Molenzorg

Grimbergen, Vlaams-Brabant


Collectie
Verdwenen Belgische Molens
Naam

Molen te Schiplaken

Ligging
Schiplaken
1850 Grimbergen
toon op kaart
Type
Onderslag watermolen
Functie
Korenmolen
Gebouwd
voor 1154
Verdwenen
na 1417
Beschrijving / geschiedenis

Scheplaken, later Schiplaken geschreven, is een oude heerlijkheid, ge­legen bij de huidige schipvaart  te Heienbeek. Haar grondgebied was begrensd door de Leibeek die doorliep langs de 'Gemeynteweiden'. De oude  Heerweg vormde de west- en noordgrens. Oostwaarts lag de vaart. 'Scep' of 'Schep' verwijst naar de handeling van waterschep­pen. Zo betekent 'Schepdaal' plaats waar men 'ten dale gaat' om water te scheppen (158). 'Laken' of 'Laak' is hetzelf de als lede of lei beek, een kunstmatige afleiding van een beek, hier waarschijnlijk de Tan­gebeek. Scheplaken betekent dus: de afleidingsbeek (= leibeek) waar men water gaat scheppen.

Schiplaken is mogelijkerwijze zo oud als Grimbergen. Een eerste ver­melding van het goed vinden we reeds in 1154. Na de strijd  tussen beide machtige grondheren, de hertog van Brabant en de heer van Grimbergen, moest er wel heel wat geregeld worden met betrekking tot schenkingen en ouder bezit. Onder al die opgesomde giften komt ook de volgende voor: «Wij Walter Eerthout schenken onherroepe­lijk de plaats van de molen (sedem molendini) die Robrecht van Schep­laken samen met zijn dochter heeft gegeven» (159). In die tijd wer­den de mensen gewoonlijk genoemd naar de plaats waar ze woon­den. Die Robrecht had dus zijn woonst te Schiplaken. In 1162 bevestigde Walter Eerthout met zijn broer Gerard nogmaals dezelf­ de schenking van Robrecht van Scheplaken (160).

Een akte van 19 augustus 1224 vermeldt Walter van Sceplaken en zijn zoon Hugo, onder de getuigen bij een schenking door Hendrik van Oyenbrugge gedaan aan de abdij van Grimbergen. Al deze getuigen waren ridders en bovendien leenmannen van de heren van Grimber­gen. Van Hugo van Sceplaken vinden we een begiftigingsbrief van april 1243 waaruit blijkt dat Hugo inderdaad ridder was en dat de familie Van Scheplaken dus tot de adel behoorde. Deze akte is de laatste waarin we de familie Van Scheplaken aantreffen. Mogelijker­wijze is de familie uitgestorven of uitgeweken.

In 1360 was Elisabeth de Swaef, gehuwd met Walter Pipenpoy, af­komstig uit een Brusselse patriciërsfamilie, eigenares van het Hof  te Schiplaken. Ze hielden het in pacht van beide heren van Grimber­gen, met 37 tot 38 bunder land.

We weten niet of er op de beek te Schiplaken een molen stond. Er is nochtans sprake van een molen, maar veel aanduidingen schij­nen uit te wijzen dat deze molen niet te Schiplaken stond, maar wel in de buurt van het goed van Oyenbrugge op de Maalbeek.

Na het bericht over een molen door Robrecht van Scheplaken en zijn dochter in 1154 aan de abdij geschonken, moeten we wachten tot 1342 eer we terug iets vernemen. In het abdijarchief vinden we een charter van 1342 dat ons volgende  inlichtingen geeft: abt Wouter en de ab­dij van Grimbergen hebben van Hendrik van Antoigne, heer van Bug­genhout, zijn molen gekregen met de dries die er naast ligt, tegen een jaarlijkse cijns van vier en een halve mudde rogge. Buggenhout was een leengoed  van de Berthouts en hoorde bij het land van Grimber­gen (161). Dat het hier gaat om de molen van Schiplaken vernemen we echter alleen uit een randnota bij de tekst gevoegd. We kunnen dus enkel veronderstellen dat er een verwantschap bestond tussen het goed van Schiplaken en de heren van Buggenhout. Het  was de ge­ woonte een pand of borg te stellen voor de leengoederen. In geval de cijns niet werd  betaald mocht  het pand in beslag genomen wor­den. Voor het in leen krijgen van de molen van Schiplaken, gaf de abt, Wouter van Marcq, het Hof te Poddegem met alle toebehoren als pand.

