Molenzorg

Zaventem, Vlaams-Brabant


Collectie
Verdwenen Belgische Molens
Naam

Borgmolen
Dobbelmolen
Wattenkot

Ligging
Hoogstraat 189
1930 Zaventem

bij Fabriekstraat
Nederwoluwe
800 m W v.d. kerk
op de Woluwe


toon op kaart
Type
Watermolen
Functie
Diversen
Gebouwd
voor 1387
Verdwenen
na 1921, wattefabriek
Beschrijving / geschiedenis

In 1938, bij het aanleggen van de laan welke het gehucht Imbroek verbinden zou met de Woluwelei, stieten de arbei­ders bij het graven van een rioolleiding, op oude grondvesten. Dat er in deze zompige,met riet en lisch begroeide plaatsen, ooit een gebouw zou gestaan hebben, was voor velen een verrassing. Noch de annalen van Zaventem, noch de volks­overlevering repten daar ooit over. Nochtans laten de archief­ stukken geen twijfel bestaan: op deze plaats, tussen de Woluwe en de Hollebeke, stond het vroegere Hof ter Borg. Zooals de naam het aanduidt, hebben we hier te doen met het voormalig «Neerhof », de landbouwexploitatie van den burg der oude ridders van Zaventem.

Het perkamenten obituarium van Zaventem bevat de namen van twee ridders van der Borg, nl. Ooeswinus de Cas­tra, miles, wiens afsterven herdacht werd op 20 november, en Heinricus de Castro, miles, wiens jaargetijde viel op 2 april.

Beide namen behoren tot de oudste aanteekeningen uit  het register. Het valt evenwel niet gemakkelijk uit te maken of deze namen verband houden met het Hof ter Borg. Doch Wauters komt ons ter hulp. Hij   vermeldt dat in 1362, een Margriete vander Borg, weduwe van Jan van Meldert een rente verkreeg  op drie  vijvers, een molen en nog andere goe­deren te Zaventem gelegen. Ook over Goswyn van der Borg, zoon van Gielis, wordt gerept, die in 1330 de Sleepmolen in leen kreeg vanden dorpsheer. Wauters verwart echterdeze molen met den H. Geestmolen, zodat we niet goed weten welke waarde we aan zijn  mededeling toekennen moeten.

Uit de eerste aanhaling leren we evenwel dat Margriete van der Borg verwant was met de van Meldert's, waarvan een vertegenwoordiger, Arnold  van Meldert  kanunnik van Sinter­ Goedele te Brussel, in 1343 een rente van 10 stuivers groten Doorniks bezat op het Hof ter Borg met zijn aanhankelijk­heden. Dit behoorde toenmaals aan Amelrik Vederman, zoon van een andere Amelrik, welke  de rente  bepandde op zijn goederen, waaronder drie molens. In het perkamenten obitua­rium treffen we op 19 februari het jaargetijde aan van die Amelrik Vederman, van Margriete zijn vrouw en Renier hun zoon; in dezelfde fondatie werden ook herdacht  Jan Veder­man, broer van Amelrik, en Kathelijne, zijn vrouw. Boven­ gemelde rente laat ons vermoeden dat de Vederman's het Hof ter Borg  bekomen hadden van de van Meldert's, die het ver­kregen hadden door hun verwantschap met de van der Borg's.

De oudste schrijfwijzen luiden: vander woninghen ter borch, der boerch erve, thof vander borch, der borch coren moelen, thof ter borch, die goeye vander boch erven (alle om­streeks 1475).

In 1387 behoorde het  hof  toe aan jan Herlewijc, zoon wijlen jan Hertewijc. Deze verpandde een rente van 10 cijns­ guldens op zijn goederen, ten bate van Everaard Boete, ridder, kasteelheer en grondeigenaar  te Sterrebeek. Onder  de opge­somde goederen bevonden zich « Thof ... metten borghe ende muere ciaerop staende... tusschen de wesenbeke ende de wolu­we»; alsook 6 bunderen beemd en 2  bunderen winnende landen. Met de Wesenbeke wordt hier bedoeld de Hollebeke.

