Molenzorg

Zaventem, Vlaams-Brabant


Collectie
Verdwenen Belgische Molens
Naam

Gestelmolen
Gestelsemolen
Gravenmolen

Ligging
Fabriekstraat
1930 Zaventem

Nederwoluwe
800 m W v.d. kerk
oo de Woluwe
kadasterperceel D123


toon op kaart
Type
Watermolen
Functie
Korenmolen, papiermolen
Gebouwd
voor 1400
Verdwenen
1873, veranderd in magazijn
Beschrijving / geschiedenis

De Gestelsemolen dankt zijn naam aan het geslacht van Gestel dat herkomstig was, zoals we menen te mogen afleiden van de naam, uit het kleine dorpje Gestel, ten oosten van Lier, op de Grote Nete. Rond 1360 verbleef daar nog een zekere Willem de Vesschere, welke van de Hertog 9 bunder land te leen hield, waaronder één bunder «daer de molen van ghes­tele plach te stane». Deze molen is ongetwijfeld de bakermat van de befaamde molenaarsfamilie van Gestel. Vandaar uit verspreidde ze zich en meerdere afstammelingen vestigden zich te Vilvoorde en omgeving. Zo bestond er een Hof van Gestel te Grimbergen, dat vóór 1518 toebehoorde aan Peeter van den Heetvelde, ridder, en zijn vrouw Gertrudis van  Gestel. In een cijnsboek van 1450 voor de stad Vilvoorde, treffen we ver­scheidene van Gestel's aan. We stippen aan: Aert van Gistele, molenaar op de Nieuwen Molen; Gielis van Gestele, smid aan de Leuvensohepoort; Reinier van Gestele, in de Molen­straat tegen den Neersten Molen; en Aert Aerts van Gistele, welke goederen bezat boven den Middelmolen.

Er schijnt bij deze familie een zwak te hebben bestaan voor de benaming Arnoud of Aard; vandaar dat men ze ge­woonlijk eveneens Aerts noemt. Ook treft men er vele mole­naars bij aan.

De van Gestel's waren evenwel niet de oudste eigenaars van dezen molen. Als dusdanig is ons bekend Willem van der Borch, en na hem Jan van Nedervelt (waarschijnlijk begin 15e eeuw). In 1476 ontving daarop Daneel de Vadder den molen te leen van Jan van der Meeren, ridder en heer van Zaventem. Op 8 april 1477 bekwam Hendrik de Vadder, Jan's zoon, 2 1/2 blauwe kronen op een slagmolen, toebehoorende

Wouter Aerts geheeten van Ghestelen, evenals op huis en hof, met een half bunder land gelegen boven den hof. Dezelfde dag verwierf zijn broer Daneel, hierboven vermeld, 7 1/2 blauwe kronen, op denzelf den molen, welke rente hij in 1479 afstond aan Hendrik de Vadder. Deze rente van 10 blauwe kronen bestond nog op het einde  der 16e eeuw. Op 26 juli 1593 werd zij verkocht aan Jan Claerbeets van Nederhem, door Katharina de Vadder, weduwe van Joos van den Berge, wonende te Wezel (Nederland), en was verpand op huys en de hoff metten slaohmolen, schueren, stallen nu geruineert... toebeheerende Janne de Kempener».

Op 17 oktober 1489 werd de molen verkocht aan de kinderen van Jan van der Meeren, en van Joanna Aerts ge­heeten van Gestele dochter Henricks, die  hem gezamenlijk zouden uitbaten, nl. Hendrik, Jan, Simon, Jakob, Margaretha, Ursula en Katharina. De verkoop geschiedde «van doyer hant Daneel en Arts geheeten van Ohestele dwelcke hem verstorven was van Heynricken Aerts gheheeten van ghestele syns va­ders». Door loting ging het molenbedrijf eohter over op Jakob die het behield van 1500 tot 1505.

Op 19 maart 1505 ver­kocht hij zijn bezit aan Jan, Peeter en Jakob de Kempeneer, kinderen wijlen Jan  de Kempeneer. Deze familie bleef onge­veer een eeuw op de molen. Aan haar is waarschijnlijk de huidige plaatsnaam Kempen te wijten, zijnde het veld in de nabijheid van hun molen gelegen. Peeter de Kempeneer narn welhaast gansch de zaak in handen, zoals blijkt uit een akte van 1536, waarbij zijn weduwe Katharina van Leefdale, getak­seerd werd op een belastbaar inkomen van 31 guldens. Men vervaardigde er toenmaals papier. Eindelijk in 1593, zoals hierboven vermeld, was Jan de Kempeneer de eigenaar, en fabriceerde weer olie! Buiten bovenvernoemden vinden we in de obituarii van Zaventem nog de namen van Johannes Melde­grave, alias Kempeneren, en van Sarteel Meldegrave, ook aldus genoemd.