Op 4 mei 1387 komen vrouwe Oda van der Tommen, echtgenote van Frank de Swaef, en haar zoon voor de schepenen van Grimbergen om heer Roelof, abt van Grimbergen, de schuld kwijt te schelden van vier mud den en drie sisteren rogge. De abdij was dit hen jaarlijks ver­schuldigd voor de molen van Schiplaken. Doch op de kwijtschelding staat een beperking. Ze is enkel geldig zolang als de pachter die de molen uitbaat, Claus de Beyere van Pruthen en zijn echtgenote Ma­ria Tsjampers, of één van beiden in leven is. Hogerop werd vermeld dat Elisabeth De Swaef met haar man Willem van Pipenpoy eigenaars waren van Sch iplaken. In 1378 traden Oda van der Tommen, vrouw van Frank De Swaef en haar zoon als eigenaars op. Mogelijk was Elisabeth De Swaef een dochter van deze Oda; samen met haar man Walter Pipenpoy ging ze wonen op het goed van Schiplaken. Op het kasteel ter Tommen in de Borght woonde de kasteleinsvrouw Oda van der Tommen, weduwe De Swaef en zij had de molen van Schip­laken in eigendom.

In 1395 koopt Joerijs Besaens, poorter van Vilvoorde, zoon van Ni­casius Besaens, de cijns van vier mudden en drie sisteren rogge af van Oda van der Tommen, uitgaande van de watermolen «die men heet van Sceplaken ghelijc dat si gheleghen es te Grymberghen op de be­ke, metten gronde ende toebehoerten». Men zegt hier dus dat de molen 'van Schiplaken' genoemd werd en niet dat hij te Schiplaken stond.

In dezelfde akte betreffende de leenovereenkomst van de molen met de abt Wouter van Marcq, wordt ook vermeld dat 'de dries', de aan­palende grond,verpacht werd. Het is moeilijk aan te nemen dat grond die aan het Hof van Schiplaken paalde aan  anderen in pacht zou ge­geven worden. Het ligt eerder  voor de hand  dat de nabijgelegen stuk­ken bij het hof bleven en veraf gelegen stukken aan anderen vepacht werden .

Op 8 november 1395 droegen de eigenaars van de molen, Van der Tommen-De Swaef, de pacht over aan Joris Besaen. Hij behield de pacht ongeveer twintig jaar en schonk  hem op 25 april 1417 aan de abdij. Uit het voorgaande besluiten we dat de molen van Schiplaken niet op de plaats van die naam stond. De weinige bronnen die ons over de ligging zouden kunnen inlichten zijn verward en onvolledig. Het register 7 (162) geeft de korte inhoud van de brieven en charters van het abdijarchief, o.a. die van de molen waarvan hier sprake is. Bij de begiftigingsakte van 1342 staat een nota in de kant: «Dit es de molen die nu is gedemolieert (afgebroken) liggende bij Poddegem». Het kaartboek van de gemeente vermeldt er niets over maar dat van de abdij vermeldt een elzenbosje waar vroeger een molen stond en wel westwaarts van het Hof te Oyenbrugge, aan de Maalbeek, over het voetpad dat loopt over de brug van de beek. Prelaat A Spira noemt deze molen echter 'molen van Poddegem'. De verwarring rond deze beide molens dateert dus al van in de zestiende eeuw...

In de tweede helft van de zeventiende eeuw was Melchior van der Cruy­cen eigenaar van Schiplaken. Na zijn dood kwam het in het bezit van baron De Saint Pierre de Villegas en van mevrouw Morphie, schoon­zuster van De Villegas. Een eeuw later was de weduwe Van Kerre­broeck, eigenares van het Tommenkasteel, ook eigenares van Schiplaken. Daarna kwam de familie De Fraye in het bezit van het kasteel. De heer De Fraye was gemeenteraadslid te Grimbergen tot 1832 (163).

--------------------------

(158) MANSION, De Voornaamste Bestanddeeten der Vlaamsche Plaatsnamen, Brussel, 1935, blz. 143.

(159) A.A.G ., Canularium I, 39 («secundo loco») en Cartularium II, folio 1.

(160) A.A.G., Cartularium I, 38 en Cartularium II, folio 172.

(161) In 1266 schonken Maria van Perweisen Filip van Vianden, erfgenamen van de Berthouts van Grimbergen, het dorp Buggenhout aan Hendrik van Grimbergen, zoon van Willem II, heer van Asse; met al de inkomsten, leenmannen en huurlingen.

Bijlagen

Schiplaken

Scheplaken, later Schiplaken geschreven, is een oude heerlijkheid, ge­legen bij de huidige schipvaart  te Heienbeek. Haar grondgebied was begrensd door de Leibeek die doorliep langs de 'Gemeynteweiden'. De oude  Heerweg vormde de west- en noordgrens. Oostwaarts lag de vaart. 'Scep' of 'Schep' verwijst naar de handeling van waterschep­pen. Zo betekent 'Schepdaal' plaats waar men 'ten dale gaat' om water te scheppen (158). 'Laken' of 'Laak' is hetzelf de als lede of lei beek, een kunstmatige afleiding van een beek, hier waarschijnlijk de Tan­gebeek. Scheplaken betekent dus: de afleidingsbeek (= leibeek) waar men water gaat scheppen.