Datzelfde jaar 1387 werd er nog een tweede rente ge­ vormd va  10 cijnsguldens, ditmaal ten behoeve van Jan van den Spiegele en Margriete van der Gracht.  Weer is er sprake van een hof en huis «cum motte dicto Borg et muro super stantem», 3 dagwand groot, alsook van 5 bunder goederen «juxta molendinum dictum de Corenmolen ».

In de loop der 15e eeuw troffen we de adellijke familie van der Meeren als eigenaar aan; van daar  gaat het goed naar het aanverwante geslacht van der Noot. Op 5 juni 1470 ver­ kocht Antoon van der Noot, zoon van wijlen Antoon en  van Lijsbet vander Meeren, aan Ancelijn Roelants een rente van 16 zakken rogge, Mechelsche maat, bepandde zijn eigen goederen alsook  op die van zijn broeder Jan te Kampenhout. Onder deze goederen bevond zich een slagmolen, naast het Hof ter Borg «tegen een corenmolen aldaer over die welcke te gelden plach 25 rinsg. ende sesse gelten raepsmoute». Dit is de eerste maal dat we deze twee molens samen vermeld vinden, wat hen bij Wouters de benaming «dobbelmolen» doet verkrijgen.

Op 27 juli 1474 bezit Andries van Bernagien, heer van Perk, een heerlijke cijns van 10 guldens op  de goederen ter Borg. De roggemolen intussen werd uit die goederen ge­scheiden. Op 22 juli 1475 werd hij te leen gegeven aan Hen­drik van Loven «heere Heynricus witteghe zone», die hem op 14 december 1476 afstond aan Geert Mornmaerts «die men heet die cupere, Jacops wittege zone». Het volgende jaar is de voorgaande toestand weer hersteld. Immers, op 19 okto­ber 1475 kreeg juffrouw Lijsbet van der Meeren, dochter van ridder Jan van der Meeren het hof als bruidschat van haar broers Jan en Hendrik (gold het hier slechts hun gedeelte, terwijl Lijsbet van der Meeren er vroeger reeds een kindsgedeelte van erfde?), en op 15 december 1477 ontving ze de graanmolen te leen. Pachter van het hof was toen Daniel van Boeter, geheten Smets, die behoorde tot een bekende Sterrebeekse familie; de molen werd uitgebaat door Daniel de Vadder.

Op 10 maart 1489 erfde Antoon van der Noot het hof en de molen. Op hem volgt Maximiliana van der Noot, we­ duwe van wijlen heer Filip van der Meeren. Deze, samen met Wouter van der Meeren, haar oudsten zoon, verpandde in 1539, 65 karolusguldens, ten behoeve van de kinderen van Assche, op het hof en op den «coerenmoelen ... jaerl. geldende 12 carolusguld. en 12 1/2 sacken rogxs». Drie jaar later werden ze nogmaals verpand wegens een kapitale rente van 450 guldens, ten bate van Jan van Thienen, zoon van meester Frans van Thienen, Rentmeester van Tervuren en Vilvoorde. Op 18 mei 1541 verbond de eigenaarster ook nog andere goederen ten voordeele van Hendrik Stercx, ontvanger-gene­raal des keizers. Het waren slechte tijden; de van der Meeren's bezweken onder een schuldenlast. De slagmolen intusschen schijnt verdwenen te zijn. Op 28 december 1530 n.s. verbindt Maximiliana van der Noot, jegens Frans de Pape, voor een rente van 4 karolusguldens «maison et cense ... qui failloit estre ung moulin a marteau».

Op 15 februari 1594 gaat men over tot een openbare verhuring, op verzoek van Jeronimus en  Antoon van den Eynde, alsook van Filip GaiHaert, die den molen bij evictie of uitdrijving bekomen hadden. Zulks geschiedde te Brussel, in het huis «Het Groene Schild», op den Leuvensehen weg, dat we nog ettelijke malen ontmoeten in het archief van Zaventem. Huurder bleef Jan van Ophem; zijn voorgangers waren Lucas Rombouts en Hendrik van Ophem.