De benaming Meldegrave werd eveneens gegeven aan de molenaarsfamilie van der Meeren, en wisselde af met een andere bijnaam de Borchgrave Katharina de Kempeneer, dochter van wijlen Pauwels en weduwe van Peeter Zegers, evenals haar zuster Klara, weduwe van Filip de Fausteyn, verkochten de geruineerden molen in 1607 aan Jacques Le Roy, commissaris generaal van de am­munitie van oorlog van Zijn Majesteit. Gestel's molen was te dien tijde belast met een rente van twee veertelen rogge aan den pastoor, met twee penningen Leuvensch aan de heer van Zaventem en met vier Rijnsche guldens aan de erfgenamen Katharina  van den Berghe. Dezelfde dag, nl. op 27 januari 1607, kocht Le Roy eveneens den Rattenmolen. Deze heer woonde te Antwerpen in het huis genaamd  den Keizer, gelegen in de nieuwe stad. Zodra hij eigenaar geworden was van de goederen te Zaventem, verpandde hij op den molen een rente van 100 guldens ten behoeve van zijn zuster Anna, dit in ver­gelding van een andere rente welke zijn zuster op het huis te Antwerpen bezat.

Pas was dit geschied of Le Roy verkocht Gestel's molen aan de Italiaan Alexander de Giuncta, edelman uit Florencië, gehuwd met Maria Hulsther. De koopsom bedroeg 1600 gul­dens. De Italiaan ontleende waarschijnlijk deze som aan Peter Pierman, want hij verpandde zijn eigendom jegens dezen persoon voor een jaarlijksche rente van 100 guldens. De pand bestond uit «Twee nyeuwe Opgemetste pampiere   moelens metten waterval Ende oyck een schoon nyeuwe gemetste steynen huys daerop  staende... gheheeten deene den gestels molen».

Alexander de Giuncta won geen fortuin te Zaventem. In 1619 kon hij zelf aan de baron van Boisschot, heer van Zaventem, de huur niet betalen van het huis dat hij nabij de kerk bewoonde en waar, volgens de legende, van Dijck enkele jaren later zijn Sint-Maarten» schilderen zou. Er was acht jaar achterstel, waarvoor de huurder zijn twee molens verbond ten overstaan van een jaarlijksche rente van 75  guldens. De volgende jaren brachten evenwel  geen beterschap en in juli 1622 deed Ferdinand de Baissehot de molen openbaar ver­koopen. Hij zelf  bleef  kooper en Gestel's  molen kwam nu in stevige handen terecht, zoodat  het geen eigenaarsrverwisseling meer kende voor het einde van de 18e eeuw. De molen werd voortaan te huur uitgegeven. In 1686 bedroeg zijn belastbaar inkomen 88 guldens.

In 1741 werd het bedrijf uitgeoefend door den molenaar Peeter Delvaux Deze bewerkte tevens ongeveer 3 bunder land en anderhalf bunder weide; hij had 2 koeien. In 1762 heette de huurder Jozef Degreef, en in 1789-1796 baatte zijn weduwe nog steeds de zaak uit met bovendien vijf bunder land.

Omtrent 1800, schrijft De Ceuster, geraakte de molen weer in handen van een Van Gestel, nl. N. Van Gestel uit Brussel, die hem verhuurde aan Hendrick Ramacker (1816-1842), Lammens, Barbier-Hanssens (1852) en Laroche en Co (1860), welke er inpakpapier en karton vervaardigden.

Eigenaars na 1830:
- voor 1834, eigenaar: a) Van Gestel Marie Anne en b) Van Gestel Adèle Aynite Agnes
- 14.08.1833, deling: Van Bever-Van Gestel, rentenierster te Sint-Jans-Molenbeek (notaris Averlot)
- 12.03.1870, erfenis: Van BVever-Van Gestel Joseph Georges Guillaume, militair te Antwerpen (ovelrijdenv an Marie Anne Van Gestel)
- later: Grellingen en Co, papier­fabrikanten
- 1900, de Naamlooze Vennoot­schap der Papierfabrieken van Zaventem.

De watermolen werd in 1873 opgeheven, maar bleef als magazijn deel uitmaken van de papierfabriek.

Frans MAES & Herman HOLEMANS

Bijlagen

Frans Maes, "De watermolens van Zaventem", in: Eigen Schoon en de Brabander, XXV, 1942, p. 7-19, 45-51 en 77-84.

GESTEL'S MOLEN.