Schiplaken is mogelijkerwijze zo oud als Grimbergen. Een eerste ver­melding van het goed vinden we reeds in 1154. Na de strijd  tussen beide machtige grondheren, de hertog van Brabant en de heer van Grimbergen, moest er wel heel wat geregeld worden met betrekking tot schenkingen en ouder bezit. Onder al die opgesomde giften komt ook de volgende voor: «Wij Walter Eerthout schenken onherroepe­lijk de plaats van de molen (sedem molendini) die Robrecht van Schep­laken samen met zijn dochter heeft gegeven» (159). In die tijd wer­den de mensen gewoonlijk genoemd naar de plaats waar ze woon­den. Die Robrecht had dus zijn woonst te Schiplaken. In 1162 bevestigde Walter Eerthout met zijn broer Gerard nogmaals dezelf­ de schenking van Robrecht van Scheplaken (160).

Een akte van 19 augustus 1224 vermeldt Walter van Sceplaken en zijn zoon Hugo, onder de getuigen bij een schenking door Hendrik van Oyenbrugge gedaan aan de abdij van Grimbergen. Al deze getuigen waren ridders en bovendien leenmannen van de heren van Grimber­gen. Van Hugo van Sceplaken vinden we een begiftigingsbrief van april 1243 waaruit blijkt dat Hugo inderdaad ridder was en dat de familie Van Scheplaken dus tot de adel behoorde. Deze akte is de laatste waarin we de familie Van Scheplaken aantreffen. Mogelijker­wijze is de familie uitgestorven of uitgeweken.

In 1360 was Elisabeth de Swaef, gehuwd met Walter Pipenpoy, af­komstig uit een Brusselse patriciërsfamilie, eigenares van het Hof  te Schiplaken. Ze hielden het in pacht van beide heren van Grimber­gen, met 37 tot 38 bunder land.

We weten niet of er op de beek te Schiplaken een molen stond. Er is nochtans sprake van een molen, maar veel aanduidingen schij­nen uit te wijzen dat deze molen niet te Schiplaken stond, maar wel in de buurt van het goed van Oyenbrugge op de Maalbeek.

Na het bericht over een molen door Robrecht van Scheplaken en zijn dochter in 1154 aan de abdij geschonken, moeten we wachten tot 1342 eer we terug iets vernemen. In het abdijarchief vinden we een charter van 1342 dat ons volgende  inlichtingen geeft: abt Wouter en de ab­dij van Grimbergen hebben van Hendrik van Antoigne, heer van Bug­genhout, zijn molen gekregen met de dries die er naast ligt, tegen een jaarlijkse cijns van vier en een halve mudde rogge. Buggenhout was een leengoed  van de Berthouts en hoorde bij het land van Grimber­gen (161). Dat het hier gaat om de molen van Schiplaken vernemen we echter alleen uit een randnota bij de tekst gevoegd. We kunnen dus enkel veronderstellen dat er een verwantschap bestond tussen het goed van Schiplaken en de heren van Buggenhout. Het  was de ge­ woonte een pand of borg te stellen voor de leengoederen. In geval de cijns niet werd  betaald mocht  het pand in beslag genomen wor­den. Voor het in leen krijgen van de molen van Schiplaken, gaf de abt, Wouter van Marcq, het Hof te Poddegem met alle toebehoren als pand.

Op 4 mei 1387 komen vrouwe Oda van der Tommen, echtgenote van Frank de Swaef, en haar zoon voor de schepenen van Grimbergen om heer Roelof, abt van Grimbergen, de schuld kwijt te schelden van vier mud den en drie sisteren rogge. De abdij was dit hen jaarlijks ver­schuldigd voor de molen van Schiplaken. Doch op de kwijtschelding staat een beperking. Ze is enkel geldig zolang als de pachter die de molen uitbaat, Claus de Beyere van Pruthen en zijn echtgenote Ma­ria Tsjampers, of één van beiden in leven is. Hogerop werd vermeld dat Elisabeth De Swaef met haar man Willem van Pipenpoy eigenaars waren van Sch iplaken. In 1378 traden Oda van der Tommen, vrouw van Frank De Swaef en haar zoon als eigenaars op. Mogelijk was Elisabeth De Swaef een dochter van deze Oda; samen met haar man Walter Pipenpoy ging ze wonen op het goed van Schiplaken. Op het kasteel ter Tommen in de Borght woonde de kasteleinsvrouw Oda van der Tommen, weduwe De Swaef en zij had de molen van Schip­laken in eigendom.