Daarop kwam de doening in handen van de Brusselse familie van Bemel. Heer en meester Gabriet van Bemel, licen­tiaat  in de rechten en greffier van de stad Brussel, gehuwd met Johanna Rijckewaert, bleef eigenaar ervan tot in 1649. Hun zoon Willem van Bemel, priester en kanunnik van de collegiale kerk Sint-Pieter te Turnhout, erfde het goed, w.o. ditmaal een papiermolen, en liet het in 1654 over aan zijn neef jonker Filip Rijckewaert, raad ordinaris en oud-schepen der stad Brussel. Deze kocht enkele jaren te voren, het ridderlijk Hof ter Meeren te Sterrebeek, alsook nog andere goederen aldaar en te Zaventem. De roem van deze familie was op zijn hoogte­punt; hoge onderscheidingen vielen haar te beurt vanwege 's lands regeerders. Daarop volgde een periode van langzaam verval en van schulden zonder einde.

Filip Rijckewaert, echtgenoot van Kath. Mastelijn, had een zoon Filip, even als hij raad ordinaris, welke trouwde met Florentia  Virginie Wivine de Landas, behorend tot een ge­slacht dat te Erps uitgestrekte goederen bezat. Uit dit huwelijk sproot voort Françoise-Virginie de Rijckewaert, welke de vrouw werd van Jan-Filip d'Ognate de Gomont, raad  en rekenmeester van de Rekenkamer te Brussel. Bij hun afsterven zagen hun erfgena men zich verplicht, in 1759, hun goederen te verkopen aan Jan-Baptist Lodewijk Bonaventura Jozef Herman, baron van Willebroek en Ruisbroek, heer van Snep­pelaar, echtgenoot van vrouw Adriana Mathilde van Kerren­broeck, geboren burggravin des lands van Grimbergen, vrouw van de Borcht, ter Tommen, Ooienbrugge, enz. Onder de ver­koop ende erfgenamen merken we op jonker Filip Arazola de Onate de Gomont en jonker Willem-Antoon de Fierlandt, heer van Esscheloo en hoofdschout te Turnhout. Op de lijst van de verkochte goederen vinden we den Grooten enden Kleinen Borgvijver, zekere smoutmolen met het huis, schuur en stallen, groot  2 bunder, alsook een molen waar men grauw papier vervaardigde, groot 3 dagwand, even eens met een huis, hof en boomgaard. Deze laatste molen was belast aan Zijn Majesteits Domeinen te Vilvoorde met 1 denier Leuvens voor een inslag of inrij aan het molenhuis.

Bij de  telling van 1686 staat de smoutmolen getakseerd op 104 guldens en de papiermolen op 83 guldens. In 1741 werd het hof met de helft van den «papiermolen van Gomont verhuurd aan Frans Watseels, samen met 3 bunder twee dag­wand land en evenveel weide. De andere helft van den «pampiermolen van Craenenbroeck» (moet zijn Van den Broeck, gehuwd met een Gomont) werd verhuurd aan Daniel Crochet met 3 bunder 3 dagwand land; deze laatste bezat daarenboven een nering of handel. In 1743  komt Watseels alleen voor op de lijst met 18 bunder land, 3 paarden en 2 veulens. In 1762 is zijn labeur gestegen tot 20 bunder land en 2 bunder 3 dag. weide. In 1784 werd de zaak uitgebaat door Peeter Gods.

Kort na 1814 richte Pieter-Anthonius Brons beide molens in als papierfabriek. Hij had gewoonlijk 40 tot 50 werklieden aan de arbeid: de mannen wonnen 14 tot 17 stuivers daags en de vrouwen 8 stuivers. In 1865 werd de molen opgesplitst in een papierwatermolen (op het perceel D 131 a) en een watervolmolen (op het perseel D 131 b), die in 1869 werd veranderd in een werkhuis.