Deze dankt zijn naam aan het geslacht van Gestel dat herkomstig was, zoals we menen te mogen afleiden van de naam, uit het kleine dorpje Gestel, ten oosten van Lier, op de Grote Nete. Omtrent 1360 verbleef daar nog een zekere Willem de Vesschere, welke van de Hertog 9 bunder land te leen hield, waaronder één bunder «daer de molen van ghes­tele plach te stane». Deze molen is ongetwijfeld de bakermat van de befaamde molenaarsfamilie van Gestel. Vandaar uit verspreidde ze zich en meerdere afstammelingen vestigden zich te Vilvoorde en omgeving. Zo bestond er een Hof van Gestel te Grimbergen, dat vóór 1518 toebehoorde aan Peeter van den Heetvelde, ridder, en zijn vrouw Gertrudis van  Gestel. In een cijnsboek van 1450 voor de stad Vilvoorde, treffen we ver­scheidene van Gestel's aan. We stippen aan: Aert van Gistele, molenaar op de Nieuwen Molen; Gielis van Gestele, smid aan de Leuvensohepoort; Reinier van Gestele, in de Molen­straat tegen den Neersten Molen; en Aert Aerts van Gistele, welke goederen bezat boven den Middelmolen.

Er schijnt bij deze familie een zwak te hebben bestaan voor de benaming Arnoud of Aard; vandaar dat men ze ge­woonlijk eveneens Aerts noemt. Ook treft men er vele mole­naars bij aan.

De van Gestel's waren evenwel niet de oudste eigenaars van dezen molen. Als dusdanig is ons bekend Willem van der Borch, en na hem Jan van Nedervelt (waarschijnlijk begin 15e eeuw). In 1476 ontving daarop Daneel de Vadder den molen te leen van Jan van der Meeren, ridder en heer van Zaventem. Op 8 april 1477 bekwam Hendrik de Vadder, Jan's zoon, 2 1/2 blauwe kronen op een slagmolen, toebehoorende

Wouter Aerts geheeten van Ghestelen, evenals op huis en hof, met een half bunder land gelegen boven den hof. Dezelfde dag verwierf zijn broer Daneel, hierboven vermeld, 7 1/2 blauwe kronen, op denzelf den molen, welke rente hij in 1479 afstond aan Hendrik de Vadder. Deze rente van 10 blauwe kronen bestond nog op het einde  der 16e eeuw. Op 26 juli 1593 werd zij verkocht aan Jan Claerbeets van Nederhem, door Katharina de Vadder, weduwe van Joos van den Berge, wonende te Wezel (Nederland), en was verpand op huys en de hoff metten slaohmolen, schueren, stallen nu geruineert... toebeheerende Janne de Kempener».

Op 17 oktober 1489 werd de molen verkocht aan de kinderen van Jan van der Meeren, en van Joanna Aerts ge­heeten van Gestele dochter Henricks, die  hem gezamenlijk zouden uitbaten, n.l. Hendrik, Jan, Simon, Jakob, Margaretha, Ursula en Katharina. De verkoop geschiedde «van doyer hant Daneel en Arts geheeten van Ohestele dwelcke hem verstorven was van Heynricken Aerts gheheeten van ghestele syns va­ders». Door loting ging het molenbedrijf eohter over op Jakob die het behield van 1500 tot 1505.

Op 19 maart 1505 ver­kocht hij zijn bezit aan Jan, Peeter en Jakob de Kempeneer, kinderen wijlen Jan  de Kempeneer. Deze familie bleef onge­veer een eeuw op de molen. Aan haar is waarschijnlijk de huidige plaatsnaam Kempen te wijten, zijnde het veld in de nabijheid van hun molen gelegen. Peeter de Kempeneer narn welhaast gansch de zaak in handen, zoals blijkt uit een akte van 1536, waarbij zijn weduwe Katharina van Leefdale, getak­seerd werd op een belastbaar inkomen van 31 guldens. Men vervaardigde er toenmaals papier. Eindelijk in 1593, zoals hierboven vermeld, was Jan de Kempeneer de eigenaar, en fabriceerde weer olie! Buiten bovenvernoemden vinden we in de obituarii van Zaventem nog de namen van Johannes Melde­grave, alias Kempeneren, en van Sarteel Meldegrave, ook aldus genoemd.

De  benaming Meldegrave werd eveneens gegeven aan de molenaarsfamilie van der Meeren, en wisselde af met een ancleren bijnaam de Borchgrave Katharina de Kempeneer, dochter wijlen Pauwels en weduwe van Peeter Zegers, evenals haar zuster Klara, weduwe van Filip de Fausteyn, verkochten den geruineerden molen in 1607 aan Jacques Le Roy, commissaris generaal van de am­munitie van oorlog van Zijn Majesteit. Gestel's molen was toen belast met een rente van twee veertelen rogge aan den pastoor, met twee penningen Leuvensch aan de heer van Zaventem en met vier Rijnsche guldens aan de erfgenamen Katharina  van den Berghe. Dezelfde dag, nl. op 27 januari 1607, kocht Le Roy eveneens den Rattenmolen. Deze heer woonde te Antwerpen in het huis genaamd  den Keizer, gelegen in de nieuwe stad. Zodra hij eigenaar geworden was van de goederen te Zaventem, verpandde hij op den molen een rente van 100 guldens ten behoeve van zijn zuster Anna, dit in ver­gelding van een andere rente welke zijn zuster op het huis te Antwerpen bezat.

