabij de Brugse Poort. Geillustreerd.

Stuur uw teksten over deze molen  | 
Stuur uw foto's van deze molen
  
Laatst bijgewerkt: woensdag 22 mei 2024

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in database zoek op provincie Stuur een algemene e-mail over molens vorige pagina Home pagina Naar bestaande molens