Na het overlijden van P. A. Brons werd de molen uitgebaat door Wadzeels, Coosemans en flameng, onder de sociale firma Flameng en Co. Er volgde in 1883 een gehele herbouw: de papiermolen (D 131 a) werd veranderd in een zeepziederij en het werkhuis (D 131 b) werd veranderd in een waterzandmolen (D 131 e). De zeepziederij werd na plaatsing van een stoommachine in 1887 veranderd in een kiezelwitfabriek en zeepziederij door water en stoom (D 131 g). M. Stuyck richtte in 1891 een fabriek van bewerking en bereiding van watte, waarbij een nieuwe stoommachine werd geplaatst. In 1898 werd het een graanmolen door water en stoom, maar in 1913 opnieuw een wattefabriek. Ook nog na de rechttrekking van de waterloop in 1919 maakte de wattefabriek tijdelijk nog gebruik van waterkracht.

De wattenfabriek, in de volksmond het Wattenkot, deed later  ook nog dienst als lederfabriek en had nog vele andere bestemmingen had. Het vormde een geheel met de omliggende oude fabrieken en woningen, waarvan er enkele verdwenen zijn.

Eigenaars na 1830:
- voor 1834, eigenaar: Brons Pieter Antoon, fabrikant te Zaventem
- 05.07.1870, verkoop: Coosemans Ferdinand Jozef, papiermaker te Zaventem (notaris Wijdemans)
- 17.07.1873, verkoop: Coosemans Barbara en Cie, landbouwster te Zaventem (notaris Cantoni)
- 04.02.1880, verkoop: De Vroede-Fabry Henricus, molenaar te Limal (notaris Cantoni)
- 1888, erfenis: de kinderen (overlijden van vrouw Fabry)
- 15.07.1891, verkoop: Stuyck Justina Maria Francisca (gehuwd met Favette Henri), te Zaventem (notaris Cantoni - fabrique d'ouatte)
- 25.04.1905, verkoop: Stuyck-Vroomen Karel, nijveraar te Zaventem (notaris Dero)
- na 1919, mutatie: Frère-Gosset Charles François, industrieel te Yvoir
- 19.08.1921, verkoop: Myvaert-Vandeveegaete Ivan Pierre, industrieel te Ledeberg (notaris Jacobs)
- 19.10.1921, maatschappij: Naamloze Maatschappij "L'Ouatte" (notaris Van Istebeek)

Frans MAES & Herman HOLEMANS

Bijlagen

F. Maes, "De watermolens van Zaventem", in: Eigen Schoon en de Brabander, XXV, 1942, p. 7-19, 45-51 en 77-84.

DE BORGMOLENS.

In 1938, bij het aanleggen van de laan welke het gehucht Imbroek verbinden zou met de Woluwelei, stieten de arbei­ders bij het graven van een rioolleiding, op oude grondvesten. Dat er in deze zompige,met riet en lisch begroeide plaatsen, ooit een gebouw zou gestaan hebben, was voor velen een verrassing. Noch de annalen van Zaventem, noch de volks­overlevering repten daar ooit over. Nochtans laten de archief­ stukken geen twijfel bestaan: op deze plaats, tussen de Woluwe en de Hollebeke, stond het vroegere Hof ter Borg. Zooals de naam het aanduidt, hebben we hier te doen met het voormalig «Neerhof », de landbouwexploitatie van de burg der oude ridders van Zaventem.

Het perkamenten obituarium van Zaventem bevat de namen van twee ridders van der Borg, nl. Ooeswinus de Cas­tra, miles, wiens afsterven herdacht werd op 20 november, en Heinricus de Castro, miles, wiens jaargetijde viel op 2 april.

Beide namen behoren tot de oudste  aanteekeningen uit  het register. Het valt evenwel niet gemakkelijk uit te maken of deze namen verband houden met het Hof ter Borg. Doch Wauters komt ons ter hulp. Hij  vermeldt dat in 1362, een Margriete vander Borg, weduwe van Jan van Meldert een rente verkreeg  op drie vijvers, een molen en nog andere goe­deren te Zaventem gelegen. Ook over Goswyn van der Borg, zoon van Gielis, wordt gerept, die in 1330 de Sleepmolen in leen kreeg vanden dorpsheer. Wauters verwart echterdeze molen met den H. Geestmolen, zodat we niet goed weten welke waarde we aan zijn  mededeling toekennen moeten.