Pas was dit geschied of Le Roy verkocht Gestel's molen aan de Italiaan Alexander de Giuncta, edelman uit Florencië, gehuwd met Maria Hulsther. De koopsom bedroeg 1600 gul­dens. De Italiaan ontleende waarschijnlijk deze som aan Peter Pierman, want hij verpandde zijn eigendom jegens dezen persoon voor een jaarlijksche rente van 100 guldens. De pand bestond uit «Twee nyeuwe Opgemetste pampiere   moelens metten waterval Ende oyck een schoon nyeuwe gemetste steynen huys daerop  staende... gheheeten deene den gestels molen».

Alexander de Giuncta won geen fortuin te Zaventem. In 1619 kon hij zelf aan den baron van Boissohot, heer van Zaventem, de huur niet betalen van het huis dat hij nabij de kerk bewoonde en waar, volgens de legende, van Dijck enkele jaren later zijn Sint-Maarten» schilderen zou. Er was acht jaar achterstel, waarvoor de huurder zijn twee molens verbond ten overstaan van een jaarlijksche rente van 75  guldens. De volgende jaren brachten evenwel  geen beterschap en in juli 1622 deed Ferdinand de Baissehot de molen openbaar ver­koopen. Hij zelf  bl eef  kooper en Gestel's  molen kwam nu in stevige handen terecht, zoodat  het geen eigenaarsrverwisseling meer kende voor het einde van de 18e eeuw. De molen werd voortaan te huur uitgegeven. In 1686 bedroeg zijn belastbaar inkomen 88 guldens.

In 1741 werd het bedrijf uitgeoefend door den molenaar Peeter Delvaux Deze bewerkte tevens ongeveer 3 bunder land en anderhalf bunder weide; hij had 2 koeien. In 1762 heette de huurder Jozef Degreef, en in 1789-1796 baatte zijn weduwe nog steeds de zaak uit met bovendien vijf bunder land.

Omtrent 1800, schrijft De Ceuster, geraakte de molen weer in handen van een Van Gestel, nl. N. Van Gestel uit Brussel, die hem verhuurde aan Hendrick Ramacker (1816-1842), Lammens, Barbier-Hanssens (1852) en Laroche en Co (1860), welke er inpakpapier en karton vervaardigden.

De volgende eigenaars waren Grellingen en Co, papier­fabrikanten, en eindelijk, sedert 1900, de Naamlooze Vennoot­schap der Papierfabrieken van Zaventem.

Literatuur

E. Charels & J. Lauwers, "Zaventem: zijn watermolens, zijn Sint-Martinus, zijn luchthaven", Tielt, 1979.
J. De Ceuster, "Saventhem", in: De Brabantsche Folklore, nr. 47-48, 1929.
F. Maes, "De watermolens van Zaventem", in: Eigen Schoon en de Brabander, XXV, 1942, p. 7-19, 45-51 en 77-84.
Herman Holemans, "Kadastergegevens: 1835-1985. Brabantse wind- en watermolens. Deel 3: arrondissement Halle-Vilvoorde (M-Z)", Kinrooi, Studiekring Ons Molenheem", 1992.
M.A. Duwaerts e.a., "De molens in Brabant", Brussel, Dienst voor Geschiedkundige en Folkloristische Opzoekingen van de Provincie Brabant, 1961.
Jos De Gelas, "Inventaris van de Brabantse papiermolens", in: Tijdschrift industrieel erfgoed, Voortzetting van: Driemaandelijks tijdschrift van de Vlaamse vereniging voor industriele archeologie, Gent, Vlaamse vereniging voor industriële archeologie, nr. 7, 1987, p. 15-25.
Henri Vannoppen, "De geschiedenis van Zaventem, de Industriegemeente van Middenbrabant", Zaventem, Gemeentelijke Culturele Raad, 1981, p. 337 en vervolgens passim, ill.
Mededeling Wim van der Elst, Laken, 09.11.2013.
Mailbericht Guy Van Caudenberg, 24.09.2015.

Stuur uw teksten over deze molen  | 
Stuur uw foto's van deze molen
  
Laatst bijgewerkt: vrijdag 25 september 2015

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in database zoek op provincie Stuur een algemene e-mail over molens vorige pagina Home pagina Naar bestaande molens