In 1395 koopt Joerijs Besaens, poorter van Vilvoorde, zoon van Ni­casius Besaens, de cijns van vier mudden en drie sisteren rogge af van Oda van der Tommen, uitgaande van de watermolen «die men heet van Sceplaken ghelijc dat si gheleghen es te Grymberghen op de be­ke, metten gronde ende toebehoerten». Men zegt hier dus dat de molen 'van Schiplaken' genoemd werd en niet dat hij te Schiplaken stond.

In dezelfde akte betreffende de leenovereenkomst van de molen met de abt Wouter van Marcq, wordt ook vermeld dat 'de dries', de aan­palende grond,verpacht werd. Het is moeilijk aan te nemen dat grond die aan het Hof van Schiplaken paalde aan  anderen in pacht zou ge­geven worden. Het ligt eerder  voor de hand  dat de nabijgelegen stuk­ken bij het hof bleven en veraf gelegen stukken aan anderen vepacht werden .

Op 8 november 1395 droegen de eigenaars van de molen, Van der Tommen-De Swaef, de pacht over aan Joris Besaen. Hij behield de pacht ongeveer twintig jaar en schonk  hem op 25 april 1417 aan de abdij. Uit het voorgaande besluiten we dat de molen van Schiplaken niet op de plaats van die naam stond. De weinige bronnen die ons over de ligging zouden kunnen inlichten zijn verward en onvolledig. Het register 7 (162) geeft de korte inhoud van de brieven en charters van het abdijarchief, o.a. die van de molen waarvan hier sprake is. Bij de begiftigingsakte van 1342 staat een nota in de kant: «Dit es de molen die nu is gedemolieert (afgebroken) liggende bij Poddegem». Het kaartboek van de gemeente vermeldt er niets over maar dat van de abdij vermeldt een elzenbosje waar vroeger een molen stond en wel westwaarts van het Hof te Oyenbrugge, aan de Maalbeek, over het voetpad dat loopt over de brug van de beek. Prelaat A Spira noemt deze molen echter 'molen van Poddegem'. De verwarring rond deze beide molens dateert dus al van in de zestiende eeuw...

In de tweede helft van de zeventiende eeuw was Melchior van der Cruy­cen eigenaar van Schiplaken. Na zijn dood kwam het in het bezit van baron De Saint Pierre de Villegas en van mevrouw Morphie, schoon­zuster van De Villegas. Een eeuw later was de weduwe Van Kerre­broeck, eigenares van het Tommenkasteel, ook eigenares van Schiplaken. Daarna kwam de familie De Fraye in het bezit van het kasteel. De heer De Fraye was gemeenteraadslid te Grimbergen tot 1832 (163).

--------------------------

(158) MANSION, De Voornaamste Bestanddeeten der Vlaamsche Plaatsnamen, Brussel, 1935, blz. 143.

(159) A.A.G ., Canularium I, 39 («secundo loco») en Cartularium II, folio 1.

(160) A.A.G., Cartularium I, 38 en Cartularium II, folio 172.

(161) In 1266 schonken Maria van Perweisen Filip van Vianden, erfgenamen van de Berthouts van Grimbergen, het dorp Buggenhout aan Hendrik van Grimbergen, zoon van Willem II, heer van Asse; met al de inkomsten, leenmannen en huurlingen.

Literatuur

Schoon Grimbergen, in: Eigen Schoon en de Brabander, XI, 1928, p. 193-200.
J.J. Feyen, "Oude pachthoeven en rustige watermolens te Grimbergen", in "De Toerist", XXXVII, 1958, p. 521-524. Herman Holemans, Kadastergegevens: 1835-1985. Brabantse wind- en watermolens. Deel 2: arrondissement Halle-Vilvoorde (A-L), Kinrooi, Studiekring Ons Molenheem", 1991.
M.A. Duwaerts e.a., De molens in Brabant, Brussel, Dienst voor Geschiedkundige en Folkloristische Opzoekingen van de Provincie Brabant, 1961.
Daniël J. Delestré, Uit het Verleden van Grimbergen, deel II, bewerkte en geannoteerde uitgave door de leden van 'Eigen Schoon', Heemkundige Kring 'Eigen Schoon' en Abdijgemeenschap der Norbertijnen, Grimbergen 1987, p. 68-77.
Serge Demol en Johan Vanwetswinkel, Het landelijk leven in het Grimbergse, Grimbergen, Vlaamse Vriendenkring, 2006, deel 1, p. 154-157 en p. 150, ill.
Medeling Wim van der Elst, Laken, 09.11.2013.

Stuur uw teksten over deze molen  | 
Stuur uw foto's van deze molen
  
Laatst bijgewerkt: zondag 10 november 2013

 

De inhoud van deze pagina's is niet printbaar.

zoek in database zoek op provincie Stuur een algemene e-mail over molens vorige pagina Home pagina Naar bestaande molens