Uit de eerste aanhaling leren we evenwel dat Margriete van der Borg verwant was met de van Meldert's, waarvan een vertegenwoordiger, Arnold  van Meldert  kanunnik van Sinter­ Goedele te Brussel, in 1343 een rente van 10 stuivers  groten Doorniks bezat op het Hof ter Borg met zijn aanhankelijk­heden. Dit behoorde toenmaals aan Amelrik Vederman, zoon van een andere Amelrik, welke  de rente  bepandde op zijn goederen, waaronder drie molens. In het perkamenten obitua­rium treffen we op 19 februari het jaargetijde aan van die Amelrik Vederman, van Margriete zijn vrouw en Renier hun zoon; in dezelfde fondatie werden ook herdacht Jan Veder­man, broer van Amelrik, en Kathelijne, zijn vrouw. Boven­ gemelde rente laat ons vermoeden dat de Vederman's het Hof ter Borg  bekomen hadden van de van Meldert's, die het ver­kregen hadden door hun verwantschap met de van der Borg's.

De oudste schrijfwijzen luiden: vander woninghen ter borch, der boerch erve, thof vander borch, der borch coren moelen, thof ter borch, die goeye vander boch erven (alle om­streeks 1475).

In 1387 behoorde het hof  toe aan jan Herlewijc, zoon wijlen jan Hertewijc. Deze verpandde een rente van 10 cijns­ guldens op zijn goederen, ten bate van Everaard Boete, ridder, kasteelheer en grondeigenaar  te Sterrebeek. Onder  de opge­somde goederen bevonden zich « Thof ... metten borghe ende muere ciaerop staende... tusschen de wesenbeke ende de wolu­we»; alsook 6 bunderen beemd en 2  bunderen winnende landen. Met de Wesenbeke wordt hier bedoeld de Hollebeke.

Datzelfde jaar 1387 werd er nog een tweede rente ge­ vormd van 10 cijnsguldens, ditmaal ten behoeve van Jan van den Spiegele en Margriete van der Gracht. Weer is er sprake van een hof en huis «cum motte dicto Borg et muro super stantem», 3 dagwand groot, alsook van 5 bunder goederen «juxta molendinum dictum de Corenmolen ».

In de loop der 15e eeuw troffen we de adellijke familie van der Meeren als eigenaar aan; van daar gaat het goed naar het aanverwante geslacht van der Noot. Op 5 juni 1470 ver­kocht Antoon van der Noot, zoon van wijlen Antoon en van Lijsbet vander Meeren, aan Ancelijn Roelants een rente van 16 zakken rogge, Mechelsche maat, bepandde zijn eigen goederen alsook  op die van zijn broeder Jan te Kampenhout. Onder deze goederen bevond zich een slagmolen, naast het Hof ter Borg «tegen een corenmolen aldaer over die welcke te gelden plach 25 rinsg. ende sesse gelten raepsmoute». Dit is de eerste maal dat we deze twee molens samen vermeld vinden, wat hen bij Wouters de benaming «dobbelmolen» doet verkrijgen.

Op 27 juli 1474 bezit Andries van Bernagien, heer van Perk, een heerlijke cijns van 10 guldens  op  de goederen ter Borg. De roggemolen  intussen werd uit die goederen ge­scheiden. Op 22 juli 1475 werd hij te leen gegeven aan Hen­drik van Loven «heere Heynricus witteghe zone», die hem op 14 december 1476 afstond aan Geert Mornmaerts «die men heet die cupere, Jacops wittege zone». Het volgende jaar is de voorgaande toestand weer hersteld. Immers, op 19 okto­ber 1475 kreeg juffrouw Lijsbet van der Meeren, dochter van ridder Jan van der Meeren het hof als bruidschat van haar broeders Jan en Hendrik (gold het hier slechts hun gedeelte, terwijl Lijsbet van der Meeren er vroeger reeds een kindsgedeelte van erfde?), en op 15 december 1477 ontving ze de graanmolen te leen. Pachter van het hof was toen Daniel van Boeter, geheten Smets, die behoorde tot een bekende Sterrebeekse familie; de molen werd uitgebaat door Daniel de Vadder.

Op 10 maart 1489 erfde Antoon van der Noot het hof en de molen. Op hem volgt Maximiliana van der Noot, we­duwe van wijlen heer Filip van der Meeren. Deze, samen met Wouter van der Meeren, haar oudsten zoon, verpandde in 1539, 65 karolusguldens, ten behoeve van de kinderen van Assche, op het hof en op den «coerenmoelen ... jaerl. geldende 12 carolusguld. en 12 1/2 sacken rogxs». Drie jaar later werden ze nogmaals verpand wegens een kapitale rente van 450 guldens, ten bate van Jan van Thienen, zoon van meester Frans van Thienen, Rentmeester van Tervuren en Vilvoorde. Op 18 mei 1541 verbond de eigenaarster ook nog andere goederen ten voordeele van Hendrik Stercx, ontvanger-gene­raal des keizers. Het waren slechte tijden; de van der Meeren's bezweken onder een schuldenlast. De slagmolen intusschen schijnt verdwenen te zijn. Op 28 december 1530 n.s. verbindt Maximiliana van der Noot, jegens Frans de Pape, voor een rente van 4 karolusguldens «maison et cense ... qui failloit estre ung moulin a marteau».

Op 15 februari 1594 gaat men over tot een openbare verhuring, op verzoek van Jeronimus en  Antoon van den Eynde, alsook van Filip GaiHaert, die den molen bij evictie of uitdrijving bekomen hadden. Zulks geschiedde te Brussel, in het huis «Het Groene Schild», op den Leuvensehen weg, dat we nog ettelijke malen ontmoeten in het archief van Zaventem. Huurder bleef Jan van Ophem; zijn voorgangers waren Lucas Rombouts en Hendrik van Ophem.

Daarop kwam de doening in handen van de Brusselse familie van Bemel. Heer en meester Gabriet van Bemel, licen­tiaat in de rechten en greffier der stad Brussel, gehuwd met Johanna Rijckewaert, bleef eigenaar ervan tot in 1649. Hun zoon Willem van Bemel, priester en kanunnik van de collegiale kerk Sint-Pieter te Turnhout, erfde het goed, w.o. ditmaal een papiermolen, en liet het in 1654 over aan zijn neef jonker Filip Rijckewaert, raad ordinaris en oud-schepen der stad Brussel. Deze kocht enkele jaren te voren, het ridderlijk Hof ter Meeren te Sterrebeek, alsook nog andere goederen aldaar en te Zaventem. De roem van deze familie was op zijn hoogte­punt; hoge onderscheidingen vielen haar te beurt vanwege 's lands regeerders. Daarop volgde een periode van langzaam verval en van schulden zonder einde.

Filip Rijckewaert, echtgenoot van Kath. Mastelijn, had een zoon Filip, even als hij raad ordinaris, welke trouwde met Florentia  Virginie Wivine de Landas, behorend tot een ge­slacht dat te Erps uitgestrekte goederen bezat. Uit dit huwelijk sproot voort Françoise-Virginie de Rijckewaert, die de vrouw werd van Jan-Filip d'Ognate de Gomont, raad  en rekenmeester van de Rekenkamer te Brussel. Bij hun afsterven zagen hun erfgena men zich verplicht, in 1759, hun goederen te verkopen aan Jan-Baptist Lodewijk Bonaventura Jozef Herman, baron van Willebroek en Ruisbroek, heer van Snep­pelaar, echtgenoot van vrouw Adriana Mathilde van Kerren­broeck, geboren burggravin des lands van Grimbergen, vrouw van de Borcht, ter Tommen, Ooienbrugge, enz. Onder de ver­koop ende erfgenamen merken we op jonker Filip Arazola de Onate de Gomont en jonker Willem-Antoon de Fierlandt, heer van Esscheloo en hoofdschout te Turnhout. Op de lijst van de verkochte goederen vinden we den Grooten enden Kleinen Borgvijver, zekere smoutmolen met het huis, schuur en stallen, groot 2 bunder, alsook een molen waar men grauw papier vervaardigde, groot 3 dagwand, even eens met een huis, hof en boomgaard. Deze laatste molen was belast aan Zijn Majesteits Domeinen te Vilvoorde met 1 denier Leuvens voor een inslag of inrij aan het molenhuis.

Bij de  telling van 1686 staat de smoutmolen getakseerd op 104 guldens en de papiermolen op 83 guldens. In 1741 werd het hof met de helft van den «papiermolen van Gomont verhuurd aan Frans Watseels, samen met 3 bunder twee dag­wand land en evenveel weide. De andere helft van den «pampiermolen van Craenenbroeck» (moet zijn Van den Broeck, gehuwd met een Gomont) werd verhuurd aan Daniel Crochet met 3 bunder 3 dagwand land; deze laatste bezat daarenboven een nering of handel. In 1743  komt Watseels alleen voor op de lijst met 18 bunder land, 3 paarden en 2 veulens. In 1762 is zijn labeur gestegen tot 20 bunder land en 2 bunder 3 dag. weide. In 1784 werd de zaak uitgebaat door Peeter Gods.

De Ceuster, die zijn inlichtingen putte vooral in het gemeente-archief, beschrijft aldus de ontwikkeling van de Borgmolens in de 19e eeuw: «In de eerste jaren na den slag van Waterloo kwam Pieter-Anthonius Brons zich op den Dobbelmolen vestigen en gebruikte beide molens  tot papier­fabricatie. Hij had gewoonlijk 40 tot 50 werklieden aan de arbeid: de mannen wonnen 14 tot 17 stuivers daags en de vrouwen 8 stuivers.»

Na het overlijden van P. A. Brons werd hij uitgebaat door Wadzeels, Coosemans en flameng, onder de sociale firma Flameng en Co. Na verscheidene wederwaardigheden is hij door M. Stuyck ingericht tot een fabriek van bewerking en bereiding van watte, en is dat nu nog".

Literatuur

E. Charels & J. Lauwers, "Zaventem: zijn watermolens, zijn Sint-Martinus, zijn luchthaven", Tielt, 1979.
J. De Ceuster, "Saventhem", in: De Brabantsche Folklore, nr. 47-48, 1929.
F. Maes, "De watermolens van Zaventem", in: Eigen Schoon en de Brabander, XXV, 1942, p. 7-19, 45-51 en 77-84.
Herman Holemans, "Kadastergegevens: 1835-1985. Brabantse wind- en watermolens. Deel 3: arrondissement Halle-Vilvoorde (M-Z)", Kinrooi, Studiekring Ons Molenheem", 1992.
M.A. Duwaerts e.a., "De molens in Brabant", Brussel, Dienst voor Geschiedkundige en Folkloristische Opzoekingen van de Provincie Brabant, 1961.
Jos De Gelas, "Inventaris van de Brabantse papiermolens", in: Tijdschrift industrieel erfgoed, Voortzetting van: Driemaandelijks tijdschrift van de Vlaamse vereniging voor industriele archeologie, Gent, Vlaamse vereniging voor industriële archeologie, nr. 7, 1987, p. 15-25.
Henri Vannoppen, "De geschiedenis van Zaventem, de Industriegemeente van Middenbrabant", Zaventem, Gemeentelijke Culturele Raad, 1981, p. 337 en vervolgens passim, ill.
Mededeling Wim van der Elst, Laken, 09.11.2013.

Stuur uw teksten over deze molen  | 
Stuur uw foto's van deze molen
  
Laatst bijgewerkt: donderdag 11 december 2014

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in database zoek op provincie Stuur een algemene e-mail over molens vorige pagina Home pagina Naar bestaande molens